Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ5065

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
200708124/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2007, kenmerk 1277236/1337463, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Uden (hierna: de raad) bij besluit van 15 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2006".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/860
OGR-Updates.nl 09-123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708124/1.

Datum uitspraak: 12 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellante sub 4], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], wonend te [woonplaats],

5. [appellanten sub 5], beiden wonend te [woonplaats],

6. [appellanten sub 6], beiden wonend te [woonplaats],

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

9. [appellant sub 9], wonend te [woonplaats],

10. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats],

11. [appellanten sub 11], beiden wonend te [woonplaats],

12. [appellanten sub 12], beiden wonend te [woonplaats],

13. [appellante sub 13], wonend te [woonplaats],

14. [appellant sub 14], wonend te [woonplaats],

15. [appellant sub 15], wonend te [woonplaats],

16. [appellante sub 16], waarvan de maten zijn [appellant sub 8], [maat A] en [appellant sub 32], gevestigd te [plaats],

17. [appellant sub 17], wonend te [woonplaats],

18. [appellanten sub 18], beiden wonend te [woonplaats],

19. [appellant sub 19], wonend te [woonplaats],

20. [appellanten sub 20], beiden wonend te [woonplaats],

21. [appellanten sub 21], beiden wonend te [woonplaats],

22. [appellant sub 22], wonend te [woonplaats],

23. [appellante sub 23], gevestigd te [woonplaats],

24. [appellant sub 24], wonend te [woonplaats],

25. [appellant sub 25], wonend te [woonplaats],

26. [appellant sub 26], wonend te [woonplaats],

27. [appellant sub 27], wonend te [woonplaats],

28. [appellant sub 28], wonend te [woonplaats],

29. [appellant sub 29], wonend te [woonplaats],

30. [appellant sub 30], wonend te [woonplaats],

31. [appellante sub 31], wonend te [woonplaats],

32. [appellant sub 32], wonend te [woonplaats],

33. de raad van de gemeente Uden,

34. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Awic B.V.,

gevestigd te Odiliapeel, gemeente Uden,

35. [appellant sub 35], wonend te [woonplaats],

36. [appellant sub 36], wonend te [woonplaats],

37. de staatssecretaris van Defensie,

38. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

39. [appellant sub 39], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2007, kenmerk 1277236/1337463, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Uden (hierna: de raad) bij besluit van 15 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2006".

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 4], [appellanten sub 5], [appellanten sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellanten sub 11], [appellanten sub 12], [appellante sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellante sub 16] (hierna: [appellante sub 16]), [appellant sub 17], [appellanten sub 18], [appellant sub 19], [appellanten sub 20], [appellanten sub 21], [appellant sub 22], [appellante sub 23], [appellant sub 24], [appellant sub 25], [appellant sub 26], [appellant sub 27], [appellant sub 28], [appellant sub 29], [appellant sub 30], [appellante sub 31], [appellant sub 32], de raad, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Awic B.V. (hierna: Awic B.V.), [appellant sub 35], [appellant sub 36], de staatssecretaris van Defensie, [appellant sub 8], en [appellant sub 39], beroep ingesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellanten sub 5], [appellanten sub 1], [appellant sub 3], [appellante sub 13], [appellant sub 8], Awic B.V., [appellant sub 22], [appellanten sub 21], [appellant sub 28] en [appellant sub 9] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Er zijn nadere stukken ontvangen van een aantal partijen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

[belanghebbende A] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven omtrent het beroep van [appellant sub 2]. [appellant sub 3] en de Stichting Toneelactiviteiten "Naat Piek" hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven omtrent het beroep van [appellanten sub 18]. [appellanten sub 1] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven omtrent het beroep van [appellant sub 30].

[appellant sub 30] heeft zijn beroep ingetrokken bij brief van 2 april 2009.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25, 26 en 27 mei 2009, waar [appellant sub 14], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, [appellant sub 35], vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, Awic B.V., vertegenwoordigd door mr. T. Segers, advocaat te 's Hertogenbos, [appellant sub 29], vertegenwoordigd door mr. E.M. van der Molen, [appellant sub 28], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, [appellant sub 27], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, [appellant sub 26], vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 25], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, [appellant sub 10], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, [appellanten sub 6], in persoon, [appellant sub 21 A], in persoon, [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, [appellant sub 3] in persoon, [appellanten sub 5], vertegenwoordigd door mr. C.G.J.M. Ternaat, advocaat te Rosmalen, [appellant sub 7], vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, [appellant sub 9], vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, [appellante sub 13], vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, [appellant sub 22], vertegenwoordigd door ing. J.B.M. Lauwerijssen, [appellanten sub 20], vertegenwoordigd door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, [appellant sub 15] in persoon, de staatssecretaris van Defensie, vertegenwoordigd door H. Zilverberg en drs. P. Kleij, [appellant sub 8], vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, [appellante sub 16] en [appellant sub 32], vertegenwoordigd door [appellant sub 8], [appellant sub 19], vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, [appellanten sub 18], vertegenwoordigd door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, [appellant sub 17], vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, [appellante sub 31], vertegenwoordigd door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, [appellante sub 23], vertegenwoordigd door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, [appellante sub 4], vertegenwoordigd door ing. J.B.M. Lauwerijssen, en het college, vertegenwoordigd door E.A.L.J.C. van Lieshout, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door E.A.J.M. Sipman en Th.J.I.M. Bouwmans, en [appellant sub 3] en [belanghebbende B] als partij gehoord. .

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. De staatssecretaris van Defensie komt in beroep tegen de goedkeuring van artikel 27, lid 27.10.3, van de planvoorschriften. De constatering van het college in het besluit dat geen wijzigingsbevoegdheid in het plan is opgenomen voor wijziging van de op plankaart 3b aangeduide 50 dB(A) geluidscontour rond het vliegveld Volkel, had het college naar zijn stelling moeten leiden tot onthouding van goedkeuring aan dat voorschrift, nu dat voorschrift de voorwaarden bevat waaronder van die wijzigingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt.

In zijn zienswijze tegen het ontwerpplan heeft de staatssecretaris zich niet gericht tegen artikel 27, lid 27.10.3, van de planvoorschriften wegens het daarin ontbreken van een voorschrift met een bevoegdheid tot wijziging van de op plankaart 3b aangeduide 50 dB(A) geluidscontour rond het vliegveld Volkel.

2.1.1. [appellant sub 14] richt zich in zijn beroep tegen de goedkeuring van artikel 27, lid 27.4.3.C, van de planvoorschriften.

[appellant sub 14] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan ingediend bij de raad.

2.1.2. [appellante sub 16], [appellant sub 32] en [appellant sub 8] richten zich in beroep tegen het plandeel betreffende het bosperceel Peelsche Heide en tegen de op plankaart 3b vermelde geluidscontour voor gronden nabij het perceel van het [aardappelverwerkingsbedrijf]. [appellante sub 16], [appellant sub 32] en [appellant sub 8] hebben geen zienswijze ingediend tegen deze onderdelen van het plan.

2.2. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

2.3. De beroepen van respectievelijk de staatssecretaris van Defensie, van [appellant sub 14], van [appellante sub 16], van [appellant sub 32] en van [appellant sub 8] zijn in zoverre niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.4. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Planbeschrijving

2.5. Het bestemmingsplan omvat het grondgebied van de gemeente Uden met uitzondering van de kernen Uden, Volkel en Odiliapeel en enkele gebieden waarvoor een zelfstandig bestemmingsplan geldt.

Het plan vervangt het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" van 1983, onherroepelijk geworden met het Kb van 17 april 1990, en het bestemmingsplan "Buitengebied (1e partiële herziening)" van 1993, onherroepelijk geworden met het Kb van 27 september 1995.

Op plankaart 1 zijn de gebiedsbestemmingen aangewezen. Op plankaart 2 de detailbestemmingen. Op plankaart 3a staan de ontwikkelingszones, waaronder de reconstructiezonering voor de intensieve veehouderij van het reconstructieplan Peel en Maas. Op plankaart 3b staan de belemmeringszones waarmee rekening gehouden moet worden bij wijziging of vrijstelling van het plan.

Bosgebied -Bg- (artikel 4)

Het beroep van [appellant sub 9]

2.6. [appellant sub 9] stelt dat ten onrechte aan zijn perceel aan de [locatie 1] geen recreatieve bestemming is toegekend.

Hij betoogt dat sprake is van bestaand gebruik dat onder het overgangsrecht van het voorheen geldende plan viel en dat in strijd met het recht in dit plan opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht.

Het niet toekennen van een recreatieve bestemming is naar de stelling van [appellant sub 9] ook in strijd met de uitgangspunten die aan het plan ten grondslag zijn gelegd. Nu het gebruik al tientallen jaren bestaat en de raad op 2 februari 1995 uitdrukkelijk heeft besloten af te zien van sanering, is naar zijn stelling sprake van een bestaande functie die in redelijkheid niet meer te wraken/handhaven is dan wel te lang is gedoogd. In die situatie boden de uitgangspunten de mogelijkheid dat gebruik of die functie als zodanig in het plan te bestemmen.

2.6.1. De raad heeft de gronden op plankaart 1 aangewezen als "Bosgebied" zonder de aanduiding 'V, vakantiehuisje toegestaan'.

2.6.2. Het college heeft in het ontbreken van de recreatieve aanduiding geen aanleiding gezien goedkeuring te onthouden aan de toegekende bestemming. Hij heeft daarbij overwogen dat toekenning van zodanige aanduiding een in het streekplan verboden nieuwvestiging van een solitair gelegen recreatiewoning in de Groene Hoofdstructuur (natuur) zou betreffen. Bovendien is voor de bebouwing van het perceel geen vergunning verleend en heeft het gemeentebestuur te kennen gegeven actief handhavend te zullen optreden tegen de zonder vergunning gerealiseerde bebouwing.

2.6.3. De gronden, op plankaart 1, aangewezen voor "Bosgebied" zijn ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planvoorschriften bestemd voor de volgende doeleinden:

a. instandhouding, herstel en ontwikkeling van bos en bosgroeiplaats met een daarop afgestemde bosbouw;

b. instandhouding, herstel en ontwikkeling van de in het bosgebied plaatselijk voorkomende niet beboste gedeelten, zoals bouw- of grasland, heide, moeras, vennen, vijvers, waterlopen;

c. instandhouding van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, hydrologische en aardkundige waarden;

d. watergangen met een waterhuishoudkundige functie in verband met de onder a t/m c genoemde doeleinden;

e. instandhouding van onverharde wegen, paden en (on)verharde fietspaden;

f. extensief recreatief medegebruik;

g. voor verblijfsrecreatie in de vorm van een vakantiehuisje, uitsluitend ter plaatse van de aldus bestaande bebouwing conform het bepaalde in lid 4.2, onder b, van de voorschriften.

De in artikel 4, lid 4.2, opgenomen bouwvoorschriften vermelden dat de tot "Bosgebied" bestemde gronden, behoudens vrijstelling niet mogen worden bebouwd uitgezonderd - voor zover van belang - vakantiehuisjes, uitsluitend voor zover het betreft als zodanig bestaande legale bebouwing die op plankaart 2 nader is aangeduid met 'V, vakantiehuisje toegestaan' en waarbij de bestaande oppervlakte, inhoud, goothoogte en hoogte als maximum gelden.

2.6.4. Het perceel ligt aan de rand van het bosgebied De Bedafse Bergen. Op het perceel staat sinds eind jaren '70 een stacaravan die, gelet op de bij het deskundigenbericht overgelegde foto's, gelijkenis vertoont met een vakantiewoning en die gezien vorm, omvang en constructie niet geschikt is om regelmatig te worden vervoerd.

2.6.5. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" van 1983 was het perceel - voor zover van belang - bestemd als "Natuurgebieden (LNG)".

Ingevolge de bebouwingsbepalingen die golden voor die bestemming, mochten op de aldus bestemde gronden geen gebouwen of andere bouwwerken worden gebouwd.

Ingevolge artikel 56 van dat plan mocht, in afwijking van de algemene overgangsbepalingen ten aanzien van het gebruik van onbebouwde gronden, het bestaande gebruik van onbebouwde gronden die op de inventarisatiekaart als zodanig waren aangegeven met "C", ten behoeve van staanplaatsen voor sta- en toercaravans, niet langer dan vijf jaar na het rechtskracht verkrijgen van het plan, worden voortgezet.

Het perceel is op bedoelde inventarisatiekaart aangeduid als "C".

Nu het plan, na gedeeltelijke goedkeuring bij Koninklijk besluit van 17 april 1990, op genoemde datum in werking is getreden, eindigde het recht op recreatief gebruik van het perceel voor verblijf in een stacaravan dat [appellant sub 9] aan het voorheen geldende plan kon ontlenen op 17 april 1995. Het betoog van [appellant sub 9] dat sprake is van bestaand gebruik dat onder het overgangsrecht van het voorheen geldende plan viel, faalt derhalve.

2.6.6. Voorts stelt het college zich terecht op het standpunt dat nu het perceel, naar niet is betwist, op de plankaart van het streekplan binnen de aanduiding GHS-natuur valt, het provinciale, ruimtelijke beleid voor gronden met die aanduiding een solitaire vestiging van een recreatiewoning niet toelaat. Voor afwijking van dat beleid behoefde het college geen aanleiding te zien, nu niet is betwist dat voor de plaatsing van de stacaravan/recreatiewoning geen bouwvergunning is verleend.

2.6.7. Voor zover [appellant sub 9] heeft betoogt dat het college van burgemeester en wethouders van Uden hem tot 1991 jaarlijks een ontheffing op grond van artikel 27, vierde lid, van de toenmalige Kampeerwet verleende voor die plaatsing, overweegt de Afdeling dat die ontheffingen aan het - destijds in artikel 47 van de Woningwet opgenomen - verbod om te bouwen zonder (bouw)vergunning van het college van burgemeester en wethouders geen afbreuk deden. Bovendien heeft dat college, uitvoering gevend aan zijn bij brief van 30 januari 1991 gedane aankondiging, in verband met het onherroepelijk worden van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied", [appellant sub 9] vanaf 1995 niet langer een ontheffing op grond van artikel 27, vierde lid, van de toenmalige Kampeerwet verleend.

2.6.8. Het college stelt dan ook terecht dat het college van burgemeester en wethouders van Uden tegen de aanwezigheid van het object nog handhavend kan optreden.

2.6.9. Voor zover [appellant sub 9] heeft betoogd dat het niet toekennen van een recreatieve bestemming in strijd is met de uitgangspunten die aan het plan ten grondslag zijn gelegd, faalt ook dit betoog, reeds omdat nog handhavend kan worden opgetreden tegen het object.

2.6.10. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of aardkundige waarden - Alca- (artikel 7)

Het beroep van [appellant sub 25]

2.7. [appellant sub 25] betwist voor zijn bouwland aan de Knokerdweg de juistheid van de toegekende bestemming en de noodzaak van het voor die gronden geldende aanlegvergunningstelsel. Naar zijn stelling zijn daar geen bijzondere waarden aanwezig. Het toetsingskader en de te volgen procedure zijn onduidelijk en het aanlegvergunningstelsel maakt de normale agrarische bedrijfsvoering onmogelijk.

2.7.1. De gronden zijn op plankaart 1 aangewezen voor "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of aardkundige waarden -Alca-".

Ingevolge artikel 7, lid 7.1.1, zijn deze gronden daarmee bestemd voor

a. agrarische bedrijfsuitoefening, in de vorm van agrarische bodemexploitatie;

b instandhouding van (beperkt) natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en aardkundige waarden;

c. [..];

d. [..].

2.7.2. Op de waardenkaart bij het plan zijn de gronden tevens aangeduid met het differentiatievlak 'aardkundig waardevol gebied'.

Daarmee zijn die gronden ingevolge artikel 7, lid 7.1.2, in het bijzonder bestemd voor de instandhouding van aardkundige waarden.

Op de bescherming van die aardkundige waarden is ingevolge artikel 7, lid 7.3, het in artikel 14 opgenomen aanlegvergunningstelsel van toepassing.

2.7.3. Het college acht de toegekende bestemming en aanduiding in overeenstemming met de in het streekplan aan de gronden toegekende aanduiding AHS-landschap en heeft die goedgekeurd.

2.7.4. [appellant sub 25] heeft zijn stelling dat van bijzondere waarden geen sprake is niet met gegevens gestaafd.

Uit de plankaarten blijkt dat juist ten oosten van de landbouwgronden van [appellant sub 25] de zogenoemde Peelrandbreuk ligt. Die gronden zijn op de waardenkaart bij het plan aangeduid als 'wijstgronden', 'natte graslanden', 'struweel' en 'amfibieën'. Het samenspel tussen de hoger gelegen wijstgronden aan de oostzijde van de breuk en de lager gelegen gronden aan de westzijde - waaronder de gronden van [appellant sub 25] - wordt in het deskundigenbericht aangemerkt als aardkundig en landschappelijk waardevol.

Gelet hierop heeft het college ervan uit kunnen gaan dat de landbouwgronden van [appellant sub 25] terecht zijn aangewezen als "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of aardkundige waarden - Alca-" en terecht zijn aangeduid als 'aardkundig waardevol gebied'.

2.7.5. [appellant sub 25] kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat het aanlegvergunningstelsel de gewone agrarische bedrijfsvoering ernstig zal belemmeren.

In aardkundig waardevol gebied zijn ingevolge artikel 14, lid 14.1, gelezen in samenhang met de in artikel 14, lid 14.6, opgenomen 'Tabel aanlegvergunningen/strijdig gebruik' de volgende werken/werkzaamheden vergunningplichtig:

- voor bodemopbouw en reliëf: het afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen en woelen, egaliseren en indrijven van voorwerpen;

- voor waterhuishouding: aanleg van drainage anders dan ter vervanging van bestaande drainage, aanbrengen van onderbemaling, aanleggen van dammen, stuwen, aanleggen verbreden of verbeteren van sloten en greppels, dempen van sloten en greppels, dempen van kleine geïsoleerde wateren en het aanbrengen van oeverbeschoeiing;

- voor infrastructuur: aanbrengen van verhardingen van meer dan 200 m2, aanbrengen van ondergrondse leidingen, wijzigen van de perceelsindeling zoals die tot uiting komt in greppels, kavelsloten, steilranden, beplanting, kavelpaden, onverharde wegen en dergelijke;

- voor teeltondersteunende voorzieningen: aanbrengen van lage teeltondersteunende voorzieningen met een meer permanent karakter c.q. containervelden, aanbrengen van hoge teeltondersteunende voorzieningen met een tijdelijk karakter voor zover geen bouwwerk zijnde en het aanbrengen van overige teeltondersteunende voorzieningen.

