Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ5073

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
200808859/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Losser (hierna: het college) opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar. Het college heeft het bezwaar gericht tegen het besluit van 3 februari 2004 gegrond verklaard en het in dit besluit opgenomen voorschrift B5 gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808859/1/H3.

Datum uitspraak: 12 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 29 oktober 2008 in zaken nrs. 07/1121 en 08/630 in het geding tussen:

[appellant],

en

het college van burgemeester en wethouders van Losser.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Losser (hierna: het college) opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar. Het college heeft het bezwaar gericht tegen het besluit van 3 februari 2004 gegrond verklaard en het in dit besluit opgenomen voorschrift B5 gewijzigd.

Bij uitspraak van 29 oktober 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 28 augustus 2007 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief van zijn gemachtigde, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 2008, en in persoon bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2008 hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 24 december 2008 en van 21 januari 2008.

Bij brief van 2 maart 2009 hebben [vergunninghouders], die door de Afdeling in de gelegenheid zijn gesteld om op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2009, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door drs. B.V. Nijholt, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2.1. Overwegingen

2.2. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wet op de openluchtrecreatie, zoals dit luidde ten tijde van belang, is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een kampeerterrein te houden.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, zoals dit luidde ten tijde en voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders in het belang van de orde, de rust, de veiligheid, de natuur- en landschapbescherming, de bescherming van het milieu, de hygiëne en de gezondheid, alsmede overige onderwerpen betreffende het kamperen aan een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, beperkingen of voorschriften verbinden, dan wel deze beperkingen of voorschriften wijzigen of intrekken.

2.3. Bij besluit van 3 februari 2004 heeft het college aan vergunninghouders een vergunning verleend voor de exploitatie van een kampeerterrein. Aan deze vergunning heeft het college, voor zover thans van belang, voorschrift B5 verbonden. Dit voorschrift luidde: "Het kampeerterrein moet rondom voorzien zijn van een beplantingsstrook met een minimale breedte van 10 meter en dient te bestaan uit zodanige beplanting dat het een passend element vormt in de omgeving, dat wil zeggen dat er sprake moet zijn van een echt bosrand uiterlijk, bestaande uit streekeigen beplanting. Bestaande beplantingsstroken, houtwallen en bosstroken die direct grenzend aan het kampeerterrein zijn gelegen op de percelen van derden worden geacht te voldoen aan de omschrijving "beplantingsstrook rondom". Uitgangspunt vormt hierbij de landschappelijke inpassing van het kampeerterrein."

Nadat de rechtbank twee eerdere versies van voorschrift B5 in de uitspraken van 28 juni 2006 en 12 april 2007 in strijd heeft geacht met het rechtszekerheidsbeginsel, heeft het college het voorschrift bij besluit van 28 augustus 2007 opnieuw gewijzigd. Het voorschrift luidt thans: "Teneinde de doorkijk vanaf het kampeerterrein naar de naburige percelen en omgekeerd naar redelijkheid te voorkomen dient de randbeplanting aan de westzijde van de camping, althans voor zover deze is gelegen binnen de vaknummers 1 tot en met 13 en 17 tot en met 33 van de bij de vergunning behorende en als zodanig gewaarmerkte rastertekening, te worden ingericht en te worden beheerd overeenkomstig het bij dit voorschrift behorende en als zodanig gewaarmerkte beplantingsplan."

2.4. De rechtbank heeft geoordeeld dat voorschrift B5 zoals dat thans luidt niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Het gebruik in het voorschrift van de woorden "naar redelijkheid" maakt niet dat onduidelijk is wanneer aan dit voorschrift is voldaan. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat dit voorschrift geen slechtere rechtspositie van [appellant] bewerkstelligt dan het voorschrift dat was opgenomen in het besluit van 3 februari 2004. Derhalve is, volgens de rechtbank, geen sprake van schending van het verbod van reformatio in peius.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank, gelet op de in voorschrift B5 opgenomen woorden "naar redelijkheid", ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 28 augustus 2007 niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Ook voert hij aan dat aan een vergunning alleen voorschriften kunnen worden verbonden, die door de vergunninghouder direct kunnen worden nageleefd, zonder dat hij daarbij afhankelijk is van medewerking van derden.

Verder betoogt [appellant], onder verwijzing naar een brief van 22 oktober 1997 waarin het college aan hem meedeelt dat rondom het campingterrein een beplantingsstrook dient te worden aangebracht met een minimale breedte van tien meter, dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij het nemen van het besluit van 28 augustus 2007 heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel, alsmede met het verbod van reformatio in peius. Hij stelt hiertoe dat voorschrift B5 behorende bij het besluit van 28 augustus 2007 ongunstiger voor hem is nu hierin niet een minimale breedte van tien meter met betrekking tot de aan te leggen beplantingsstrook aan de rand van de camping wordt genoemd.

