Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ5067

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
200900624/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Venray (hierna: de raad) bij besluit van 17 juni 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Parc De Witte Vennen" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900624/1/R2.

Datum uitspraak: 12 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Venray (hierna: de raad) bij besluit van 17 juni 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Parc De Witte Vennen" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 januari 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2009. Ter zitting is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. S.E. Nijkamp, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in de verdere ontwikkeling van recreatiepark De Witte Vennen (hierna: het park). Het park heeft een recreatieve bestemming en biedt onder andere ruimte aan hoogwaardige vakantiewoningen, kampeerplaatsen en bijbehorende centrale voorzieningen.

2.3. [appellant] stelt dat het college ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend nu het plan geen regeling voor vrijstaande bijgebouwen kent bij vakantiewoningen die particulier eigendom zijn. Daartoe voert hij aan dat zijn vakantiewoning de in het plan voorgeschreven maximale vloeroppervlakte van 130 m² niet overschrijdt zodat er nog voldoende ruimte is om een vrijstaande berging te realiseren.

Het argument van de raad dat een vrijstaande berging uitnodigt tot permanente bewoning doordat alsdan de woning over dezelfde kwaliteiten zou beschikken als een reguliere woning is volgens [appellant] onjuist nu de wel toegestane inpandige berging slechts ruimte biedt voor de warmwatervoorziening, wasmachine en wasdroger. Volgens hem valt dan ook niet in te zien waarom een vrijstaande berging eerder uitnodigt tot permanente bewoning. Van de door de raad gestelde verrommeling op het park is naar het oordeel van [appellant] ook geen sprake omdat de bergingen juist worden gebouwd ter voorkoming van buitenopslag. Op het park zijn bovendien reeds vrijstaande bergingen aanwezig met een uniforme bouw, in lijn met de omgeving. Voor negen van deze vrijstaande bijgebouwen zijn onder het voorheen geldende bestemmingsplan vergunningen verleend terwijl in dat plan ook geen bijgebouwen waren toegestaan. [appellant] beschikt zelf over een vrijstaand bijgebouw zonder bouwvergunning. Hij wenst dat aan andere eigenaren, waaronder hemzelf, ook de mogelijkheid wordt geboden een vrijstaand bijgebouw met vergunning op te richten.

2.4. Het college heeft geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het plan te onthouden en stelt zich op het standpunt dat het niet toestaan van vrijstaande bijgebouwen dient ter voorkoming van het verspreid oprichten van bebouwing zonder afstemming met de omgeving. Het oprichten van bijgebouwen levert volgens het college bovendien voor het hoofdgebouw extra wooncomfort op zodat dat eerder uitnodigt tot permanente bewoning. Wat betreft het verlenen van vergunningen voor enkele bijgebouwen onder het voorheen geldende bestemmingsplan merkt het college met de raad op dat dit het gevolg is geweest van een verkeerde interpretatie van dit bestemmingsplan en dat vergunningverlening voor de toekomst is uitgesloten.

2.5. Aan de gronden met de vakantiewoningen is in het plan de bestemming "Recreatieve Doeleinden" toegekend. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften is het oprichten van bijgebouwen en aan- en uitbouwen ten behoeve van vakantiewoningen niet toegestaan.

In artikel 3, vierde lid, is het tevens verboden de opstallen te gebruiken voor permanente bewoning, met uitzondering van dienstwoningen.

2.6. De Afdeling acht het beleid van de raad om op het park bijgebouwen bij vakantiewoningen niet toe staan niet onredelijk. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat blijkens de plantoelichting wordt gestreefd naar ruim opgezette vakantiewoningen met veel groenelementen tussen de aangrenzende woningen. Het toestaan van bijgebouwen tast dit streven naar een open ruimte aan en past daarom niet in deze visie. Het college heeft zich tevens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toestaan van bijgebouwen eerder kan leiden tot permanente bewoning nu daarmee het wooncomfort wordt vergroot en de woningen steeds meer gaan lijken op reguliere woningen. Nu in de planvoorschriften permanente bewoning van vakantiewoningen uitdrukkelijk is verboden ligt het in de rede om daarom in het plan geen bijgebouwenregeling op te nemen.

Voor zover [appellant] stelt dat onder het voorheen geldende plan wel bouwvergunningen zijn verleend voor bijgebouwen stelt de Afdeling vast dat dit plan evenmin bijgebouwen toestond. Het feit dat onder het voorheen geldende plan wel vergunningen zijn verleend voor het oprichten van bijgebouwen moet als strijdig met dat plan worden geacht, hetgeen de raad ook erkent. Dat betekent echter niet dat de raad de abusievelijk verleende vergunningen als uitgangspunt voor het opnemen van een bijgebouwenregeling in de planvoorschriften moest nemen, die ook andere eigenaren, waaronder [appellant], in staat zou stellen vrijstaande bijgebouwen bij hun recreatiewoningen op te richten.

2.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Boermans

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2009

429-608.