[appellant sub 25] heeft niet aannemelijk gemaakt dat genoemde werken en/of werkzaamheden zijn dagelijkse agrarische bedrijfsvoering betreffen. Bovendien zijn ingevolge artikel 14, lid 14.2, aanhef en onder b, werken en/of werkzaamheden, die van geringe omvang zijn, dan wel het normale onderhoud en beheer overeenkomstig de bestemming betreffen, van de vergunningplicht uitgezonderd.

2.7.6. [appellant sub 25] kan evenmin worden gevolgd in zijn betoog dat het toetsingskader van het aanlegvergunningstelsel onduidelijk is.

Ingevolge artikel 14, lid 14.3, zijn de in 2.7.5 genoemde werken en/of werkzaamheden slechts toelaatbaar, indien:

a. deze verband houden met de doeleinden die aan de desbetreffende bestemming of dubbelbestemming zijn toegekend;

b. hierdoor, dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de [..], aardkundige, [..] waarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, dan wel de mogelijkheden voor ontwikkeling of herstel van die functies en waarden niet onevenredig verkleind worden.

Artikel 14, lid 14.1, verplicht het college van burgemeester en wethouders alvorens te beslissen omtrent een vergunningaanvraag onderzoek te verrichten en de uitkomsten van dat onderzoek en de aan het besluit ten grondslag gelegde motieven bij zijn besluit kenbaar te maken. Daarmee wordt de besluitvorming voldoende inzichtelijk en kenbaar gemaakt, onder meer wat betreft de afweging van de bij de aanvraag betrokken belangen.

2.7.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 25] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel en -voorschrift niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

Vliegbasis (artikel 10)

Het beroep van de staatssecretaris van Defensie

2.8. De staatssecretaris van Defensie (hierna: de staatssecretaris) stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan delen van planvoorschrift 10 dat betrekking heeft op de gronden van de vliegbasis Volkel. Het heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de beleidsuitspraken in het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen, deel 4, pagina 9. Daardoor is naar de stelling van de staatssecretaris de motivering van het college, dat het grondgebied van de vliegbasis niet is bestemd in overeenstemming met het streekplanbeleid ten aanzien van de GHS, ondeugdelijk en in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

2.8.1. De raad heeft de gronden van de vliegbasis Volkel in het plan aangewezen voor "Vliegbasis -Vb-". Daarmee zijn deze gronden ingevolge artikel 10, lid 10.1.1, van de planvoorschriften bestemd voor de volgende doeleinden:

a militaire vliegbasis met bijbehorende voorzieningen;

b instandhouding, herstel en ontwikkeling van het bestaande multifunctionele bos, alsmede de natuurlijke en landschappelijke waarden daarvan, waarbij dit doeleind ondergeschikt is aan voornoemd doeleind onder a;

c watergangen met een waterhuishoudkundige functie in verband met de onder a en b genoemde doeleinden.

Voor zover de gronden zijn gelegen binnen een op de waardenkaart aangegeven differentiatievlak 'levensgemeenschap van bos' zijn deze gronden ingevolge artikel 10, lid 10.1.2, in het bijzonder bestemd voor de in het voorgaande lid onder b bepaalde doeleinden.

2.8.1.1. De tot "Vliegbasis -Vb-" bestemde gronden mogen ingevolge artikel 10, lid 10.2, van de planvoorschriften, onder nader in dat artikellid aangegeven beperkingen, uitsluitend worden bebouwd ten dienste van de bestemming. Voor nader in artikel 14, lid 14.6, aangegeven werken en werkzaamheden, waaronder het rooien en aanplanten van houtgewas, het aanbrengen van verhardingen van meer dan 200 m2 en van ondergrondse leidingen geldt een aanlegvergunningstelsel.

2.8.2. Voor zover de aanduiding 'levensgemeenschap van bos' op de waardenkaart samenvalt met de gebiedsbestemming "Vliegbasis" op plankaart 1 heeft het college goedkeuring onthouden aan artikel 10, behoudens de zinsneden "de gronden op plankaart 1 aangewezen voor "Vliegbasis" zijn bestemd voor de volgende doeleinden" en "instandhouding, herstel en ontwikkeling van het bestaande multifunctionele bos, alsmede de natuurlijke en landschappelijke waarden daarvan".

Daardoor is dat gedeelte van de gronden van de vliegbasis enkel bestemd voor:

"instandhouding, herstel en ontwikkeling van het bestaande multifunctionele bos, alsmede de natuurlijke en landschappelijke waarden daarvan."

Het college heeft het plandeel waarop de onthouding van goedkeuring betrekking heeft met rood omlijnd op de plankaart.

2.8.2.1. Het college heeft hiertoe besloten, omdat de waarden van dat deel van de gronden, die in het streekplan zijn aangeduid als GHS-natuur, onvoldoende worden beschermd. De instandhouding, herstel en ontwikkeling van het bestaande multifunctionele bos, alsmede de natuurlijke en landschappelijke waarden zijn, aldus het college, in de doeleindenomschrijving ondergeschikt gemaakt aan de militaire vliegbasis met bijbehorende voorzieningen. Door deze ondergeschiktheidverklaring zijn het verharden van oppervlak en het leggen van leidingen, waarvoor weliswaar een aanlegvergunningplicht geldt, zonder nadere afweging omtrent de aantasting van de GHS en zonder compensatie, mogelijk, omdat die werken en werkzaamheden verband houden met de doeleinden die aan de bestemming zijn toegekend. Deze wijze van bestemmen acht het college in strijd met het streekplan.

2.8.3. De gronden waarop de onthouding van goedkeuring betrekking heeft, zijn ingevolge lid 10.1.2 van het artikel door de aanduiding 'levensgemeenschap van bos' op de waardenkaart bij het plan in het bijzonder bestemd voor instandhouding, herstel en ontwikkeling van het bestaande multifunctionele bos, alsmede de natuurlijke en landschappelijke waarde daarvan. Die gronden zijn op plankaart 3a (Ontwikkelingen) tevens aangeduid als "groene hoofdstructuur (GHS-natuur)".

2.8.4. Op de streekplankaart zijn die gronden aangeduid als "GHS-natuur".

Het provinciale ruimtelijke beleid voor gebieden met die aanduiding is erop gericht de (potentiële) natuurwaarden en de hiermee samenhangende landschappelijke waarden planologisch te beschermen. Voor deze gronden - voor zover in het streekplan niet aangeduid als regionale natuur en landschapseenheden of natuurparels - geldt het 'nee, tenzij principe'. Hier is uitbreiding van stedelijk ruimtebeslag alleen toelaatbaar als daar zwaarwegende maatschappelijke belangen aan ten grondslag liggen, en pas nadat een onderzoek heeft aangetoond dat er geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten de GHS en de AHS-landschap, of andere oplossingen waardoor de aantasting van de natuur- en de hiermee samenhangende landschapswaarden wordt voorkomen. In het geval van een dergelijke onontkoombaarheid moet, aldus het streekplan, verzekerd zijn dat de aantasting van de natuurwaarden en van de daarmee samenhangende landschapswaarden tot een minimum wordt beperkt en wordt gecompenseerd.

Voor de verhouding tussen enerzijds de GHS en anderzijds militaire terreinen is in het streekplan specifiek beleid opgenomen. Uitgangspunt van dat beleid is dat de provincie meewerkt aan het ter beschikking stellen van ruimte voor militaire activiteiten die volgens het nationale defensiebeleid noodzakelijk zijn. Wel moet bij de locatiekeuze voor de uitoefening van militaire activiteiten zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de natuur- en landschapswaarden. Wat betreft deze waarden is het 'nee, tenzij-principe' van toepassing. De door de minister van Defensie gewenste aanleg, uitbreiding of intensivering van een militair terrein wordt echter in beginsel aangemerkt als een zwaarwegend maatschappelijk belang. Ook ten aanzien van defensie-activiteiten streeft de provincie ernaar zo zuinig mogelijk met de ruimte om te gaan. Op bestaande militaire terreinen in het buitengebied buiten de stedelijke regio's streeft de provincie ernaar dat geen verdere uitbreiding van de bebouwing plaatsvindt.

2.8.5. In de Nota Ruimte is gesteld dat het kabinet militaire activiteiten aanmerkt als een nationaal belang, dat zich niet leent voor een afweging door decentrale overheden. De ruimtebehoefte voor militaire activiteiten is vastgelegd in het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen van 2 november 2005. Dit structuurschema bevat de hoofdlijnen van het rijksbeleid voor provincies en gemeenten. In deel 4 van dat structuurschema is aangegeven dat voor kazernes, werk- en opslagplaatsen groter dan 5 hectare die deels of geheel zijn gelegen in de ecologische hoofdstructuur, binnen het hekwerk geen beperkingen gelden aan veranderingen in de bebouwing en terreinverharding. Voor vliegbases en vliegkampen geldt deze vrijstelling in beginsel alleen voor het verharde en bebouwde gedeelte.

2.8.6. Ter zitting heeft het college verklaard enkel bezwaar te hebben tegen verdere verharding van die delen van de gronden voor het doeleind 'vliegbasis' en tegen de ondergeschiktheidverklaring van de bescherming van de natuurwaarden aan dat doeleind, voor zover het voorschrift er niet toe dwingt dat een aantasting van de natuurwaarden als gevolg van verharding niet wordt gecompenseerd. Dat acht het college in strijd met het streekplanbeleid.

2.8.7. Het college stelt zich, gelet op hetgeen is overwogen in 2.8.4. en 2.8.5., terecht op het standpunt dat de beleidsuitspraken in het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen van 2 november 2005 de eis van compensatie in geval van aantasting van natuurwaarden in de GHS niet opzij zet. In zoverre het planvoorschrift niet voorziet in zodanige eis tot compensatie, heeft het college dat voorschrift voor die delen van de gronden van de vliegbasis die in het streekplan zijn aangeduid als GHS-natuur, terecht in strijd geacht met het streekplanbeleid. Het betoog van de staatssecretaris dat de onthouding van goedkeuring in strijd is met de beleidsuitspraken in het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen faalt derhalve.

2.8.8. De conclusie is dat hetgeen de staatssecretaris heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover het betreft de op plankaart 1 met rood omlijnde delen betreffende de vliegbasis Volkel in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.8.9. Het beroep van de staatssecretaris is voor het overige ongegrond.

Agrarische bedrijven (artikel 15)

Het beroep van [appellanten sub 1])

2.9. [appellanten sub 1] stellen in beroep dat de bij de planvaststelling toegekende vergroting van het bouwblok [locatie 2] niet is verwerkt op de plankaart. Vorm en omvang van het bouwblok zijn op de plankaart niet veranderd ten opzichte van het ontwerpplan.

2.9.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwblok naar aanleiding van de zienswijze aan de achterzijde van de bestaande bedrijfsbebouwing is aangepast en dat de plankaart in overeenstemming is met het raadsbesluit tot vaststelling van het plan. Het heeft dit plandeel goedgekeurd.

2.9.2. Vergelijking van het bestemmingsvlak zoals dat in het ontwerpplan was getekend met het bestemmingsvlak in het vastgestelde en goedgekeurde plan, laat zien dat de grens van het bestemmingsvlak ten opzichte van de bestaande schuur in het vastgestelde en goedgekeurde plan verder naar het noorden ligt dan in het ontwerpplan. Daarmee staat voldoende vast dat het bestemmingsvlak is vergroot ten opzichte van het ontwerpplan. Het betoog van [appellanten sub 1] dat de bij de planvaststelling toegekende vergroting van het bouwblok niet in het plan is verwerkt, mist derhalve feitelijke grondslag.

2.9.3. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 6]

2.10. [appellanten sub 6] stellen in beroep dat de omvang van het agrarische bouwblok voor de percelen [locatie 3 en 4] te klein is vastgesteld. Ten tijde van de planvaststelling was bij de gemeente een concreet initiatief voor de bouw van een nieuwe rundveestal en een sleufsilo ingediend. Daarmee is bij de planvaststelling ten onrechte geen rekening gehouden. Vergroting van het bouwblok achten zij voorts nodig voor de bouw van een garage bij de woning [locatie 3].

2.10.1. De raad heeft voor de melkrundveehouderij van [appellanten sub 6] een zogenoemd bouwblok op maat opgenomen in het plan met een uitbreidingsmogelijkheid van 15%, omdat hem geen concreet uitvoerbaar uitbreidingsplan in de vorm van een ontvankelijke bouwaanvraag bekend was. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd.

2.10.2. Aan de toekenning in het plan van een bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor een melkrundveehouderij ligt volgens de plantoelichting het beleid in het streekplan ten grondslag. Het streekplan gaat uit van zuinig ruimtegebruik. Daarom is in het plan een bouwblok op maat toegekend. Dat omvat het bestaande in gebruik zijnde/benutte bruto erf en een uitbreidingsruimte op maat (globaal uit te drukken in een percentage van ongeveer 15% van dat erf of eventueel meer in het geval van concreet uitvoerbare uitbreidingsplannen).

2.10.3. [appellanten sub 6] hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij ten tijde van de planvaststelling een concreet uitvoerbaar bouwplan voor een nieuwe rundveestal en sleufsilo bij de gemeente hadden ingediend. Een schets van een bouwplan of een situatieschets bij de aanvraag om een milieuvergunning is terecht niet als een concreet uitvoerbaar bouwplan aangemerkt. Die aanvraag om milieuvergunning en de nadien op 19 oktober 2007 ingediende aanvraag om bouwvergunning zijn overigens, naar ter zitting is gebleken, buiten behandeling gesteld wegens het niet indienen van de benodigde gegevens. Het bouwblok is derhalve in overeenstemming met de uitgangspunten toegekend.

2.10.4. Verder blijkt uit de stukken waaronder het deskundigenbericht dat binnen het bouwblok ruimte is voor de bouw van een sleufsilo en een garage bij de woning [locatie 3]. Weliswaar kan de garage dan niet overeenkomstig de wens van [appellanten sub 6] aan de westzijde van de woning worden gebouwd, maar zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat een direct toezicht op de oprit naar die garage is vereist. Verder meldt het deskundigenbericht dat, ook indien de garage aan de oostzijde van de woning wordt gebouwd, de oprit naar de woning kan worden gehandhaafd.

Voor de bouw van een nieuwe stal, achter de huidige zoals [appellanten sub 6] wensen, zal blijkens het deskundigenbericht de vorm van het bouwblok moeten worden aangepast. Daarvoor is echter een wijzigingsbevoegdheid in het plan opgenomen.

2.10.5. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 6] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 10]

2.11. [appellant sub 10] stelt dat in afwijking van de uitgangspunten aan zijn perceel [locatie 5] een te klein bouwblok is toegekend. Ook is zijn inrit vanaf de Egelweg niet in het bouwblok opgenomen.

2.11.1. De raad heeft voor de intensieve veehouderij van [appellant sub 10] een zogenoemd bouwblok op maat opgenomen met een uitbreidingsmogelijkheid van 15%, omdat hem geen concreet uitvoerbaar initiatief in de vorm van een ontvankelijke bouwaanvraag bekend was. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd.

2.11.2. Aan de toekenning in het plan van een bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor intensieve veehouderijen ligt volgens de plantoelichting het beleid in het reconstructieplan Peel en Maas en het beleid in het streekplan ten grondslag. Aan een intensieve veehouderij op gronden die (zoals het perceel [locatie 5]) in het reconstructieplan zijn aangeduid als 'verwevingsgebied' en zijn aangemerkt als 'duurzame locatie voor intensieve veehouderij', is in het plan een bouwblok op maat toegekend. Dit bouwblok omvat het bestaande in gebruik zijnde/benutte bruto erf en een uitbreidingsruimte op maat (globaal uit te drukken in een percentage van ongeveer 15 van dat erf of eventueel meer in het geval van concreet uitvoerbare uitbreidingsplannen). Tot het erf worden in ieder geval gerekend bedrijfswoning(en), tuin, alle bebouwing zoals stal/loods/opslagruimte, permanente kassen/tunnels, (toren)silo's, mestsilo's/-platen, waterbassins, aan- en afvoerwegen (particulier en op het erf), ruimte voor kleinschalig kamperen en groenvoorzieningen/erfbeplanting.

2.11.3. De Afdeling stelt vast dat de aan- en afvoerwegen naar een perceel alleen in het bouwblok zijn opgenomen voor zover die binnen het erf liggen. De inrit naar het perceel vanaf de Egelweg, voor zover die buiten het erf ligt, is derhalve in overeenstemming met de gehanteerde uitgangspunten niet binnen het bouwblok opgenomen.

2.11.4. [appellant sub 10] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van de planvaststelling een concreet uitvoerbaar bouwplan tot uitbreiding van zijn bedrijfsruimte had ingediend. De aan het plan ten grondslag gelegde uitgangspunten gaven hem derhalve in beginsel aanspraak op een bouwblok waarin was voorzien in een uitbreiding van ongeveer 15% van het bestaande, in gebruik zijnde erf.

2.11.5. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, volgt dat het in het plan opgenomen bouwblok ten opzichte van het bouwblok zoals dat in 2002 onder de gelding van het vorige plan was vastgesteld, met ongeveer 0,2 ha is verkleind tot ongeveer 0.7 ha. Het omvat uitsluitend het bestaande, in gebruik zijnde bruto erf en 0.05 ha, die in gebruik is als jeu de boule baan.

Het deskundigenbericht bevestigt het standpunt van [appellant sub 10] dat een uitbreidingsruimte van ongeveer 15% binnen het bouwblok thans niet aanwezig is.

2.11.6. Het standpunt van het college en de gemeenteraad ter zitting dat wel een uitbreidingsruimte van 15% aanwezig is, omdat de binnen het bouwblok aanwezige sportkantine en jeu de boule baan illegaal aanwezig zijn en als uitbreidingsruimte kunnen worden aangewend, wijkt af van hun standpunt in het besluit tot goedkeuring respectievelijk vaststelling van dit plandeel. Daarin wordt niet gerept van de illegale aanwezigheid van een sportkantine en een jeu de boule baan binnen het bouwblok en van het meetellen van die gebruiksruimte bij de uitbreidingsruimte voor de komende planperiode. Voorts blijkt uit een brief van 6 december 1999 dat het college van burgemeester en wethouders toestemming heeft verleend voor de bouw van de sportkantine op het agrarische bouwperceel. De stelling van het college en de gemeenteraad dat die kantine illegaal aanwezig is, dient dan ook nader te worden gemotiveerd. Ook is niet duidelijk geworden waarom het bouwblok na bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van 15 januari 2002 - ondanks de aanwezigheid van de sportkantine - met ongeveer 0,2 ha te zijn vergroot, bij dit plan met ongeveer 0,2 ha is verkleind.