Tenslotte betoogt [appellant] dat het rapport van Oranjewoud niet ten grondslag mag liggen aan het besluit van 28 augustus 2007, nu het uitgangspunt van dat rapport niet juist is en het rapport onwaarheden bevat. In het rapport wordt gesproken over cultuurhistorische zaken terwijl de inzet privacy is, aldus [appellant].

2.5.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het gebruik van de woorden "naar redelijkheid" in voorschrift B5 van het besluit van 28 augustus 2007, niet leidt tot het oordeel dat dit voorschrift in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. De woorden zijn niet mede bepalend voor de concrete maatregelen die de vergunninghouders moeten treffen, maar zien op het met voorschrift B5 beoogde doel. Gelet op de inhoud van het beplantingsplan behorende bij het besluit kan feitelijk en objectief worden vastgesteld wanneer door de vergunninghouders aan dit voorschrift is voldaan.

Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat voorschrift B5 in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat aan een vergunning alleen voorschriften kunnen worden verbonden die door de vergunninghouders direct kunnen worden nageleefd, zonder dat zij daarbij afhankelijk zijn van medewerking van derden, mist feitelijke grondslag, nu in het beplantingsplan behorende bij voorschrift B5 zoals dit thans luidt geen rekening wordt gehouden met beplanting die grenst aan het kampeerterrein en is gelegen op percelen van derden. Voor zover [appellant] met dit betoog doelt op de laatste volzin van voorschrift B5 behorende bij het besluit van 3 februari 2004, wordt overwogen dat bij de rechtbank niet dit voorschrift B5 ter beoordeling voorlag, maar het voorschrift B5 zoals dit thans luidt.

2.5.2. Aan het besluit van 3 februari 2004 heeft het college een advies van het Oversticht van 7 oktober 2003 ten grondslag gelegd. Gedurende de bezwaarfase heeft het college, teneinde recht te doen aan het door [appellant] gemaakte bezwaar, opnieuw onderzoek laten doen naar de aan te leggen beplantingsstrook door advies- en ingenieursbureau Oranjewoud. De bevindingen hiervan zijn uitgewerkt in het beplantingsadvies van 23 november 2004, dat door het college ten grondslag is gelegd aan het besluit op bezwaar. Gelet op het voorgaande kan niet staande worden gehouden dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld.

Uit het beplantingsadvies van Oranjewoud blijkt dat eventuele doorkijk niet alleen samenhangt met de breedte van de beplantingsstrook, maar dat ook de leeftijd van het groen, het type groen en de cultuurhistorische ontstaansgeschiedenis een rol spelen. Niet is gebleken dat dit beplantingsadvies naar de wijze van totstandkoming dan wel naar de inhoud zodanige gebreken bevat dat het college dit niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Voorts heeft [appellant], ondanks dat hij daarop reeds in de uitspraak van de rechtbank van 28 juni 2006 en nogmaals in de uitspraak van 29 oktober 2008 is gewezen, geen tegenadvies van een terzake deskundige ingediend om aan te tonen dat het hiervoor vermelde beplantingsadvies van Oranjewoud onjuistheden bevat.

De Afdeling begrijpt het beplantingsplan waarnaar in voorschrift B5 wordt verwezen aldus, dat met het in stand houden en inboeten van de reeds aanwezige beplanting wordt beoogd dat deze beplanting bijdraagt aan het creëren van een ondoorzichtige haag. De aanplant van nieuwe bomen en heesters en afdoende onderhoud van de gehele houtsingel waarborgen het ondoorzichtige karakter van de haag op de lange termijn. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat een beplantingsstrook met een minimale diepte van tien meter en het vereiste van een "echt bosrand uiterlijk" niet resulteert in minder doorkijk dan een beplantingsstrook zoals deze wordt omschreven in voorschrift B5 van het besluit van 28 augustus 2007 in samenhang met het bijbehorende beplantingsplan. Derhalve brengt voorschrift B5 niet een verslechtering met zich van de positie van [appellant] ten opzichte van die welke voortvloeide uit het voorschrift, neergelegd in het besluit van 3 februari 2004. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat van een verslechtering als zojuist bedoeld geen sprake is, en daarom niet wordt toegekomen aan beantwoording van de vraag of zo'n verslechtering toelaatbaar is. Hieruit vloeit tevens voort dat het college, door voorschrift B5 te formuleren zoals het heeft gedaan in het besluit van 28 augustus 2007, het vertrouwensbeginsel niet heeft geschonden.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover bestreden, te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover bestreden.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2009

350-591.