2.11.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat dit plandeel is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door dit plandeel niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor het perceel [locatie 5].

De Afdeling ziet op grond van het vorenstaande aanleiding om goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

Het beroep van [appellant sub 25]

2.12. [appellant sub 25] stelt dat het bouwblok voor zijn agrarische bedrijf aan de [locatie 6] in strijd met het provinciale beleid, met name het reconstructieplan Peel en Maas, is verkleind ten opzichte van het voorheen geldende plan en nu onvoldoende uitbreidingsmogelijkheid biedt. Ook is er bij de toekenning van het bouwblok geen rekening mee gehouden dat zijn bedrijf bestaat uit een melkrundveehouderij en een intensieve veehouderij (varkens). Die omstandigheid dwingt tot een groter bouwblok. Een zuivere toepassing van het provinciale beleid betekent naar zijn stelling dat voor zowel de varkenshouderij als voor de rundveehouderij een bouwblok had moeten worden opgenomen in het plan.

2.12.1. De raad heeft een zogenoemd bouwblok op maat vastgesteld met een uitbreidingsmogelijkheid van 15%. De al wel vergunde, maar ten tijde van de planvaststelling nog niet gerealiseerde bedrijfsbebouwing is in het bouwblok opgenomen.

Het college heeft dit plandeel goedgekeurd.

2.12.2. Het betoog van [appellant sub 25] dat het bouwblok voor zijn agrarische bedrijf in strijd met het provinciale beleid, met name het reconstructieplan Peel en Maas, is verkleind ten opzichte van het voorheen geldende plan Buitengebied van 1983, mist feitelijke grondslag. Op grond van de stukken, waaronder het deskundigenbericht, staat voldoende vast dat het toegekende bouwblok zowel aan de oost- als aan de westzijde is vergroot ten opzichte van het voorheen geldende bouwblok.

2.12.3. Aan de toekenning in het plan van een bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor intensieve veehouderijen (waaronder begrepen gemengde agrarische bedrijven met een intensieve veehouderijtak) ligt volgens de plantoelichting het beleid in het reconstructieplan Peel en Maas en het beleid in het streekplan ten grondslag. Een intensieve veehouderij op gronden die (zoals het perceel [locatie 6]) in het reconstructieplan zijn aangeduid als 'verwevingsgebied' en zijn aangemerkt als 'duurzame locatie voor intensieve veehouderij', is in het plan een bouwblok op maat toegekend. Dat bouwblok omvat het bestaande in gebruik zijnde/benutte bruto erf en een uitbreidingsruimte op maat (globaal uit te drukken in een percentage van ongeveer 15% van dat erf of eventueel meer in het geval van concreet uitvoerbare uitbreidingsplannen).

2.12.4. Anders dan [appellant sub 25] stelt, geeft het beleid hem geen aanspraak op een bouwblok op maat voor zijn grondgebonden agrarische activiteiten (akkerbouw en rundveehouderij) naast een bouwblok op maat voor zijn intensieve veehouderij-activiteiten. Het beleid voorziet in één bouwblok op maat voor alle agrarische activiteiten op een perceel.

2.12.5. Het betoog van [appellant sub 25] dat het toegekende bouwblok onvoldoende uitbreidingsmogelijkheid biedt, faalt. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht volgt dat de bedrijfsbebouwing en voorzieningen binnen het bouwblok liggen en dat nog voldoende, benutbare uitbreidingsruimte aanwezig is. De gronden die betrekking hebben op het oostelijke deel van het bestemmingsvlak kunnen, aldus het deskundigenbericht, nog worden bebouwd ten behoeve van zowel de rundveehouderij als ten behoeve van de varkenshouderij. [appellant sub 25] heeft dit onvoldoende betwist.

2.12.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 25] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ook in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 26]

2.13. [appellant sub 26] heeft ter zitting zijn betoog dat het agrarische bouwblok aan de [locatie 7] ten onrechte is gekoppeld aan het agrarische bouwblok aan de [locatie 8] ingetrokken.

Hij betwist thans nog in beroep dat het voor die percelen toegekende, gekoppelde bouwblok is toegekend volgens het beleidsuitgangspunt 'bouwblok op maat'. Naar zijn stelling is geen rekening gehouden met zijn concrete uitbreidingsplannen, biedt het bouwblok geen reële uitbreidingsmogelijkheid en is het ten onrechte verkleind ten opzichte van het voorheen geldende bouwblok.

2.13.1. De raad heeft voor de intensieve veehouderij van [appellant sub 26] op de gekoppelde percelen [locatie 7] en 17 een zogenoemd bouwblok op maat opgenomen met een uitbreidingsmogelijkheid van 15%, omdat hem geen concreet uitvoerbaar initiatief in de vorm van een ontvankelijke bouwaanvraag bekend was. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd.

2.13.2. Aan de toekenning in het plan van een bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor intensieve veehouderijen ligt volgens de plantoelichting het beleid in het reconstructieplan Peel en Maas en het beleid in het streekplan ten grondslag. Een intensieve veehouderij op gronden die (zoals de percelen [locatie 7] en 17) in het reconstructieplan zijn aangeduid als 'verwevingsgebied' en zijn aangemerkt als 'duurzame locatie voor intensieve veehouderij', is in het plan een bouwblok op maat toegekend. Dat bouwblok omvat het bestaande in gebruik zijnde/benutte bruto erf en een uitbreidingsruimte op maat (globaal uit te drukken in een percentage van ongeveer 15 van dat erf of eventueel meer in het geval van concreet uitvoerbare uitbreidingsplannen).

2.13.3. Het betoog van [appellant sub 26] dat hij voor beide percelen een concreet plan heeft ingediend voor uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten, faalt. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht volgt dat hij weliswaar een voornemen kenbaar heeft gemaakt tot uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten op beide percelen, maar dat hij die voornemens niet heeft geconcretiseerd in een uitvoerbaar bouwplan.

2.13.4. Wel slaagt het betoog dat het gekoppelde bouwblok geen uitbreidingsruimte biedt. Ter zitting is gebleken dat het perceel [locatie 7] het oorspronkelijke bedrijfsperceel is en dat [appellant sub 26] het perceel [locatie 8] destijds heeft gekocht voor uitbreiding van zijn bedrijfsactiviteiten. Onweersproken is gesteld dat inmiddels op het perceel [locatie 8] in verband met nabij staande woningen geen uitbreidingsmogelijkheid voor de intensieve veehouderij van [appellant sub 26] aanwezig is. Voor het antwoord op de vraag of op het perceel [locatie 7] een uitbreidingsmogelijkheid kan worden gecreëerd moet, volgens mededeling van de gemeenteraad ter zitting, eerst worden vastgesteld of sprake is van een duurzame locatie voor een intensieve veehouderij.

2.13.5. Het college is evenwel bij zijn besluit tot goedkeuring van het plandeel betreffende dit gekoppelde bouwblok in navolging van de gemeenteraad er vanuit gegaan dat de locatie duurzaam is en dat op het perceel [locatie 8] meer dan 15% uitbreidingsruimte aanwezig is. Het college en de gemeenteraad zijn bij hun besluitvorming derhalve uitgegaan van een onjuiste feitelijke situatie.

2.13.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 26] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat dit plandeel is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door dit plandeel niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor de gekoppelde percelen [locatie 7 en 8].

De Afdeling ziet op grond van het vorenstaande aanleiding om goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

Het beroep van [appellant sub 27]

2.14. [appellant sub 27] maakt bezwaar tegen de omvang van het bouwblok voor zijn varkenshouderij aan de [locatie 9]. De omvang van dit bouwblok is in strijd met het provinciale beleid, met name met reconstructieplan Peel en Maas, verkleind ten opzichte van het voorheen geldende plan. Daardoor is er naar zijn stelling te weinig uitbreidingsmogelijkheid.

2.14.1. De raad heeft voor de intensieve veehouderij van [appellant sub 27] een zogenoemd bouwblok op maat met een uitbreidingsmogelijkheid van 15% opgenomen, omdat hem geen concreet uitvoerbaar initiatief in de vorm van een ontvankelijke bouwaanvraag bekend was. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd.

2.14.2. Aan de toekenning in het plan van een bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor intensieve veehouderijen ligt volgens de plantoelichting het beleid in het reconstructieplan Peel en Maas en het beleid in het streekplan ten grondslag. Aan een intensieve veehouderij op gronden die (zoals het perceel [locatie 9]) in het reconstructieplan zijn aangeduid als 'landbouwontwikkelingsgebied', is in het plan een bouwblok op maat toegekend. Dat bouwblok omvat het bestaande in gebruik zijnde/benutte bruto erf en een uitbreidingsruimte op maat (globaal uit te drukken in een percentage van ongeveer 15 van dat erf of eventueel meer in het geval van concreet uitvoerbare uitbreidingsplannen).

2.14.3. Het toegekende bouwblok (circa 7.603 m2) is blijkens de stukken waaronder het deskundigenbericht - en nader toegelicht ter zitting - enigszins verruimd aan de zijde van de Beukenlaan en achter de bestaande stallen, maar is aan de zuidzijde met een strook van ongeveer 10 m versmald. Er resteert echter nog ongeveer 1.288 m2 aan gronden die benut kunnen worden voor uitbreiding. Anders dan [appellant sub 27] stelt is derhalve een bouwblok op maat toegekend overeenkomstig de gehanteerde uitgangspunten.

2.14.4. [appellant sub 27] kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat toekenning van een bouwblok op maat dat aan de zuidzijde kleiner is dan het voorheen geldende bouwblok in strijd is met het provinciale beleid, met name met reconstructieplan Peel en Maas. Het bouwblok zoals dat in het voorheen geldende plan Buitengebied 1983 was opgenomen, is toegekend vóór de inwerkingtreding van het streekplan 1992 en het streekplan 2002 en daarin is een zuinig ruimtegebruik als uitgangspunt van beleid opgenomen. Ook het reconstructieplan Peel en Maas gaat bij de toekenning van bouwblokken uit van een bouwblok op maat.

2.14.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 27] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 29]

2.15. [appellant sub 29] stelt dat voor zijn melkrundveehouderij aan de [locatie 10] een te klein bouwblok is toegekend. De bestaande bedrijfsbebouwing is niet volledig in het bouwblok ingetekend en er is vanwege de aanwezigheid van de woning [locatie 11], geen benutbare uitbreidingsruimte. De gronden aan de oostzijde van zijn bouwblok, die behoren bij die woning en waarvan hij geen eigenaar meer is, zijn naar zijn stelling ook ten onrechte in zijn bouwblok opgenomen.

2.15.1. De raad heeft voor de melkrundveehouderij van [appellant sub 29] een zogenoemd bouwblok op maat vastgesteld met een uitbreidingsmogelijkheid van 15%. De al wel vergunde, maar ten tijde van de planvaststelling nog niet gerealiseerde uitbreiding van de rundveestal is in het bouwblok opgenomen. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd.

2.15.2. Aan de toekenning in het plan van een bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor een melkrundveehouderij ligt volgens de plantoelichting het beleid in het streekplan ten grondslag. Het streekplan gaat uit van zuinig ruimtegebruik. Daarom is in het plan een bouwblok op maat toegekend. Dat bouwblok omvat het bestaande in gebruik zijnde/benutte bruto erf en een uitbreidingsruimte op maat (globaal uit te drukken in een percentage van ongeveer 15 van dat erf of eventueel meer in het geval van concreet uitvoerbare uitbreidingsplannen).

2.15.3. Anders dan [appellant sub 29] heeft betoogd, is ter zitting vast komen te staan dat de bestaande en de vergunde bedrijfsbebouwing binnen het bouwblok valt.

2.15.4. Ook faalt het betoog van [appellant sub 29] dat de gronden aan de oostzijde van het bouwblok, waarop de woning [locatie 11] staat, ten onrechte in zijn bouwblok zijn opgenomen, omdat hij die woning met bijbehorende gronden als burgerwoning heeft verkocht. Ter zitting is gebleken dat die verkoop tot stand is gekomen na het besluit omtrent goedkeuring van het plan. Het college heeft daarmee geen rekening kunnen houden.

2.15.5. Voorts is voldoende vast komen te staan dat de woning [locatie 11] ten tijde van het besluit tot vaststelling van het plan en het besluit omtrent goedkeuring daarvan planologisch de tweede bedrijfswoning bij het agrarisch bedrijf van [appellant sub 29] was. Die woning vormde op dat moment dan ook geen belemmering voor de uitbreidingsmogelijkheden binnen het agrarische bouwblok.

2.15.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 29] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 29] is ongegrond.

Het beroep van Awic B.V.

2.16. Awic B.V. stelt dat het college - gelet op de gehanteerde overwegingen en de daarop gebaseerde conclusie - niet slechts goedkeuring had moeten onthouden aan het bouwblok voor haar perceel Hemelrijkstraat 11 zoals dat bij het besluit tot vaststelling in het plan is opgenomen, maar aan een groter deel van de plankaart zodanig dat het bouwblok zoals dat gold onder het voorheen geldende plan kan worden hersteld. Alleen dan is er voldoende ruimte voor realisering van de reeds vergunde vergroting van twee pluimveestallen en de bouw van een loods achter die pluimveestallen alsmede voor de bouw van een bedrijfswoning.

2.16.1. Het college heeft goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor het perceel Hemelrijkstraat 11, omdat de erfbeplanting, in ieder geval aan de westzijde van het bedrijf, niet in het bouwblok is opgenomen. Het college acht dit in strijd met het gehanteerde uitgangspunt dat alle tot een bedrijf behorende onderdelen in het toegekende agrarische bouwblok dienen te zijn vervat. Het deel van de bedenking waarin is betoogd dat het bouwblok geen ruimte biedt voor het oprichten van een bedrijfswoning heeft het college onbesproken gelaten, omdat de raad dit bij de planherziening naar aanleiding van de onthouding van goedkeuring dient te betrekken.

2.16.2. Het betoog van Awic B.V. dat het college aan een groter deel van de plankaart goedkeuring had moeten onthouden, faalt. Het college heeft, onder gegrondverklaring van de bedenkingen van Awic B.V., op plankaart 2 goedkeuring onthouden aan het plandeel met de detailbestemming "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor het perceel Hemelrijkstraat 11. Daardoor is op plankaart 2, waarop de detailbestemmingen zijn aangewezen, geen bouwblok van kracht geworden voor het perceel Hemelrijkstraat 11 en geldt voor die gronden alleen de op plankaart 1 aangewezen gebiedsbestemming. Tot een onthouding van goedkeuring aan een groter deel van de plankaart had het college, nu de bedenkingen van Awic B.V. waren gericht tegen de (omvang van de) detailbestemming "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor haar perceel op plankaart 2, niet behoeven te besluiten.

2.16.3. Voor zover Awics stelt dat het college aan zijn onthouding van goedkeuring ook de motivering ten grondslag had moeten leggen dat het nieuwe bouwblok ruimte moet bieden aan de reeds vergunde vergroting van twee pluimveestallen en de bouw van een loods achter die pluimveestallen alsmede voor de bouw van een bedrijfswoning, overweegt de Afdeling het volgende.

Door de onthouding van goedkeuring aan het plandeel waartegen de inhoudelijke beroepsgronden van Awics zijn gericht, is in zoverre aan haar beroepsgronden tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de raad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, oordeelde de Afdeling in bestemmingsplanzaken op grond van de WRO dat niet slechts de onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in de beroepsprocedure ter beoordeling kon staan. Daarbij was het procesbelang gelegen in de verplichting het besluit van het college in acht te nemen bij het artikel 30-plan.

Op 1 juli 2008 is de WRO ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden.

Vaststaat dat het gemeentebestuur voor 1 juli 2008 geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegd waarin het besluit tot onthouding van goedkeuring in acht is genomen, zodat voor het planonderdeel waaraan goedkeuring is onthouden, een bestemmingsplan op grond van de Wro zal moeten worden vastgesteld.

De Wro noch het daarbij behorende overgangsrecht voorziet in een bepaling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1 van de Wro een besluit tot onthouding van goedkeuring aan een onder de WRO totstandgekomen plan in acht neemt. Artikel 30 van de WRO heeft derhalve geen betekenis voor een op grond van de Wro vast te stellen bestemmingsplan.

Gezien het voorgaande is het belang bij de beoordeling van het beroep voor zover dat gericht is tegen de aan het besluit tot onthouding van goedkeuring ten grondslag liggende motivering, ingaande 1 juli 2008, komen te vervallen. Dit impliceert dat de bezwaren van Awics B.V. aan de orde kunnen komen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan onder de Wro.

2.16.4. De conclusie is dat hetgeen Awics. B.V. heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 35]

2.17. [appellant sub 35] stelt in beroep dat ten onrechte geen agrarisch bouwblok is toegekend aan zijn perceel [locatie 12]. Hij heeft op dat perceel een reëel akkerbouw- en rundveehouderijbedrijf. Hij betwist dat sprake is van met het streekplan strijdige nieuwvestiging. Naar zijn stelling is voor toekenning van een agrarisch bouwblok voldoende dat een reëel agrarisch bedrijf aanwezig is. Voorts doet hij een beroep op het gelijkheidsbeginsel, nu aan het perceel [locatie 13] wel een agrarisch bouwblok is toegekend.

[appellant sub 35] stelt in beroep verder dat met de aanduiding 'G' (gebouwen toegestaan) de op zijn perceel staande agrarische bedrijfsgebouwen niet als zodanig zijn bestemd.

2.17.1. De raad heeft het perceel [locatie 12] op plankaart 1 bestemd als "Agrarisch gebied" met de aanduiding 'G' (gebouwen toegestaan) op plankaart 2.

Daarmee zijn de gronden - voor zover van belang - bestemd voor de agrarische bedrijfsuitoefening in de vorm van agrarische bodemexploitatie en mogen deze gronden, behoudens vrijstelling, - voor zover van belang - uitsluitend worden bebouwd met kleine schuilgelegenheden voor vee, dierenverblijven of veldschuren, waarbij de bestaande oppervlakte, goothoogte en hoogte als maximum gelden.

Het in het vorige bestemmingsplan opgenomen bouwblok voor het perceel [locatie 12] dat was gekoppeld aan het bouwblok op het perceel [locatie 13] ten teken dat het met dat bouwblok één geheel vormde, is bij het vaststellingsbesluit niet in het plan opgenomen.

2.17.2. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd. Toekenning van een bouwblok voor dit perceel merkt het college aan als een met het streekplan in strijd zijnde nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf, omdat eind 2004 een deel van het bedrijf is verkocht. Voorts, en naar zijn mening ten overvloede, acht het college ook geen reëel agrarisch bedrijf aanwezig. Met de aanduiding 'G' wordt naar de stelling van het college de legaal opgerichte bebouwing voldoende gerespecteerd.

2.17.3. Het streekplan verstaat blijkens de op blz.157 vermelde begripsbepaling onder "nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf": de projectie van een agrarisch bouwblok op een locatie die volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een agrarisch bouwblok.

Onder bouwblok verstaat het streekplan de in een bestemmingsplan vastgelegde ruimtelijke eenheid waarbinnen de bebouwing ten behoeve van een bestemming dient te worden geconcentreerd.

Het bouwblok voor het perceel [locatie 13] was, naar ter zitting is bevestigd, in het voorheen geldende plan, gelet op de grootte en de omvang aan bedrijfsbebouwing, het hoofdbouwperceel dat als zodanig een zelfstandig bouwblok vormde. Het bouwperceel [locatie 12] was daaraan gekoppeld, omdat dit op zichzelf te klein van omvang was.

Nu het bouwblok op het perceel [locatie 12] in het voorheen geldende plan was gekoppeld aan het bouwblok op het perceel [locatie 13] ten teken dat het met dat bouwblok één geheel vormde, was op het perceel [locatie 12] geen zelfstandig bouwblok in de zin van het streekplan geprojecteerd. Het college stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat met de verkoop van het perceel [locatie 13] het deel van het bouwblok dat was geprojecteerd op het perceel [locatie 12] geen betekenis meer heeft.

Het college heeft daaruit terecht geconcludeerd dat toekenning van een zelfstandig bouwblok voor het perceel [locatie 12] in dit plan dient te worden aangemerkt als een, met het streekplanbeleid in strijd zijnde, nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf. In de bedenking van [appellant sub 35] behoefde het college geen aanleiding te vinden van dat beleid af te wijken. Het betoog van [appellant sub 35] faalt.

2.17.4. Voor zover [appellant sub 35] met een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft betoogd dat aan het perceel [locatie 13] in dit plan dan ten onrechte wel een zelfstandig bouwblok is toegekend, faalt ook dit betoog. Het bouwblok voor het perceel [locatie 13] was - in tegenstelling tot het perceel [locatie 12] - in het voorheen geldende plan, gelet op de grootte en de omvang aan bedrijfsbebouwing, een hoofdbouwperceel dat als zodanig een zelfstandig bouwblok vormde.

2.17.5. Voorts stelt het college zich terecht op het standpunt dat met de aanduiding 'G' (gebouwen toegestaan) de legaal opgerichte agrarische bedrijfsgebouwen voldoende zijn bestemd. Daarbij is in aanmerking genomen dat de gronden waarop deze gebouwen staan in het plan zijn aangewezen als "Agrarisch gebied" en daarmee zijn bestemd voor agrarische bodemexploitatie en dat de aanduiding 'G' (gebouwen toegestaan) in samenhang met die gebiedsbestemming moet worden gelezen. Ook dit betoog van [appellant sub 35] faalt derhalve.

2.17.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 35] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel en deze aanduiding niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 36]

2.18. [appellant sub 36] stelt dat een te klein bouwblok is vastgesteld voor zijn perceel Hoge Randweg 14. Alleen de bestaande situatie is in het bouwblok opgenomen en niet een mogelijkheid voor de bouw van een nieuwe stal buiten de grens van 50 m van de woningen van derden.

2.18.1. De raad heeft voor de melkrundveehouderij van [appellant sub 36] een zogenoemd bouwblok op maat opgenomen met een uitbreidingsmogelijkheid van 15%, omdat hem geen concreet uitvoerbaar initiatief in de vorm van een ontvankelijke bouwaanvraag bekend was. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd.

2.18.2. Aan de toekenning in het plan van een bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor een melkrundveehouderij ligt volgens de plantoelichting het beleid in het streekplan ten grondslag. Het streekplan gaat uit van zuinig ruimtegebruik. Daarom is in het plan een bouwblok op maat toegekend. Dat bouwblok omvat het bestaande in gebruik zijnde/benutte bruto erf en een uitbreidingsruimte op maat (globaal uit te drukken in een percentage van ongeveer 15 van dat erf of eventueel meer in het geval van concreet uitvoerbare uitbreidingsplannen).

2.18.3. [appellant sub 36] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van de planvaststelling een concreet uitvoerbaar bouwplan voor een nieuwe rundveestal bij de gemeente had ingediend.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht volgt, dat het in gebruik zijnde bruto erfoppervlak ongeveer 0.7 ha bedraagt en dat in het plan een bouwblok is opgenomen van ongeveer 0.8 ha. Het bouwblok is derhalve in overeenstemming met de uitgangspunten ongeveer 15% groter dan het in gebruik zijnde bruto erfoppervlak.

Voorts volgt uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, dat binnen het bouwblok ruimte is voor de bouw van een stal op een afstand van 50 m van geurgevoelige objecten. Deze gronden zijn mogelijk in de bestaande situatie vanwege de aanwezigheid van kuilplaten aan de westzijde van het perceel slecht bereikbaar over de gronden van het bouwblok, maar aannemelijk is gemaakt dat dit bij een andere indeling van het bouwperceel wel mogelijk wordt. Bovendien bevat het plan een wijzigingsbevoegdheid indien voor benutting van de uitbreidingsruimte vormverandering van het bouwblok noodzakelijk is. Het betoog van [appellant sub 36] faalt derhalve.

2.18.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 36] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 36] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 39]

2.19. [appellant sub 39] herhaalt in beroep hetgeen zij in haar bedenkingen bij het college heeft aangevoerd. Daarin stelt zij dat een te klein bouwblok is toegekend voor haar champignonkwekerij aan de [locatie 14]. Dat bouwblok biedt te weinig uitbreidingsmogelijkheid voor een meer doelmatige bedrijfsvoering en biedt ook geen mogelijkheid voor de bouw van een nieuwe bedrijfswoning ter vervanging van de inpandige bedrijfswoning. [appellant sub 39] betwist dat van een concreet initiatief geen sprake is. Reeds in 2002 is een verzoek gedaan voor vervanging van de bedrijfswoning.

2.19.1. Het college heeft, onder gegrondverklaring van de bedenkingen van [appellant sub 39], goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijven"(bouwblok) voor het perceel [locatie 14]. Het college heeft daarbij overwogen dat het concrete initiatief tot vervanging van de aanwezige, inpandige bedrijfswoning ten onrechte niet is betrokken bij de vaststelling van het bouwblok. Het deel van de bedenking waarin is betoogd dat het bouwblok onvoldoende uitbreidingsruimte biedt voor een meer doelmatige bedrijfsvoering heeft het college onbesproken gelaten.

2.19.2. De Afdeling begrijpt de beroepsgrond van [appellant sub 39] aldus dat zij met haar beroep beoogt te bereiken dat het college aan zijn onthouding van goedkeuring ook de motivering ten grondslag had moeten leggen dat het bouwblok ruimte moet bieden voor een meer doelmatige bedrijfsvoering.

2.19.3. Door de onthouding van goedkeuring aan het planonderdeel waartegen de inhoudelijke beroepsgronden van [appellant sub 39] zijn gericht, is in zoverre aan haar beroepsgronden tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de raad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, oordeelde de Afdeling in bestemmingsplanzaken op grond van de WRO dat niet slechts de onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in de beroepsprocedure ter beoordeling kon staan. Daarbij was het procesbelang gelegen in de verplichting het besluit van het college in acht te nemen bij het artikel 30-plan.

Op 1 juli 2008 is de WRO ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden.

Vaststaat dat het gemeentebestuur voor 1 juli 2008 geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegd waarin het besluit tot onthouding van goedkeuring in acht is genomen, zodat voor het planonderdeel waaraan goedkeuring is onthouden, een bestemmingsplan op grond van de Wro zal moeten worden vastgesteld.

De Wro noch het daarbij behorende overgangsrecht voorziet in een bepaling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1 van de Wro een besluit tot onthouding van goedkeuring aan een onder de WRO totstandgekomen plan in acht neemt. Artikel 30 van de WRO heeft derhalve geen betekenis voor een op grond van de Wro vast te stellen bestemmingsplan.

Gezien het voorgaande is het belang bij de beoordeling van het beroep voor zover dat gericht is tegen de aan het besluit tot onthouding van goedkeuring ten grondslag liggende motivering, ingaande 1 juli 2008, komen te vervallen. Dit impliceert dat de bezwaren van [appellant sub 39] aan de orde kunnen komen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan onder de Wro.

2.19.4. Het beroep van [appellant sub 39] is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 14]

2.20. [appellant sub 14] stelt in beroep dat zijn perceel [locatie 15] niet juist is bestemd, nu op de plankaart een onleesbare aanduiding staat, waarvan hij vermoedt dat die aanduiding staat voor de - door hem gewenste - aanduiding 'glastuinbouw'.

2.20.1. Voor de gronden van de aardbeienkwekerij van [appellant sub 14] aan de [locatie 15] staat op de plankaart een bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) met een aanduidingsrondje met daarin een zwarte stip. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd.

2.20.2. Niet in geschil is dat op de kaart bij het ontwerpplan voor de aardbeienkwekerij van [appellant sub 14] aan de [locatie 15] een bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) met de aanduiding 'g' (glastuinbouwbedrijf) was opgenomen.

Voorts staat vast dat de gemeenteraad bij zijn besluit tot vaststelling van het plan niet heeft besloten tot gewijzigde vaststelling van het plan.

Onweersproken is gesteld dat bij het drukproces van de vastgestelde plankaart de inkt van de aanduiding 'g' op de plankaart is dichtgelopen. Daardoor is de aanduiding slecht leesbaar geworden.

Het college is er bij zijn besluit omtrent goedkeuring echter van uitgegaan dat de aanduiding 'g' (glastuinbouwbedrijf) aan het plandeel was toegekend.

2.20.3. De conclusie is dat het aanduidingsrondje met daarin een zwarte stip binnen het bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor het perceel [locatie 15] de aanduiding 'g' (glastuinbouwbedrijven) betreft. Het plandeel is derhalve bestemd in overeenstemming met de wens van [appellant sub 14].

Het beroep van [appellant sub 14] mist in zoverre feitelijke grondslag en is mitsdien in zoverre ongegrond.

De Afdeling ziet aanleiding hierna de raad van de gemeente Uden te veroordelen in de proceskosten van [appellant sub 14] en tot vergoeding aan [appellant sub 14] van het door hem betaalde griffierecht.

Het beroep van [appellanten sub 21]

2.21. [appellanten sub 21] voeren in beroep aan dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met bestemming "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor de gronden [locatie 16/17] te [plaats] zonder dat hun woning [locatie 17] in het plan is aangemerkt als bedrijfswoning.

2.21.1. De raad heeft voor het agrarische bedrijfsperceel één bedrijfswoning toereikend geacht. Tegen de aanwezigheid op het perceel van een tweede bedrijfswoning kan naar de stelling van de raad nog handhavend worden opgetreden, zodat die tweede bedrijfswoning niet als zodanig in het plan is opgenomen.

2.21.2. Het college heeft het plandeel goedgekeurd. Het stelt zich op het standpunt dat de noodzaak voor een tweede bedrijfswoning niet is aangetoond. De destijds toegestane, tijdelijke bewoning van een bedrijfsruimte om de overname van het bedrijf mogelijk te maken, omdat de ouders bleven wonen in de bedrijfswoning, vormt voor het college geen bijzondere omstandigheid, nu het gemeentebestuur heeft aangegeven handhavend te zullen optreden om de bewoningssituatie te beëindigen.

2.21.3. Op plankaart 2 is voor de gronden [locatie 16/17] één bestemmingsvlak "Agrarische bedrijven" (bouwblok) opgenomen zonder nadere aanduiding (van het aantal toegestane woningen).

Daarmee zijn de gronden ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planvoorschriften - voor zover thans van belang - bestemd voor agrarische bedrijfsdoeleinden en voor woondoeleinden in de vorm van bedrijfswoningen. Nu geen aanduiding op de plankaart is opgenomen, mag ingevolge artikel 15, lid 15.2, van de planvoorschriften het aantal bedrijfswoningen niet meer bedragen dan 1.

2.21.4. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" van 1983 waren de gronden bestemd als "Agrarisch gebied, klasse B (AB)" met een bebouwingsvlak.

Daarmee waren de gronden ingevolge artikel 4 van de voorschriften bij dat plan (eveneens) bestemd voor de agrarische bedrijfsvoering en mocht niet meer dan één agrarische bedrijfswoning worden gebouwd voor zover niet reeds een woning aanwezig was.

2.21.5. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, volgt dat in 1952 de woning [locatie 16] als bedrijfswoning is gebouwd ter vervanging van een - op de plek van de in geding zijnde woning [locatie 17] staande - bedrijfswoning annex veestal. Die was in verval geraakt.

2.21.6. Bij besluit van 30 september 1980 is [appellant sub 21 B] bouwvergunning verleend voor het geheel vernieuwen van een schuur ter plaatse van de in geding zijnde woning [locatie 17]. Uit het bij die vergunning behorende bouwplan volgt dat naast het vernieuwen van een bedrijfsruimte voor het houden van mestkalveren de bouwvergunning ook is verleend voor het realiseren van een woonruimte in deze schuur. Weliswaar valt, zoals de gemeenteraad en het college stellen, uit de titel van de bouwtekening af te leiden dat het bouwplan een tijdelijke woonruimte zou betreffen, maar het besluit tot verlening van die bouwvergunning vermeldt niet dat de vergunning is verleend met toepassing van het toenmalige artikel 17 van de WRO tot vrijstelling voor een bepaalde termijn van het bestemmingsplan en was evenmin - in overeenstemming met het toenmalige artikel 49 van de Woningwet 1962 - een termijn gesteld, na het verstrijken waarvan het gebouwde niet langer in stand mocht worden gehouden. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de bouwvergunning is verleend met toepassing van het toenmalige artikel 47 van de Woningwet 1962.

Voorts bevestigt het deskundigenbericht dat het bouwplan voorzag in een volwaardige, permanente woonruimte.

2.21.7. Nu de woning [locatie 17] is gebouwd met gebruikmaking van een bouwvergunning waaraan geen beperking was gesteld wat betreft de instandhoudingstermijn, stelt het college zich, in navolging van de raad, ten onrechte op het standpunt dat tegen de bewoning van die woning handhavend kan worden opgetreden. Nu bovendien [appellanten sub 21] niet te kennen hebben gegeven het voornemen te hebben de bewoning vrijwillig binnen de planperiode te beëindigen, is de woning [locatie 17] ten onrechte niet in het plan opgenomen.

2.21.8. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 21] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel voor de gronden [locatie 16/17] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of met het recht.

Hieruit volgt dat het college, door het plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover het dit plandeel betreft dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

Paardenhouderijen (artikel 16)

Het beroep van [appellant sub 22]

2.22. [appellant sub 22] wil voor zijn paardenstal aan de [locatie 18] de bestemming "Paardenhouderijen" in plaats van de toegekende aanduiding 'G' als onderdeel van de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of aardkundige waarden - Alca". Die aanduiding is naar zijn stelling geen in de planvoorschriften verankerde detailbestemming, maar enkel een in het renvooi van de plankaart verklaarde aanduiding. Daardoor is zijn paardenstal niet als zodanig bestemd. Hij bestrijdt dat een bestemming "Paardenhouderij" alleen is toegekend aan volwaardige bedrijven. Hij stelt dat hij een nevenberoepbedrijf heeft.

2.22.1. Het college stelt zich op het standpunt dat toekenning van de bestemming "Paardenhouderijen" geen recht doet aan de feitelijke situatie ter plaatse. Op het perceel worden paarden gehouden, maar van een volwaardige paardenhouderij is geen sprake. Paardenhouderijen zijn in het plan als zodanig bestemd voor zover het een volwaardig bedrijf betreft. Aan die bedrijven is een bouwblok op maat toegekend waarbinnen een rijhal van maximaal 1.000 m2 kan worden gerealiseerd.

2.22.2. Het plan verstaat blijkens de in artikel 1 opgenomen begripsbepaling onder paardenhouderij: een bedrijf in hoofdzaak gericht op het houden, fokken, africhten, trainen, stallen, verzorgen, sportbeoefening, rijlessen, verhuur of anderszins verschaffen van diensten en faciliteiten met/voor paarden, met een beperkte publieksaantrekkende werking en waarbij een rijhal van maximaal 100 m2 aanwezig mag zijn.

2.22.3. De gronden van de paardenstal waren in het voorheen geldende plan bestemd als "Agrarisch gebied, klasse B (AB) zonder bouwblok. Tot ongeveer 15 jaar geleden gebruikte [appellant sub 22] de stal als huisvesting voor 5 paarden die hijzelf bereed en ook gebruikte voor fokdoeleinden en paardrijlessen. Vanwege zijn gevorderde leeftijd (80 jaar) heeft hij die activiteiten gestaakt. Momenteel verhuurt [appellant sub 22] de stal aan 5 personen voor de huisvesting van 10 paarden. De huurders hebben de omliggende weiden en de paardenbak die aan de schuur grenst ook in gebruik.

2.22.4. Het enkel verhuren van de stal voor de huisvesting van paarden heeft het college, gelet op de onder 2.23.2. vermelde begripsbepaling, terecht niet aangemerkt als het bedrijfsmatig uitoefenen van een paardenhouderij. Toekenning van de bestemming "Paardenhouderijen" was dan ook niet aangewezen.

2.22.5. Het betoog van [appellant sub 22] dat de aanduiding 'G' geen in de planvoorschriften verankerde detailbestemming is, mist feitelijke grondslag.

De gronden zijn op plankaart 1 aangewezen als "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of aardkundige waarden - Alca" en op plankaart 2 aangeduid met 'G'.

Ingevolge artikel 17, lid 7.1.1, van de planvoorschriften zijn die gronden daarmee bestemd voor agrarische bedrijfsuitoefening, in de vorm van agrarische bodemexploitatie en deze gronden mogen ingevolge artikel 17, lid 7.2, aanhef en onder b, van de planvoorschriften worden bebouwd met kleine schuilgelegenheden voor vee, dierenverblijven of veldschuren, uitsluitend voor zover het betreft als zodanig bestaande legale bebouwing die op plankaart 2 nader is aangeduid als 'G', gebouwen toegestaan. Daarbij gelden de bestaande oppervlakte, goothoogte en hoogte als maximum.

Anders dan [appellant sub 22] stelt, is de - blijkens de stukken legaal aanwezige - paardenstal, daarmee als zodanig bestemd en niet onder het overgangsrecht gebracht.

2.22.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 22] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Niet-agrarische bedrijven/functies (artikel 17)

Het beroep van [appellant sub 2]

2.23. [appellant sub 2] wil een hondenkennel annex fokkerij op een perceel aan de Nieuwedijk oprichten. Zij stelt in beroep dat het college ten onrechte enkel uitgaat van het geldende streekplan en ten onrechte voorbij gaat aan gedane toezeggingen en fouten van het gemeentebestuur van Uden. Haar bouwplannen waren in 1998 en ten tijde van de aanvraag in 2002 in overeenstemming met het toenmalige streekplan. Die aanvraag is echter blijven liggen. Eerst in december 2003 is ontdekt dat een vrijstelling van het bestemmingsplan nodig was.

Het college heeft, naar haar stelling, ten onrechte geen reden gezien voor afwijking van het streekplan. Een voormalige agrarische bedrijfslocatie (VAB) die [appellant sub 2] kan benutten, is niet aanwezig.

Het naburige bouwblok voor de varkenshouderij van [belanghebbende A] is naar haar stelling zonder grondige afweging tot stand gekomen. Uitbreiding was niet nodig en had overigens beter aan de andere zijde kunnen plaatsvinden.

2.23.1. De raad heeft bij zijn besluit tot vaststelling van het plan geen bouwblok opgenomen voor het oprichten van een hondenkennel annex fokkerij op het perceel van [appellant sub 2] aan de Nieuwedijk. Het opnemen van een bouwblok acht de raad in strijd met het reconstructieplan Peel en Maas en met het streekplan 2002.

Het bouwblok van het naastgelegen agrarische bedrijf heeft de raad naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 2] niet gewijzigd vastgesteld.

2.23.2. Het college heeft beide plandelen goedgekeurd. Daarbij heeft het college het streekplan 2002, zoals partieel herzien in 2004, als maatstaf gehanteerd, omdat de in 1998 en 2003 in procedure gebrachte plannen tot wijziging van het bestemmingsplan dan wel tot afgifte van een bouwvergunning de vestiging van een hondenkennel- annex fokkerij op dit perceel niet mogelijk hebben gemaakt. Nieuwvestiging van een hondenkennel- annex fokkerij acht het college zowel in strijd met streekplan als met het reconstructieplan Peel en Maas. Voor afwijking van het streekplan ziet het college geen aanleiding. Het betreft geen bestaand bedrijf, geen verplaatsing, of iets dergelijks.

De omvang van het agrarische bouwblok op het naastgelegen perceel acht het college niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht.

2.23.3. Het perceel is blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, in gebruik als bouwland. In het voorheen geldende plan was het bestemd als "Agrarisch gebied, klasse B (AB)" zonder bouwblok.

Tussen partijen is niet in geschil dat toekenning van een bouwblok op deze gronden nieuwvestiging zou betreffen die in strijd is met het streekplan.

Het betoog van [appellant sub 2] dat het college in de voorgeschiedenis, de gedane toezeggingen en fouten van het gemeentebestuur van Uden, aanleiding had moeten zien om de afwijkingsprocedure van het streekplan te volgen, faalt.

In haar uitspraak van 9 augustus 2008, inzake nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200509061/1&verdict_id=14646&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200509061/1&utm_term=200509061/1">200509061/1</a>, betreffende de weigering tot vrijstelling van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" voor het oprichten van een woonhuis met kennel op het perceel, heeft de Afdeling geoordeeld dat onverkorte toepassing van de beleidslijn uit het streekplan in het geval van [appellant sub 2] geen gevolgen zou hebben, die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met die beleidslijn te dienen doelen. In genoemde uitspraak heeft de Afdeling ook het gedane beroep van [appellant sub 2] op het vertrouwensbeginsel verworpen.

De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, waaronder ook het niet voorhanden zijn van een voormalige agrarische bedrijfslocatie die [appellant sub 2] zou kunnen benutten, geen aanleiding thans anders te oordelen.

2.23.4. Ook faalt het betoog van [appellant sub 2] dat de uitbreiding van het agrarische bouwblok op het naburige perceel, [locatie 19], waar [belanghebbende A] een varkenshouderij heeft, ten onrechte is goedgekeurd. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van het college dat het een zogenoemd bouwblok op maat betreft als bedoeld in het streekplan en dat is vastgesteld in overeenstemming met de uitgangspunten die bij de toekenning van de agrarische bouwblokken zijn gehanteerd, onjuist is. Voorts blijkt uit de stukken waaronder het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen dat de plaats van de uitbreiding van het bouwblok een logisch gevolg is van de situering van de overige bebouwing op het bouwperceel van [belanghebbende A].

2.23.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door [appellant sub 2] bestreden plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 4]

2.24. [appellante sub 4] stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het bebouwingsvlak voor haar, aan de [locatie 20] gevestigde, groothandelsbedrijf (woninginrichting, textiel en vloerbedekking). Dat bebouwingsvlak bevat, in strijd met de aan het plan ten grondslag liggende uitgangspunten, geen uitbreidingsmogelijkheid van 15%. [appellante sub 4] heeft, anders dan het college stelt, wel uitbreidingsplannen. De concentratie van bebouwing rondom de bedrijfslocatie rechtvaardigt overigens naar haar stelling de aanduiding bebouwingsconcentratie zoals genoemd in het gemeentelijke en provinciale beleid, zodat een uitbreidingsmogelijkheid van 15% ook om die reden was aangewezen. Het uitsluiten in het plan van uitbreiding van het bedrijfsvloeroppervlak door middel van het aanbrengen van een verdiepingsvloer heeft het college naar de stelling van [appellante sub 4] ten onrechte niet in strijd geacht met het streekplan, nu het niet gaat om uitbreiding van het bebouwingsoppervlak in verband met het tegengaan van verstening. De in artikel 1 van de planvoorschriften opgenomen begripsbepaling van bedrijfsvloeroppervlak, die deze beperking bevat, is naar haar stelling dan ook ten onrechte goedgekeurd.

2.24.1. De raad heeft voor het perceel een bestemmingsvlak "Niet agrarische bedrijven/functies" opgenomen zonder uitbreidingsmogelijkheid. De raad is hiertoe overgegaan, omdat het perceel in de voorheen geldende bestemmingsplannen niet als zodanig was bestemd. Bij de toekenning van de maximale bedrijfsvloeroppervlakte is de raad uitgegaan van legaal aanwezige bebouwing, de bestaande woning niet inbegrepen.

2.24.2. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd. Het niet opnemen van een uitbreidingsmogelijkheid van 15% acht het college niet in strijd met het streekplan. De raad mag zijn eigen afweging maken. In dat verband acht het college van belang dat het bedrijf in het voorheen geldende plan niet als zodanig was bestemd. Een concreet uitbreidingsplan heeft [appellante sub 4] overigens niet kenbaar gemaakt aan het college. Het bedrijf is dan ook, aldus het college, op een juiste wijze bestemd in het plan.

Dat de omgeving van het bedrijf niet is aangemerkt als bebouwingscluster, acht het college niet in strijd met het streekplan. De raad heeft de vrijheid de grenzen van bebouwingsconcentraties te bepalen. De in het plan opgenomen, nader begrensde bebouwingsconcentraties acht het college niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht.

Het uitsluiten in het plan van uitbreiding door middel van het aanbrengen van een verdiepingsvloer, acht het college in overeenstemming met het streekplan. Hoofdlijn van beleid daarin is dat niet-agrarische bedrijven uit het buitengebied worden geweerd. In dat verband stelt het streekplan niet alleen beperkingen aan de uitbreiding van het bebouwingsoppervlak, maar ook aan de uitbreiding van voorzieningen en functies.

2.24.3. De raad heeft bij de planvaststelling als uitgangspunt gehanteerd dat niet functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid in beginsel moet worden geweerd uit het buitengebied. Bedrijven/functies waarvan de mogelijkheden en rechten al in het geldende bestemmingsplan zijn vervat in de vorm van een specifieke bestemming, zijn in dit plan gerespecteerd en in aangepaste vorm overgenomen. In de afgelopen decennia illegaal/oneigenlijk ontstane of gevestigde bedrijven/functies waartegen praktisch gezien niet meer handhavend kan worden opgetreden, zijn geïnventariseerd. Beoordeeld is of en zo ja tot welke omvang, daaraan (alsnog) een passende bestemming moest/kon worden gegeven. Daarbij is in relatie tot het geldende bestemmingsplan een viertal situaties onderkend, waaronder de situatie dat voorheen een agrarisch bedrijf (al dan niet met een niet-agrarische neventak) aanwezig was en voormalige bedrijfsruimten, veelal geleidelijk aan, in gebruik zijn genomen voor een niet-agrarisch bedrijf of functie.

Deze situaties zijn zo mogelijk positief bestemd als "Niet-agrarische bedrijven/functies". Daarbij is als uitgangspunt genomen dat geen uitbreiding wordt toegestaan. Enkel onder kwalitatieve voorwaarden of bij ligging in een nader aangewezen bebouwingsconcentratie zijn er beperkte uitbreidingsmogelijkheden toegekend via de flexibiliteitsbepalingen die het plan kent.

2.24.4. Het perceel is op plankaart 2, gelezen in samenhang met artikel 17 van de planvoorschriften en de daarin opgenomen 'staat van niet-agrarische bedrijven of functies' bestemd als 'groothandel in woning-textiel en vloerbedekking. Daarbij is het maximale oppervlak aan bedrijfsbebouwing bepaald op 1.020 m2 en is geen uitbreiding van het bedrijfsvloeroppervlak toegekend.

Onder bedrijfsvloeroppervlak verstaat het plan blijkens de in artikel 1 van de planvoorschriften opgenomen begripsbepaling: de totale vloeroppervlakte van de bedrijfsruimten, op de begane grond, op verdiepingen, ondergronds en onder overkappingen, die wordt gebruikt voor de bedrijfsuitoefening [..].

2.24.5. [appellante sub 4] is sinds 1983 gevestigd op het perceel. Voordien was daar een kippenhouderij aanwezig. In het voorheen geldende plan "Buitengebied" van 30 juni 1983 was aan de gronden deels de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (ALW)" toegekend en deels de bestemming "Woondoeleinden (W)".

Bij besluit van 7 januari 1986 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uden [appellante sub 4] een bouwvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfsruimte van 250 m2 op het perceel, onder de voorwaarde dat alle aanwezige bedrijfsbebouwing moest worden gesloopt, uiterlijk binnen 1 maand na het gereedkomen van de nieuwbouw. [appellante sub 4] heeft evenwel zonder de daartoe benodigde bouwvergunning haar bedrijfsbebouwing uitgebreid tot 1.364 m2.

2.24.6. Nu [appellante sub 4] in 1986 bouwvergunning is verleend voor de bouw van een bedrijfsruimte, is het college in navolging van de raad er vanuit gegaan dat van een illegaal dan wel oneigenlijk ontstane situatie als bedoeld in de onder 2.24.3. vermelde gemeentelijke beleidsuitgangspunten, geen sprake is. Zij is daarom behandeld als een bedrijf waarvan de mogelijkheden en rechten al in het voorheen geldende plan waren vervat en met een specifieke bestemming in het plan opgenomen.

2.24.7. Voor het antwoord op de vraag of [appellante sub 4] in dit plan een uitbreidingsmogelijkheid diende te krijgen, behoefde het college in navolging van de raad geen rekening te houden met de feitelijk aanwezige bedrijfsbebouwing die [appellante sub 4] zonder bouwvergunning heeft gerealiseerd. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan toegekende maximale bedrijfsvloeroppervlakte van 1.020 m2 zonder uitbreidingsmogelijkheid niet in strijd is met het provinciale beleid. Immers bij de planvaststelling heeft de raad het oppervlak aan bedrijfsbebouwing waarvoor in 1986 bouwvergunning is verleend in het plan opgenomen vermeerderd met een gedeelte van de zonder bouwvergunning tot stand gekomen bedrijfsbebouwing, tot 1.020 m2. Dat is meer dan 15% uitbreidingsruimte van de met bouwvergunning gerealiseerde oppervlakte aan bedrijfsbebouwing.

Bovendien kan - en zal - het college van burgemeester en wethouders van Uden, naar ter zitting is bevestigd, tegen de resterende, zonder bouwvergunning opgerichte bedrijfsbebouwing die niet in dit plan als zodanig is bestemd, nog handhavend optreden.

2.24.8. Ook faalt het betoog van [appellante sub 4] dat het college in navolging van de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de ligging van het perceel nabij diverse andere bedrijven aan de Nistelrodeseweg. De gemeenteraad heeft ter zitting verklaard dat hij is teruggekomen van zijn aanvankelijke voornemen nabij de Nistelrodeseweg een bedrijventerrein te ontwikkelen. De raad was dan ook niet gehouden die omgeving vanwege de door [appellante sub 4] aangevoerde reden als "nader begrensde bebouwingsconcentratie' waarbinnen ruimere bebouwingsmogelijkheden kunnen worden toegestaan, aan te wijzen.

2.24.9. Anders dan [appellante sub 4] heeft betoogd is de in artikel 1 van de planvoorschriften opgenomen - en onder 2.24.4. vermelde - begripsbepaling van bedrijfsvloeroppervlak niet in strijd met het streekplanbeleid. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dat beleid niet alleen beperkingen stelt aan de uitbreiding van een bebouwingsoppervlak, maar ook aan uitbreiding van voorzieningen en functies.

2.24.10. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het op haar perceel betrekking hebbende plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 4] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 8]

2.25. [appellant sub 8] maakt bezwaar tegen het niet als zodanig bestemmen van de opslagactiviteiten op het perceel [locatie 21] en van de woning [locatie 22] op het perceel [locatie 23, 24, 22].

Hij bestrijdt het standpunt van het college dat voor de - reeds aanwezige - opslagactiviteiten een vrijstelling als bedoeld in artikel 27, leden 27.3.2 en 27.3.3, van de planvoorschriften kan worden verleend. Naar zijn stelling wordt niet voldaan aan de gestelde criteria.

De woning [locatie 22] is naar zijn stelling in strijd met het gelijkheidsbeginsel niet als zodanig bestemd. Bij de planvaststelling is in een zo groot aantal gevallen afgeweken van de gehanteerde matrix voor de beoordeling/planologische regeling van de bestaande woningen in het buitengebied dat daardoor sprake is van gewijzigd beleid, op grond waarvan de woning als zodanig had moeten worden bestemd.

2.25.1. De raad heeft voor de niet-agrarische opslag in twee loodsen op het perceel [locatie 21] niet voorzien in de bestemming "Niet-agrarische bedrijven/functies", omdat voor opslag als nevenfunctie vrijstelling als bedoeld in artikel 27, lid 27.3.2 dan wel lid 27.3.3 van de planvoorschriften kan worden verleend.

Aan het perceel [locatie 23, 24, 22] heeft de raad de aanduiding 'W2' toegekend en daarmee geen derde woning toegestaan.

2.25.2. Het college heeft deze plandelen goedgekeurd.

Ten aanzien van de opslag op het perceel [locatie 21] heeft het college overwogen dat die opslag - die groter is dan 1.000 m2 - als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf kan worden aangemerkt en dat, nu de planvoorschriften een vrijstellingsmogelijkheid zonder maximale maat kennen voor het toestaan van opslag als nevenactiviteit op een agrarisch bouwperceel, de toegekende bestemming niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of met het recht.

Het niet opnemen in het plan van een derde woningbouwmogelijkheid voor het perceel [locatie 23, 24, 22] heeft het college in overeenstemming geacht met het restrictieve provinciale beleid en met het recht, nu bij de beoordeling gebruik is gemaakt van een in de plantoelichting opgenomen matrix en de raad bij zijn afweging heeft betrokken dat tegen het wonen op dit perceel handhavend kan worden opgetreden.

[locatie 21]

2.25.3. [appellant sub 8] betoogt met recht dat de raad ten onrechte het bestaande gebruik voor opslag van twee loodsen op het perceel niet als zodanig in het plan heeft opgenomen, maar heeft verwezen naar de vrijstellingsmogelijkheid die het plan biedt.

Niet in geschil is dat de raad het gebruik voor opslag aan [appellant sub 8] wil toestaan en dat daarbij geen belangen van derden in het geding zijn. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in onder meer de uitspraak van 19 oktober 2005, inzake nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200500382&verdict_id=11859&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200500382/1&utm_term=200500382">200500382</a>, Schijndel, dient bestaand gebruik dat de planwetgever wil toestaan, met een op dat gebruik gerichte bestemming of gebruiksbepaling in het plan te worden opgenomen. Het mag niet afhankelijk worden gesteld van een, in het plan opgenomen bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling. Het gaat immers om een bevoegdheid van het vrijstellingverlenend orgaan en niet om een verplichting.

2.25.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door dit plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijven" voor het perceel [locatie 21] dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet voorts aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan het plandeel betreffende [locatie 21].

[locatie 22]

2.25.5. De gronden betreffende het perceel [locatie 23, 24, 22] zijn op plankaart 2 aangewezen als "Woningen" met de aanduiding 'W2'. Daarmee zijn de gronden ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planvoorschriften - voor zover van belang - bestemd voor woondoeleinden. De in artikel 18, lid 18.2, opgenomen bouwvoorschriften vermelden dat per bouwblok niet meer dan 1 vrijstaande woning is toegestaan, tenzij op plankaart 2 een ander maximum aantal is aangegeven, waarbij die woningen dan uitsluitend aan(een)gebouwd mogen worden.

Op het perceel staan de woning [locatie 23] en de - door splitsing tot stand gekomen - woning [locatie 24]. Deze woningen zijn aaneengebouwd.

Niet in geschil is dat de aanduiding 'W2' op deze woningen ziet.

Op het perceel staat verder een pand met huisnummer 60b met aan de achterzijde een garage. De bij een woning behorende voorzieningen, zoals keuken en badkamer, zijn niet aanwezig in het pand.

2.25.6. In het voorheen geldende plan van 1983 was voor het perceel evenmin een derde woningbouwmogelijkheid opgenomen. De gronden waren in dat plan bestemd als "Agrarisch gebied, klasse B (AB)" met een bouwblok. Op gronden met die bestemming was binnen het bouwblok één agrarische bedrijfswoning toegestaan. Dat was de woning [locatie 23].

2.25.7. Uit de stukken als nader toegelicht ter zitting is komen vast te staan dat ter plaatse van het pand [locatie 22] in 1975 met bouwvergunning een dubbele garage is gebouwd. Die garage is in 1996 en 1999 met bouwvergunning verbouwd. Voor een verbouwing tot woning is geen bouwvergunning verleend.

Het college van burgemeester en wethouders heeft in 1975, derhalve vóór de datum van inwerkingtreding van het voorheen geldende plan (op 17 april 1990) het strijdige gebruik als woning gewraakt door met aanzegging van bestuursdwang te gelasten de in de garage aangebrachte voorzieningen te verwijderen.

Bij besluit van 8 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders [appellant sub 8] onder oplegging van dwangsommen gelast de bewoning van het pand te staken en gestaakt te houden, alsmede de inboedel daaruit te verwijderen en die woning terug te brengen tot garage, meer in het bijzonder door de keuken, woonkamer, slaapkamers en douchegelegenheid te verwijderen en verwijderd te houden. Deze last onder dwangsom is in rechte onaantastbaar geworden door de uitspraken van de Afdeling van 18 oktober 2006, nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200510440/1&verdict_id=15274&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200510440/1&utm_term=200510440/1">200510440/1</a>, en van 11 juli 2007, nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200608893/1&verdict_id=17629&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200608893/1&utm_term=200608893/1">200608893/1</a>.

2.25.8. [appellant sub 8] kan derhalve aan het voorheen geldende plan geen recht ontlenen op een woonbestemming voor het pand [locatie 22].

Aan de matrix die de raad bij de planvaststelling heeft gehanteerd om te komen tot een beoordeling en planologische regeling voor bestaande (burger)woningen en daaraan verwante bewoningssituaties in het buitengebied en waarin de voorheen geldende bestemming is afgezet tegen het type woning of de woonsituatie in planologische opzicht, kan [appellant sub 8] evenmin recht ontlenen op een woonbestemming. Ten tijde van de planvaststelling was het pand niet in gebruik als woning en waren ook de bouwkundige voorzieningen die het pand tot een woning zouden maken niet aanwezig, zodat van een bestaande woning/woonsituatie geen sprake was. Bovendien bood de matrix [appellant sub 8] alleen soulaas in geval de bewoning te lang was gedoogd dan wel in redelijkheid niet meer te wraken en/of te handhaven was. Daarvan is gelet op hetgeen hiervoor onder 2.25.7 is overwogen evenmin sprake.

2.25.9. [appellant sub 8] doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Hij betoogt dat bij de planvaststelling in een zo groot aantal gevallen is afgeweken van de matrix dat daardoor sprake is van gewijzigd beleid. In dat verband heeft hij gewezen op de woningen [locatie 25], [locatie 26], [locatie 27] en [locatie 38], [locatie 28 en 29], [locatie 30], [locatie 31], [locatie 32], [locatie 33], [locatie 34], [locatie 35], [locatie 36] en [locatie 37].

2.25.10. Ten aanzien van de door [appellant sub 8] gemaakte vergelijking met de woningen [locatie 25], [locatie 26], [locatie 27] en [locatie 38], [locatie 28 en 29], [locatie 30], [locatie 31], [locatie 32], [locatie 33], [locatie 34], [locatie 35] en [locatie 36] wordt overwogen dat het college en de raad zich op het standpunt hebben gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie reeds omdat die woningen, anders dan de woning [locatie 22], ten tijde van de planvaststelling werden bewoond en geschikt waren om te worden bewoond. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college en de raad zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat die situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

Anders oordeelt de Afdeling ten aanzien van de door [appellant sub 8] genoemde woning [locatie 37]. Het college en de raad hebben noch in een verweerschrift noch ter zitting het betoog van [appellant sub 8] weerlegd dat ten aanzien van de bewoning van die woning het college van burgemeester en wethouders van Uden ook een besluit tot handhaving heeft genomen dat tot in hoger beroep bij de Afdeling in stand is gebleven en dat daarna de bewoning is beëindigd, maar dat desondanks bij de planvaststelling een bestemming "Woningen" met de bouwmogelijkheid voor een woning is toegekend. In zoverre slaagt het betoog van [appellant sub 8].

2.25.11. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 8] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Woningen" met de aanduiding 'W2' betreffende het perceel [locatie 23, 24, 22] wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 17]

2.26. [appellant sub 17] wenst voor zijn perceel [locatie 39] de bestemming "Niet agrarische bedrijven/functies" in plaats van de toegekende bestemming "Woningen" met de aanduiding 'VAB' (vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie). De toegekende bestemming maakt naar zijn mening voortzetting van zijn bedrijfsactiviteiten op het perceel onmogelijk.

Hij stelt dat de bedrijfsmatige niet-agrarische activiteiten op het perceel door het overgangsrecht van het voorheen geldende plan worden beschermd, zodat die in dit plan als zodanig hadden moeten worden bestemd. Hij verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2007, inzake nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200604991&verdict_id=17428&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200604991/1&utm_term=200604991">200604991</a>, Nieuwkoop.

Ook aan de uitgangspunten voor beoordeling van de planologische regeling van niet-agrarische bedrijven die zijn gehanteerd bij de planvaststelling meent hij een recht op de gevraagde bestemming te kunnen ontlenen, nu de activiteiten niet meer te wraken en te handhaven zijn omdat ze te lang zijn gedoogd.

Verder wijst [appellant sub 17] erop dat in de nabije omgeving zeven niet-agrarische bedrijven liggen die als zodanig zijn bestemd in het plan, ongeveer 40 burgerwoningen en maar vier agrarische bedrijven. [appellant sub 17] verbindt hieraan de conclusie dat van een agrarisch gebied geen sprake meer is en dat zijn bedrijf goed inpasbaar is in die omgeving.

Ten slotte stelt [appellant sub 17] dat de uitgangspunten die aan het plan ten grondslag zijn gelegd niet de eis van volwaardigheid stellen, zodat het college reeds om die reden goedkeuring had moeten onthouden aan de toegekende bestemming.

2.26.1. De raad heeft voor het perceel niet voorzien in de bestemming "Niet agrarische bedrijven/functies", omdat de bedrijfsactiviteiten op het perceel niet een volwaardig bedrijf betreffen als bedoeld in de omschrijving en voorwaarden voor de niet-agrarische bedrijven in de staat van inrichtingen.

2.26.2. Het college heeft de aan het perceel toegekende bestemming "Woningen" met de aanduiding 'VAB' (vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie) goedgekeurd.

Het college stelt zich op het standpunt dat toekenning van de gevraagde bestemming een in het streekplan verboden nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied zou betreffen, nu de bedrijfsmatige activiteiten van [appellant sub 17] (verhuur van bouwmaterialen en opslag) in het voorheen geldende plan niet als zodanig waren bestemd en evenmin een planologische procedure tot vestiging van het bedrijf is gevoerd. Bovendien is het college gebleken dat het gemeentebestuur handhavend wil optreden ten aanzien van de in geding zijnde activiteiten op het perceel, omdat de situatie getoetst aan de "Beoordeling/planologische regeling van de niet-agrarische bedrijven in het buitengebied" niet heeft geleid tot het toekennen van de gevraagde bestemming.

2.26.3. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, volgt dat op het perceel tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw een agrarisch bedrijf werd uitgeoefend.

Sinds 1989 heeft [appellant sub 17] een verhuurbedrijf van bouwmateriaal op het perceel. Hij verhuurt ter plaatse bouwmaterialen en machines voor de bouwsector zoals handgereedschappen, bouwmachines, steigermateriaal en bouwliften. Zelf voert hij in een werkplaats op het perceel het onderhoud en reparaties aan zijn machines uit. In een deel van de bebouwing vindt opslag van diverse goederen plaats. Een ander deel van de bedrijfsbebouwing verhuurt [appellant sub 17] aan derden voor opslag dan wel voor voorbereidende werkzaamheden voor een aannemings- en/of expertisebedrijf.

In totaal is ongeveer 1.750 m2 van de aanwezige bebouwing in gebruik. [appellant sub 17] verkrijgt zijn inkomsten volledig uit de bedrijfsvoering ter plaatse.

2.26.4. De gronden waren in het voorheen geldende plan bestemd als "Agrarisch gebied, klasse B (AB)" met een bebouwingsvlak.

Ingevolge de in artikel 56, lid B, van dat plan opgenomen overgangsbepaling mocht het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van dat plan bestaande gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat met de in het plan aangewezen bestemming in strijd is, worden voortgezet.

2.26.5. In het voorliggende plan is het perceel op plankaart 2 aangewezen voor "Woningen" met de aanduiding 'VAB' (vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie).

Daarmee zijn de gronden ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planvoorschriften bestemd voor:

a. woondoeleinden;

b. aan huis verbonden beroepen of dienstverlening;

c. [..]

d. [..].

De in artikel 18, lid 18.2, aanhef en onder b, van de planvoorschriften opgenomen bouwvoorschriften vermelden dat ten aanzien van vrijstaande en aangebouwde bijgebouwen en overkappingen geldt dat de gezamenlijke oppervlakte per woning niet meer mag bedragen dan 100 m2.

2.26.6. Ingevolge artikel 29, lid 29.1, van de voorschriften bij dit plan is het verboden de in dit plan opgenomen gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangegeven in de doeleinden.

Ingevolge artikel 30, lid 30.2, van de voorschriften mag het gebruik van gronden anders dan voor bebouwing, alsmede het gebruik van zich op die gronden bevinden bouwwerken, dat in strijd is met het in artikel 29, lid 29.1, bepaalde en dat reeds plaatsvond vóór de datum waarop het plan onherroepelijk rechtskracht heeft verkregen worden voortgezet.

Het bepaalde in artikel 30, lid 30.2, is ingevolge lid 30.3, onder b, van dat artikel niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen, tot die datum geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan en waartegen wordt of rechtens alsnog kan worden opgetreden.

2.26.7. [appellant sub 17] betoogt met recht dat zijn bedrijfsactiviteiten niet passen binnen de toegekende bestemming. De doeleindenomschrijving bij de bestemming "Woningen" en de omvang aan bijgebouwen die voor de niet-agrarische activiteiten in gebruik zijn, staan daaraan in de weg.

Niet is betwist dat de niet-agrarische bedrijfsactiviteiten een met het voorheen geldende plan "Buitengebied" van 1983 strijdig gebruik betreffen. Nu echter ter zitting is bevestigd dat dit gebruik reeds plaatsvond vóór 17 april 1990, de datum waarop het voorheen geldende plan "Buitengebied" onherroepelijk rechtskracht heeft verkregen, betoogt [appellant sub 17] met vrucht dat dit gebruik ingevolge artikel 30, lid 30.2, van het voorliggende plan gelezen in samenhang met artikel 56, lid B, van het voorheen geldende plan mag worden voortgezet.

Voorts is niet aannemelijk geworden dat [appellant sub 17] vrijwillig het strijdige gebruik van het perceel voor zijn niet-agrarische bedrijfsactiviteiten zal beëindigen. De raad is onder deze omstandigheden terecht nagegaan of het mogelijk is die bedrijfsactiviteiten als zodanig in het plan te bestemmen.

Het standpunt van de raad dat hij hiertoe niet kon overgaan, omdat de bedrijfsactiviteiten niet een volwaardig bedrijf betreffen als bedoeld in de omschrijving en voorwaarde voor de niet agrarische bedrijven in de staat van inrichtingen, is niet voldoende draagkrachtig om die beslissing te dragen, reeds omdat uit het deskundigenbericht volgt dat het bedrijf een arbeidsbehoefte en -omvang heeft van ten minste één volledige arbeidskracht met een daarbij passend jaarinkomen. Niet aannemelijk is gemaakt dat deze stelling in het deskundigenbericht onjuist zou zijn. Het college heeft weliswaar dit standpunt van de raad niet kenbaar overgenomen en aan zijn besluit omtrent goedkeuring ten grondslag gelegd, maar zich op het standpunt gesteld dat is gebleken dat het gemeentebestuur handhavend kan en wil optreden ten aanzien van de in geding zijnde activiteiten op het perceel. Uit het voorgaande volgt dat dit standpunt rechtens onjuist is.

2.26.8. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 17] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Woningen" en de aanduiding 'VAB' (vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie) voor het perceel [locatie 39].

Het beroep van [appellanten sub 18]

2.27. [appellanten sub 18] maken bezwaar tegen de functie 'theater en cultureel centrum' die de toegekende bestemming "Niet-agrarische bedrijven/functies" mogelijk maakt voor een terrein aan de Pnemstraat in de nabijheid van hun woning [locatie 40].

Die functie zal de natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden van het gebied ontoelaatbaar aantasten. Het betreft een gebied waar de flora en fauna - vanwege de vele te beschermen zeldzame planten- en diersoorten - bescherming behoeft. Een onderzoek naar die waarden is in strijd met de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 ten onrechte achterwege gebleven, aldus [appellanten sub 18].

De onrust aantrekkende theater- en cultureel centrum- activiteiten tasten niet alleen die natuurwaarden aan, maar ook de waardevolle, cultuurhistorische Pnemstraat, met name het [pand] met haar monumentale aanzicht. De activiteiten hadden naar hun stelling verplaatst moeten worden naar het centrum van Uden. Zij achten het achterwege laten van een onderzoek naar alternatieven in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij betwisten de behoefte aan een theater en cultureel centrum op dit perceel.

Naar de stelling van [appellanten sub 18] had handhavend moeten worden opgetreden tegen hetgeen illegaal aanwezig is, in plaats van nieuwe mogelijkheden te bieden voor onwenselijke uitbreiding van het ruimtebeslag. In elk geval hadden de bouw- en gebruiksmogelijkheden nauw begrensd moeten worden in het plan. Nu vrezen zij een toename van het aantal voorstellingen in de stille avond- en/of nachtelijke uren, hetgeen een toename van geluids- en verkeersoverlast zal meebrengen.

Verder is naar hun stelling ten onrechte geen aandacht besteed aan de ernstige bodem- en grondwaterverontreinigingen ter plaatse. Aanvullend bodem- en grondwateronderzoek is ten onrechte achterwege gebleven.

Ten slotte betwisten zij het standpunt van het college dat dit plandeel niet meer toelaat dan een in het verleden verleende verklaring van geen bezwaar (voor het verlenen van een vrijstelling van het voorheen geldende bestemmingsplan) mogelijk maakte. Dat standpunt is naar hun stelling ten onrechte niet gemotiveerd en toegelicht in het besluit omtrent goedkeuring. Bovendien is de omvang van die verklaring van geen bezwaar onduidelijk en hebben zij tegen die verklaring beroep ingesteld.

2.27.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de toegekende bestemming recht doet aan de bestaande situatie en niet leidt tot uitbreiding van de bestaande bebouwing. Wel kan een aantal noodzakelijke voorzieningen worden aangebracht, zoals aanleg van paden en terreinverhardingen. Ook kunnen het toiletgebouw en het aantal zitplaatsen van het (openlucht)theater worden uitgebreid en kan de regiekamer worden vernieuwd. De toegekende bestemming in relatie tot de bestaande bebouwing doet naar de mening van de raad geen afbreuk aan de bestaande waarden van de omgeving.

2.27.2. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd. De toegekende bestemming acht het college een vertaling van de verklaring van geen bezwaar die hij bij besluit van 22 maart 2005, nr. 987007, heeft verleend ten behoeve van het theater. Het plandeel biedt naar zijn stelling niet meer mogelijkheden. Voor zijn besluit tot goedkeuring van dit plandeel verwijst het college dan ook naar hetgeen hij in zijn besluit van 22 maart 2005 heeft overwogen. Hij beklemtoont dat hij in dat besluit ook de waarden van flora en fauna en cultuurhistorische en milieuplanologische aspecten heeft betrokken.

2.27.2.1. Bij besluit van 22 maart 2005 heeft het college een verklaring van geen bezwaar afgegeven als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO voor het verlenen van vrijstelling (van het op dat moment geldende bestemmingsplan) voor de functionele verbetering van het theater in het zogenoemde PNEMgebouw, het openluchttheater en het parkeerterrein.

Het project waarvoor de verklaring geldt omvat blijkens dat besluit de volgende onderdelen:

- Aanpassing van enkele gevelopeningen van het PNEMgebouw. Opknappen van het buitenterrein en het aanleggen van een terras rond het gebouw. Aanleggen van een nieuwe inrit voor laad- en losverkeer, voor de ontsluiting van de paardenbak op [locatie 40] en voor calamiteitenverkeer.

- Opknapbeurt van het openluchttheater en van de toeleidende paden en van de bestaande gebouwtjes. Vervanging van de houten zitplaatsen door betonelementen. Toevoeging van één ring zitplaatsen. Vervanging van het bestaande afgiftepunt voor drankjes door een vaste uitbreiding van het toiletgebouw/kiosk. Vervanging van de regiekamer met de mogelijkheid daaronder een materiaalruimte in te richten.

- Herinrichting van het parkeerterrein van het PNEMgebouw, waardoor 32 parkeerplaatsen aanwezig kunnen zijn. Aanleg van een fietsparkeervak van 150 m2 en aanplanting van een beukenhaag rondom het terrein.

2.27.2.2. Het college heeft bij zijn besluit tot afgifte van de verklaring van geen bezwaar het volgende overwogen.

Het voormalige PNEMgebouw, dat op de gemeentelijke monumentenlijst staat, en het omliggende terrein aan de Pnemstraat worden sinds 1980 door de gemeente Uden verhuurd en door het theater Naat Piek gebruikt voor sociaal-culturele doeleinden. Het openluchttheater is als zodanig bestemd in het (thans voorheen) geldende bestemmingsplan "Buitengebied". Het PNEMgebouw wordt beschermd door het overgangsrecht van dat plan, daar binnen het voor die gronden geldende bouwvlak alleen bouwwerken mogen worden opgericht ten behoeve van de bestemming "Bossen".

De gronden liggen in de noordrand van de kern Uden in de overgangszone stedelijk gebied - buitengebied, tegen een bosgebied. Rond het aansluitpunt Pnemstraat-Slingerpad is sprake van een bundeling van zeer kleinschalige toeristisch-recreatieve voorzieningen zoals een informatiebord en een picknickplaats. Aan de Pnemstraat staan, naast het voormalige PNEMgebouw, vier woningen en aan de Bosdreef liggen twee agrarische bedrijven.

Uit een in mei 2003 uitgevoerd onderzoek blijkt dat de werkzaamheden geen verstoring zullen veroorzaken van de waarden van flora en fauna. Aanbevelingen om te voorkomen dat in strijd met de Flora- en faunawet wordt gehandeld, zullen bij de uitvoering in acht worden genomen. Cultuurhistorische en milieuplanologische aspecten zullen de realisering van dit project niet belemmeren.

De gevraagde aanpassingen zijn in feite een fixatie van de reeds jarenlang bestaande situatie. De bestaande voorzieningen krijgen een noodzakelijke kwaliteitsverbetering, zonder dat sprake is van uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag. Het college acht de activiteiten ter plaatse kleinschalig en passend op de bestaande locatie, zonder dat sprake is van aantasting van natuurwaarden.

2.27.3. Het terrein is onderdeel van een omvangrijker natuur- en bosgebied met de naam 'de Maashorst' en bestaat uit een niet-bebost gedeelte en een bebost gedeelte.

In het voormalige PNEMgebouw, dat op het niet-beboste gedeelte van het terrein staat, zijn een 120 zitplaatsen tellend theater aanwezig met een foyer en andere ruimten ten dienste van het theater alsmede vijf ateliers voor beeldende kunstenaars. Aan de noordwestelijke en zuidwestelijke zijde van het PNEMgebouw is een met kiezels verhard terrein dat in gebruik is als respectievelijk parkeerterrein en als locatie voor creatieve activiteiten en workshops van de beeldende kunstenaars. In het beboste gedeelte van het terrein bevindt zich het 350 zitplaatsen tellende openluchttheater.

2.27.4. De gronden zijn op plankaart 2 aangewezen als "Niet-agrarische bedrijven/functies". Daarmee zijn de gronden ingevolge artikel 17 van de planvoorschriften en de daarin opgenomen 'staat van niet-agrarische bedrijven of functies' bestemd voor 'Recreatiebedrijf/-functie' van de soort 'theater en cultureel centrum' met een maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van 835 m2 zonder uitbreiding van het bedrijfsvloeroppervlak.

De gronden zijn op plankaart 2 tevens aangewezen als "Cultuurhistorisch waardevolle elementen (dubbelbestemming)". Daarmee zijn de gronden ingevolge artikel 17 gelezen in samenhang met artikel 23 van de planvoorschriften en de daarin opgenomen 'staat van cultuurhistorische waardevolle bebouwing' tevens bestemd voor het behoud en/of het herstel van het gemeentelijke monument 'het voormalige transformatorhuis dat dateert van rond het begin van de jaren '30 uit de vorige eeuw', voor (onverharde) wegen, landschapselementen en/of andere beplantingen.

De in artikel 23 opgenomen bouwvoorschriften vermelden - tenzij sprake is van een bescherming met daaruit voortvloeiende vergunningen ingevolge [..] de gemeentelijke Monumentenverordening en/of de Kapverordening die zijn gericht op de bescherming van overeenkomstige waarden, in welk geval deze dubbelbestemming met bijbehorende voorschriften buiten toepassing blijft - dat op de mede tot "Cultuurhistorisch waardevolle elementen (dubbelbestemming)" bestemde grond uitsluitend mag worden gebouwd indien daardoor de cultuurhistorische waarden van de bebouwing, natuur en landschapsobjecten niet onevenredig worden geschaad. Alvorens te beslissen over het verlenen van een bouwvergunning moet het college van burgemeester en wethouders advies inwinnen van een terzake deskundige commissie/instantie.

Artikel 23, lid 23.3, van de planvoorschriften bevat een aanlegvergunningstelsel voor

- het (geheel of gedeeltelijk) slopen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met cultuurhistorische waarden;

- het vellen of rooien van landschapselementen, bomen of hagen met cultuurhistorische waarden;

- het wijzigen van het wegprofiel en/of de inrichting van (onverharde) wegen.

2.27.5. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" waren de gronden aangewezen als "Bossen (LBO)" en voorzien van de aanduiding 'openluchttheater'. Daarmee waren deze gronden ingevolge artikel 14 van de voorschriften bij dat plan bestemd voor

- loofhout- en naaldhoutbossen mede ten behoeve van de houtproductie;

- voor het behoud, herstel en de versterking van de aan de betreffende gronden eigen zijnde landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden;

- voor extensieve dagrecreatie;

[..];

- alsmede, voor zover op de kaart 'openluchttheater' is aangegeven, voor een openluchttheater.

De gronden ter plaatse van het PNEMgebouw en van de woningen [locatie 41 en 40] waren voorzien van 1 bebouwingsvlak.

Deze gronden mochten uitsluitend met bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemmingen worden bebouwd.

2.27.6. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.27.2. tot en met 2.27.2.2. is weergegeven, kunnen [appellanten sub 18] niet worden gevolgd in hun betoog dat het college voor de motivering van zijn goedkeuring van het in geding zijnde plandeel niet mocht verwijzen naar hetgeen hij heeft overwogen ten aanzien van de bij besluit van 22 maart 2005 verleende verklaring van geen bezwaar voor de functionele verbetering van het theater. [appellanten sub 18] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit plandeel planologisch meer toestaat. Voorts heeft het college, mede gelet op hetgeen in 2.27.2.1. is overwogen, voldoende duidelijk in zijn besluit tot uitdrukking gebracht op welke werken en werkzaamheden zijn besluit betrekking had. Het betoog van [appellanten sub 18] dat de omvang van die verklaring van geen bezwaar onduidelijk is, faalt derhalve eveneens.

2.27.7. Niet in geschil is dat het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" de aanwezigheid van een openluchttheater ter plaatse toestond. Niet aannemelijk is dat deze functie binnen de planperiode zal verdwijnen. Ook zijn de ruimtelijke omstandigheden rond het openluchttheater niet gewijzigd. Het is dan ook op zichzelf bezien niet onjuist of onredelijk dat het college heeft ingestemd met het opnieuw opnemen van die functie in dit plan, aangevuld met een planologische regeling van de reeds jaren aanwezige, voor die functie benodigde faciliteiten, zoals een parkeerterrein, toegangspaden en een toiletgebouw annex kiosk.

2.27.8. Het voormalige PNEMgebouw was in het voorheen geldende bestemmingsplan niet bestemd voor culturele doeleinden. Naar in 2.27.2.2. is vermeld, worden dit gebouw en het omliggende terrein echter reeds sinds 1980 door de gemeente Uden verhuurd en door het theater Naat Piek gebruikt voor sociaal-culturele doeleinden. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat het culturele gebruik van dit gebouw en de omliggende gronden voorziet in een behoefte voor amateurgezelschappen, beginnende podiumkunstenaars en voor (basis)scholen voor het vak cultuureducatie en dat er in Uden en omgeving geen andere kleinschalige theateraccommodaties voorhanden zijn.

Gezien de ligging van het PNEMgebouw op een open plek in het bosgebied, in de directe omgeving van het reeds aanwezige openluchttheater en in de overgangszone van stedelijk gebied naar buitengebied, is het niet onjuist of onredelijk dat het college het gebruik van dit gebouw en de omliggende gronden voor culturele doeleinden aanvaardbaar heeft geacht. Daarbij is in aanmerking genomen, dat - anders dan [appellanten sub 18] stellen - het plan geen uitbreiding van de aanwezige bebouwing toestaat en dat de gebruiks- en bouwmogelijkheden worden beperkt door de toegekende dubbelbestemming "Cultuurhistorisch waardevolle elementen". Voorts volgt uit het deskundigenbericht dat ook de zitplaatscapaciteit van het theater in het PNEMgebouw niet kan worden uitgebreid, omdat de binnenruimte reeds volledig is benut. Verder biedt het plan, doordat de maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing in het plan is gefixeerd en geen uitbreiding van het bedrijfsvloeroppervlak is toegekend, evenmin de mogelijkheid om de zitplaatscapaciteit van het openluchttheater verder te vergroten.

Het betoog van [appellanten sub 18] dat de activiteiten verplaatst hadden moeten worden naar het centrum van Uden, dat ten onrechte geen onderzoek naar een alternatieve locatie heeft plaatsgevonden en dat de behoefte aan een theater en cultureel centrum op dit perceel ontbreekt, faalt derhalve.

2.27.9. De natuurwaarden van het terrein zijn blijkens het rapport "Inventarisatie Flora en fauna Naat Piek Theater Uden" van mei 2003 met name aanwezig in het bosgedeelte, waar het openluchttheater ligt. Dat deel van het terrein maakt onderdeel uit van het leefgebied van een groot aantal, in het rapport genoemde, vogelsoorten en van de (zoogdieren) vos en eekhoorn. Aan dat leefgebied is door het jarenlange gebruik van dat deel van het terrein als openluchttheater echter geen afbreuk gedaan, zo volgt uit dat rapport. Het plan brengt geen verandering in het toegestane gebruik van het openluchttheater.

De theateraccommodatie en de vijf ateliers voor beeldende kunstenaars in het PNEM-gebouw bevinden zich niet in het beboste gedeelte, maar op een wat meer open terrein dat bovendien deels is verhard met kiezels. Ook dit deel van het plangebied wordt reeds sinds 1980 gebruikt voor sociaal-culturele doeleinden zonder dat dit gebruik - naar uit genoemd rapport kan worden afgeleid - afbreuk heeft gedaan aan de natuurwaarden op het aangrenzende bosgedeelte. Nu het plan geen uitbreiding van de bestaande bebouwing toestaat en de zitplaatscapaciteit van het theater in het PNEMgebouw niet kan worden uitgebreid omdat de binnenruimte reeds volledig is benut, zal volgens het deskundigenbericht een intensivering van het gebruik slechts een marginale invloed hebben op de natuurwaarden van het aangrenzende bosgebied. [appellanten sub 18] hebben dit standpunt niet gemotiveerd bestreden, bijvoorbeeld door het overleggen van een deskundigenrapport dat hun strandpunt ondersteunt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich in navolging van de gemeenteraad op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan de natuurwetenschappelijke waarden van het gebied niet zal aantasten. Een verdergaand onderzoek of de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan, heeft het college in navolging van de raad achterwege kunnen laten. Dit betoog van [appellanten sub 18] faalt.

2.27.10. Met betrekking tot het betoog van [appellanten sub 18] dat bij een intensief gebruik van het openluchttheater en van het PNEMgebouw de geluids- en verkeersoverlast onaanvaardbaar zullen toenemen, waardoor de landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle Pnemstraat en het PNEMgebouw zullen worden aangetast, overweegt de Afdeling het volgende.

2.27.10.1. Het deskundigenbericht bevestigt de landschappelijke aantrekkelijkheid van het terrein vanwege de bijzondere ligging van het PNEMgebouw, een markant gebouw met een industrieel karakter in de nabijheid van een bosgebied. De cultuurhistorische waarde van dat deel van het terrein wordt - zoals hiervoor in 2.27.4. is vermeld - beschermd door de toegekende dubbelbestemming "Cultuurhistorisch waardevolle elementen" en het aan die bestemming verbonden aanlegvergunningstelsel.

De landschappelijke en cultuurhistorische waarde van de Pnemstraat en van de woningen [locatie 41 en 40], die zijn gebouwd als dienstwoningen bij het PNEMgebouw, manifesteren zich volgens het deskundigenbericht in tamelijk bescheiden mate. [appellanten sub 18] hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Een verdergaande beschermende regeling in het plan heeft het college dan ook niet aangewezen behoeven te achten.

2.27.10.2. Uit een aan het plan ten grondslag liggend akoestisch onderzoek van de Stichting Accommodatie Naat Piek van 4 augustus 2004 volgt dat de geluidsbelasting vanwege de activiteiten in het PNEMgebouw, op het aansluitende terrein en in het openluchttheater op de - maatgevende zuidwestelijke - gevel van de woningen [locatie 41 en 40] met respectievelijk 34 dB(A) overdag, 36 dB(A) in de avond en 35 dB(A) in de nacht ruim onder de grenswaarden blijven van het ten tijde van het besluit omtrent goedkeuring geldende Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer van respectievelijk 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A).

De piekgeluidsniveaus als gevolg van het laden en lossen en als gevolg van het komen en gaan van bezoekers worden gedempt doordat het PNEMgebouw tussen het parkeerterrein en de woningen [locatie 41 en 40] ligt. Nu het parkeerterrein op ongeveerd 58 meter van die woningen ligt, is het mede gelet op het deskundigenbericht evenmin aannemelijk dat die piekgeluidsniveaus onaanvaardbare hinder zullen veroorzaken voor de woningen [locatie 41 en 40].

2.27.10.3. De geluidsbelasting vanwege het verkeer op de Pnemstraat en op de woningen [locatie 41 en 40] zal naar ter zitting is vast gesteld niet in betekenende mate toenemen bij een intensivering van het culturele gebruik van de theateraccommodaties. Daarbij is in aanmerking genomen dat een intensivering van de theateraccommodatie in het PNEM-gebouw zoals in 2.27.9. overwogen marginaal zal zijn. Bovendien is ter zitting vast komen te staan dat het onverharde Slingerpad en niet de Pnemstraat dient als ontsluitingsweg van het plangebied en van het zuidoostelijke deel van het bos- en natuurgebied de Maashorst. Verder heeft de gemeenteraad ter zitting verklaard dat nog verkeersmaatregelen zullen worden getroffen waardoor het niet langer mogelijk zal zijn vanaf de parkeerplaats terug te rijden naar de woningen [locatie 41 en 40] om aldaar te parkeren tussen de bomen.

Het in 2.27.10. vermelde betoog van [appellanten sub 18] faalt derhalve.

2.27.11. Met betrekking tot het betoog van [appellanten sub 18] dat het college in navolging van de raad ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de ernstige bodem- en grondwaterverontreinigingen ter plaatse, overweegt de Afdeling het volgende.

2.27.11.1. Uit het rapport 'Aanvullend nader bodemonderzoek, Pnemstraat 1, te Uden' van 26 maart 2003 van het bureau Oranjewoud volgt dat de bodem en het grondwater van het terrein aanzienlijk zijn verontreinigd met arseen en chroom. Op een in dat rapport als 'het centrale terreingedeelte' aangeduid gebied is een verhardingslaag aangetroffen, waarin hoge gehalten aan arseen, PAK (Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen), en minerale oliën zijn gemeten. Het betreft blijkens de stukken het met kiezels verharde gedeelte van het terrein aan de noordwestelijke en zuidwestelijke zijde van het PNEMgebouw dat in gebruik is als respectievelijk parkeerterrein en als locatie voor creatieve activiteiten en workshops van de beeldende kunstenaars.

2.27.11.2. Het college heeft bij besluit van 7 juli 2003 vastgesteld dat er sprake is van ernstige verontreiniging als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming, dat er geen sprake is van urgentie om te saneren, maar dat het gebruik van de bodem, anders dan als parkeerplaats met halfverharding aan het college dient te worden gemeld. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat door het gebruik als parkeerterrein en omdat de aangetroffen verontreinigingen zich onder een gesloten verharding bevinden, er geen directe contactmogelijkheden zijn, zodat van een actueel humaan risico geen sprake is.

2.27.11.3. Wat betreft de verontreiniging van een deel van het terrein met arseen en chroom heeft het bureau Archimil het rapport 'Deelsaneringsplan Pnemstraat 1 Uden' van 31 januari 2008 uitgebracht. In dat rapport wordt als gebruiksbeperking na sanering gesteld dat de locatie na uitvoering van de maatregelen uit het rapport zonder verdergaande beperkingen gebruikt kan blijven als halfverharde parkeerplaats met groenvoorziening. Wel blijft, aldus het rapport, nazorg geboden, omdat door de halfverharding de verontreinigingssituatie niet wezenlijk verandert. De nazorg houdt, aldus het rapport, in dat de gebruiksbeperkingen ten aanzien van het verontreinigde terrein worden vastgelegd in een evaluatierapport en dat alles erop is gericht om te voorkomen dat personen worden blootgesteld aan de verontreiniging.

2.27.12. Voor zover het halfverharde terreingedeelte in gebruik is als parkeerterrein, wordt voldaan aan het besluit van het college van 7 juli 2003 en behoefde het college in navolging van de raad, gelet op de onderliggende onderzoeken geen gevaar voor de volksgezondheid aanwezig te achten.

Voor zover het halfverharde gedeelte in gebruik is - en volgens het plan in gebruik mag zijn - voor creatieve activiteiten en workshops van de beeldende kunstenaars en de toegekende bestemming ook het gebruik voor sociaal-culturele doeleinden voor onder meer scholen toelaat, dat een veel directer contact met de verontreinigde bodem kan inhouden dan parkeren, dient dat gebruik - zoals in 2.27.11.2. overwogen bij het college te worden gemeld. Nu - naar de raad ter zitting heeft verklaard - eventuele beschermende maatregelen kunnen worden getroffen, daarin bestaande dat dit gedeelte alsnog wordt verhard met kiezels of asfalt, heeft het college ervan uit kunnen gaan dat de Wet bodembescherming niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van dit plandeel.

Het betoog van [appellanten sub 18] faalt ook in zoverre.

2.27.13. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 18] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 18] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 19]

2.28. [appellant sub 19] stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Woningen" voor een perceel dat op plankaart 2 is vermeld als [locatie 42]. Dat betreft niet zijn perceel. Dat is op plankaart 2 vermeld als [locatie 43].

[appellant sub 19] stelt in beroep verder dat het college - doordat het aan het verkeerde plandeel goedkeuring heeft onthouden - ten onrechte zijn bedenking tegen de aanduiding 'G' (gebouwen toegestaan) voor zijn perceel aan de overzijde van de weg buiten behandeling heeft gelaten en die aanduiding ten onrechte heeft goedgekeurd.

Voorts bestrijdt hij de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Woningen" voor zijn perceel [locatie 43]. Het college is naar zijn stelling ten onrechte niet ingegaan op zijn bedenking dat aan zijn perceel een niet-agrarische bedrijfsbestemming had moeten worden toegekend. De bestemming "Woningen" zal naar zijn stelling, ook indien de raad bij de planvaststelling de aanduiding 'VAB' (vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie) had toegevoegd, voortzetting van de bedrijfsactiviteiten op zijn perceel onmogelijk maken.

2.28.1. De raad heeft bij de planvaststelling voor het perceel van [appellant sub 19] aan de Voortweg (kadastraal bekend als R191) voorzien in de bestemming "Woningen". Daarbij heeft de raad overwogen om door toekenning van de aanduiding 'VAB' (vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie) en opneming van het gehele perceel binnen de aanduiding bebouwingsconcentratie 'Hengstheuvel' de op dat perceel aanwezige, kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid toe te staan. De raad heeft evenwel niet besloten tot toekenning van de aanduiding 'VAB' (vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie) voor dit perceel noch tot opneming van het gehele perceel binnen de aanduiding bebouwingsconcentratie 'Hengstheuvel'.

Voor de paardenstal aan de overzijde van het perceel heeft de raad, om uitbreiding van de stal te voorkomen, de aanduiding 'G' (gebouwen toegestaan) toereikend geacht.

2.28.2. Het college heeft goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Woningen" dat op plankaart 2 is vermeld als [locatie 42], omdat hem uit de reactie van de raad is gebleken dat abusievelijk geen aanduiding 'VAB' (vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie) is toegekend voor dit perceel. Het college heeft overwogen dat de raad in het kader van verplichting als bedoeld in artikel 30 van de WRO alsnog een afweging dient te maken omtrent het toekennen van de bestemming en eventuele uitbreidingsmogelijkheden. Nu het college reeds goedkeuring heeft onthouden aan de bestemming "Woningen" voor het perceel, heeft het college de overige bedenkingen buiten beschouwing gelaten.

2.28.3. Op grond van de stukken als nader toegelicht ter zitting is vast komen te staan dat het op plankaart 2 als [locatie 42] vermelde plandeel met de bestemming "Woningen" niet het plandeel is dat betrekking heeft op het perceel van [appellant sub 19]. Dat is op plankaart 2 vermeld als [locatie 43]. Het perceel dat op plankaart 2 is vermeld als [locatie 42] betreft een naburig perceel.

2.28.4. Het college heeft ter zitting verklaard dat hij heeft beoogd goedkeuring te verlenen aan het plandeel betreffende [locatie 42] en goedkeuring te onthouden aan het plandeel betreffende [locatie 43] (het perceel van [appellant sub 19]). Voorts heeft het college ter zitting verklaard dat hij bij zijn besluit omtrent goedkeuring er ten onrechte vanuit is gegaan dat de aanduiding 'G' (gebouwen toegestaan) voor een paardenstal het perceel [locatie 43] van [appellant sub 19] betrof. Die aanduiding heeft echter, aldus het college ter zitting, betrekking op een ander perceel van [appellant sub 19] aan de overzijde van de weg, waaraan in het plan de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of aardkundige waarden - Alca-" is toegekend. Het college heeft echter beoogd de aanduiding 'G' voor dat plandeel in zijn onthouding van goedkeuring aan het plandeel betreffende [locatie 43] te betrekken vanwege de onverbrekelijke samenhang tussen die plandelen.

2.28.5. De Afdeling stelt vast dat de onthouding van goedkeuring aan het plandeel dat betrekking heeft op het perceel [locatie 42], de goedkeuring van de aanduiding 'G' (gebouwen toegestaan) en de goedkeuring van het plandeel betreffende het perceel [locatie 43] op een vergissing van het college berust.

2.28.6. Ten aanzien van het plandeel betreffende het perceel [locatie 42] is niet gebleken van daartegen bij het college gerichte bedenkingen noch anderszins van belangen die zich verzetten tegen goedkeuring van dat plandeel zoals het college heeft beoogd.

De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 19] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door niettemin om deze reden goedkeuring aan het plan te onthouden heeft het college gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub 19] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet voorts aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te verlenen aan plandeel betreffende [locatie 42].

2.28.7. Met zijn standpunt ter zitting dat hij beoogd heeft goedkeuring te onthouden aan zowel de bestemming "Woningen" voor het perceel van [appellant sub 19] aan de [locatie 43] als aan de aanduiding 'G' (gebouwen toegestaan) voor het perceel van [appellant sub 19] aan de overzijde van de weg, is het college in zoverre tegemoet gekomen aan het beroep van [appellant sub 19].

2.28.8. Voor zover [appellant sub 19] stelt dat het college nog steeds geen standpunt heeft ingenomen omtrent zijn bedenking dat de raad voor zijn perceel moet voorzien in een niet-agrarische bedrijfsbestemming, overweegt de Afdeling het volgende. In verband met de verplichting van de raad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, oordeelde de Afdeling in bestemmingsplanzaken op grond van de WRO dat niet slechts de onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in de beroepsprocedure ter beoordeling kon staan. Daarbij was het procesbelang gelegen in de verplichting het besluit van het college in acht te nemen bij het artikel 30-plan.

Op 1 juli 2008 is de WRO ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden.

Voor de planonderdelen waaraan het college beoogd heeft goedkeuring te onthouden, zal een bestemmingsplan op grond van de Wro moeten worden vastgesteld.

De Wro noch het daarbij behorende overgangsrecht voorziet in een bepaling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1 van de Wro een besluit tot onthouding van goedkeuring aan een onder de WRO totstandgekomen plan in acht neemt. Artikel 30 van de WRO heeft derhalve geen betekenis voor een op grond van de Wro vast te stellen bestemmingsplan.

Gezien het voorgaande is het belang bij de beoordeling van het beroep voor zover dat gericht is tegen de aan een besluit tot onthouding van goedkeuring ten grondslag liggende motivering, ingaande 1 juli 2008, komen te vervallen. Dit impliceert dat de bezwaren van [appellant sub 19] omtrent de toekenning van een niet-agrarische bedrijfsbestemming aan de orde kunnen komen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan onder de Wro.

2.28.8.1. Nu - zoals in 2.28.7. is vastgesteld - het college zich ter zitting op een ander standpunt heeft gesteld dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellant sub 19] is ook in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover het betreft de bestemming "Woningen" voor het perceel [locatie 43] en de aanduiding 'G' (gebouwen toegestaan) voor het aan de overzijde gelegen perceel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Nu het college ter zitting heeft verzocht goedkeuring te onthouden aan deze planonderdelen, zal de Afdeling zelf voorziend goedkeuring onthouden aan deze planonderdelen.

Het beroep [appellante sub 31] en het beroep van [appellante sub 23]

2.29. [appellante sub 31] voert in beroep aan dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Niet-agrarische bedrijven/functies" voor haar perceel [locatie 44]. Zij stelt dat op het perceel gebouwen staan die zij verhuurt aan [appellante sub 23] voor niet-agrarische doeleinden.

2.29.1. [appellante sub 23] voert in beroep aan dat het bestemmingsvlak voor haar perceel aan de [locatie 45], zoals de raad dat na aanneming van een amendement gewijzigd heeft vastgesteld, niet op de plankaart is gewijzigd, zodat het college met de gewijzigde vaststelling van dat bestemmingsvlak ten onrechte geen rekening heeft gehouden.

[appellante sub 23] voert verder aan dat haar in strijd met het geldende beleid geen 15% uitbreidingsmogelijkheid is toegekend. De toegekende uitbreidingsmogelijkheid is naar haar stelling ten onrechte gerelateerd aan het bebouwde gedeelte van het bouwblok en niet aan het - voor haar van wezenlijker belang zijnde - onbebouwde gedeelte daarvan. Het bestaan van concrete plannen voor uitbreiding is naar haar stelling in dit verband niet van belang, hoewel zij die plannen wel heeft en ook kenbaar heeft gemaakt. Zij wijst erop dat vergroting van haar bouwblok beleidsmatig mogelijk is door de ligging binnen de bebouwingsconcentratie "Oosteres".

[appellante sub 23] voert voorts aan dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de aanduiding op grond waarvan een bedrijfswoning op haar perceel [locatie 45] is toegestaan. Het college heeft naar haar stelling niet gemotiveerd waarom - in afwijking van het standpunt van de raad - in haar geval geen bedrijfswoning noodzakelijk is. Bovendien is die woning feitelijk reeds 20 jaar aanwezig op het perceel. Het niet als zodanig bestemmen van die woning is naar haar stelling dan ook in strijd met het recht. Subsidiair doet zij een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Ten slotte voert [appellante sub 23] aan dat het college ten onrechte niet is ingegaan op haar bedenking dat het plan voor de bescherming van haar perceel een hogere erfafscheiding dan 1 m had moeten toestaan. Dezelfde beroepsgrond voert zij aan omtrent het ontbreken van de mogelijkheid tot buitenopslag.

De beroepsgrond ten aanzien van het niet opnemen in het plan van de mogelijkheid voor verkoop aan particulieren en voor buitenopslag, heeft [appellante sub 23] ter zitting ingetrokken.

2.29.2. De raad heeft bij de planvaststelling aan het perceel [locatie 45] de bestemming "Niet-agrarische bedrijven/functies" toegekend met de aanduiding 'groothandel in hout en plaatmateriaal'. Daarbij is voor het perceel [locatie 45] ten opzichte van het ontwerpplan een wijziging aangebracht in die zin dat een strook van 5 m langs de Zeelandsedijk tussen de Rechtestraat en de Oosterheidestraat is bestemd als "Wegen" onder compensatie van een zelfde aantal vierkante meters aan de zijkant van het bouwblok als welke zijn weggevallen aan de straatzijde.

De maximale oppervlakte voor bebouwing is vastgelegd op 5.250 m2 met een uitbreidingspercentage van 15.

Tussen de plandelen betreffende de percelen [locatie 45 en 44] heeft de raad een koppelteken geplaatst op de plankaart ten teken dat er sprake is van een gekoppeld bouwblok waarbinnen één bedrijfswoning is toegestaan.

Nu het bouwblok grenst aan gronden met de bestemming "Wegen" heeft de raad niet de mogelijkheid opgenomen bouwwerken geen gebouwen zijnde hoger dan 1 m te bouwen.

2.29.3. Het college heeft vastgesteld dat het bestemmingsvlak voor het perceel [locatie 45] op plankaart 2 niet overeenstemt met het raadsbesluit waarbij het bestemmingsvlak - na aanneming van een amendement - gewijzigd is vastgesteld. Desondanks heeft het college het bestemmingsvlak zoals dit is ingetekend op plankaart 2 goedgekeurd.

Daarbij heeft het college overwogen dat de strook grond aan de kant van de Zeelandsedijk niet bedrijfsmatig werd gebruikt en - gelet op de omvang van die strook in de directe nabijheid van de Zeelandsedijk - ook niet of nauwelijks bedrijfsmatig kon worden gebruikt. Compensatie aan de noordzijde van het bestemmingsvlak voor het verlies van de strook grond aan de kant van de Zeelandsedijk acht het college in strijd met het provinciale beleidsuitgangspunt dat uitgaat van concentratie van bebouwing. Het bestemmingsvlak zoals dat is ingetekend op plankaart 2 voldoet aan dat uitgangspunt, het gewijzigd vastgestelde bestemmingsvlak niet, aldus het college. Bovendien mist het college een motivering waarom het bestemmingsvlak in afwijking van het provinciale beleid gewijzigd is vastgesteld.

Het college heeft goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Niet-agrarische bedrijven/functies" voor het perceel [locatie 44] en aan het koppelteken tussen het perceel [locatie 45] met het perceel [locatie 44]. Tevens heeft het college goedkeuring onthouden aan artikel 17, lid 17.4, van de planvoorschriften, Staat van niet-agrarische bedrijven/functies, rij 84, wat betreft de zinsnede 'met [locatie 44]' in de zevende kolom.

Het college is hiertoe overgegaan, omdat hem niet is gebleken dat de woning op dat perceel van oudsher beschouwd moet worden als de bedrijfswoning bij het perceel [locatie 45]. Onvoldoende inzichtelijk is gemaakt, aldus het college, dat de woning aan de [locatie 44] daadwerkelijk in gebruik is of is geweest ten behoeve van de niet-agrarische bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie 45].

Voorts heeft het college goedkeuring onthouden aan artikel 17, lid 17.4, van de planvoorschriften, Staat van niet-agrarische bedrijven/functies, rij 1, 38 en 78, de zinsnede 'anders dan 1' voor zover dit betrekking heeft op rij 84, [locatie 45]. Het college acht een bedrijfswoning bij het niet-agrarische bedrijf op dit perceel in strijd met het restrictieve streekplanbeleid voor niet-agrarische functies in het buitengebied. Het college ziet geen reden voor afwijking van dat beleid. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat het gemeentebestuur een zelfstandige afweging heeft gemaakt om handhavend op te treden tegen de op het perceel aanwezige 'noodwoning'.

De toegekende uitbreidingsmogelijkheid van 15% acht het college in overeenstemming met het streekplanbeleid. Nu hem geen concrete uitbreidingsplannen bekend zijn die de toegekende uitbreidingsmogelijkheid van 15% overschrijden, ziet het college geen aanleiding om van dat beleid af te wijken.

2.29.4. De percelen [locatie 45 en 44] zijn op plankaart 2 beide voorzien van een bestemmingsvlak "Niet agrarische bedrijven/functies".

Daarmee zijn de gronden van beide percelen ingevolge artikel 17, lid 17.1, van de planvoorschriften bestemd voor:

a de uitoefening van niet-agrarische bedrijven of functies, conform de in lid 17.4 opgenomen 'Staat van niet-agrarische bedrijven/functies', waarbij per bestemmingsvlak niet meer dan één bedrijf of functionele eenheid aanwezig mag zijn;

b woondoeleinden in de vorm van bedrijfswoningen;

c [..]

d [..]

e [..].

In rij 84 van de 'Staat van niet-agrarische bedrijven/functies' is voor het perceel [locatie 45] vermeld dat ter plaatse een groothandel in hout en plaatmateriaal is toegestaan met een maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van 5250 m2 en 15% uitbreiding van het bedrijfsvloeroppervlak.

In de zevende kolom is als bijzonderheid vermeld 'met [locatie 44]'.

2.29.5. [appellante sub 31] betoogt tevergeefs dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het (gehele) bestemmingsvlak "Niet-agrarische bedrijven/functies" voor haar perceel [locatie 44]. Weliswaar stelt zij terecht dat op haar perceel gebouwen staan die in gebruik zijn voor de groothandel in hout en plaatmateriaal van [appellante sub 23], maar gelet op de wijze van bestemmen - zoals in 2.29.4 weergegeven - komt aan het bestemmingsvlak voor het perceel [locatie 44] alleen betekenis toe voor zover in de 'Staat van niet-agrarische bedrijven/functies' als bijzonderheid voor het perceel [locatie 45] is vermeld 'met [locatie 44]'.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat de woning op dat perceel in het plan ten onrechte is aangemerkt als de bedrijfswoning voor het perceel [locatie 45], heeft het college terecht goedkeuring onthouden aan die zinsnede en aan het (gehele) bestemmingsvlak "Niet-agrarische bedrijven/functies" voor haar perceel [locatie 44]. Die zinsnede maakt het niet mogelijk de onthouding van goedkeuring te beperken tot een gedeelte van het perceel, nu die zinsnede ziet op het gehele perceel. De raad dient opnieuw een bestemmingsregeling voor het perceel [locatie 44] vast te stellen. Daarbij kan de raad, nu niet in geding is dat de gebouwen op het perceel [locatie 44] door [appellante sub 23] worden gebruikt voor haar groothandel in hout en plaatmateriaal, het koppelteken en de zinsnede in de 'Staat van niet-agrarische bedrijven/functies' wederom aanbrengen, maar dan voor een gedeelte van het perceel.

2.29.6. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 31] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Niet-agrarische bedrijven/functies" voor het perceel [locatie 44] in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 31] is ongegrond.

Bestemmingsvlak [locatie 45]

2.29.7. Het streekplan gaat uit van concentratie van bebouwing en van opslag van goederen binnen de maximaal toegestane oppervlakte aan bedrijfsbebouwing.

Het college stelt zich terecht op het standpunt dat een wijziging en/of uitbreiding van het bestemmingsvlak aan dat streekplanbeleid dient te worden getoetst.

Het door de raad aangenomen amendement, waarbij voor het perceel [locatie 45] ten opzichte van het ontwerpplan een wijziging is aangebracht, zoals hiervoor onder 2.30.2 vermeld, bevat die toetsing niet. Ook anderszins blijkt uit het besluit tot vaststelling van het plan niet van zodanige toetsing.

Het college verbindt aan deze omstandigheid echter ten onrechte de conclusie dat het goedkeuring kan verlenen aan het bestemmingsvlak zoals dat op de hem toegezonden plankaart is opgenomen en dat naar zijn stelling wel voldoet aan het streekplan beleid. Immers dat bestemmingsvlak betreft niet het door de raad vastgestelde bestemmingsvlak.

2.29.8. De conclusie is dat het bestemmingsplan zoals dat ter voldoening aan artikel 28, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening aan het college ter goedkeuring is aangeboden in zoverre niet overeenstemt met het plan zoals dat door de raad is vastgesteld, zodat deze wettelijke bepaling is geschonden. Door het plandeel "Niet agrarische bedrijven/functies" voor het perceel [locatie 45] niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 28, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover het betreft het plandeel "Niet agrarische bedrijven/functies" voor het perceel [locatie 45] dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet voorts aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

2.29.9. Ten aanzien van de overige beroepsgronden, die planvoorschriften betreffen binnen het plandeel "Niet agrarische bedrijven/functies" voor het perceel [locatie 45], heeft de raad ter zitting verklaard dat er met behulp van een mediator een oplossing is gevonden voor de geschilpunten die ten grondslag liggen aan die overige beroepsgronden en dat de raad zich daardoor ten aanzien van die punten op een ander standpunt stelt dan ten tijde van de planvaststelling. In een nieuw vast te stellen plan zal die oplossing worden verwerkt. De raad heeft daarom ter zitting verzocht het beroep wat betreft die overige beroepsgronden gegrond te verklaren en zelfvoorziend in zoverre goedkeuring te onthouden aan de onderdelen van het plan waarop die beroepsgronden betrekking hebben.

2.29.10. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het besluit tot vaststelling van het plan heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het besluit tot vaststelling van het plandeel "Niet agrarische bedrijven/functies" voor het perceel [locatie 45] - wat betreft de aangevochten aanduidingen en planvoorschriften - ook niet met de vereiste zorgvuldigheid en mitsdien in strijd met artikel 3:2 van de Awb zijn vastgesteld. De goedkeuring van het plandeel is mitsdien eveneens geschied in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellante sub 23] is ook in zoverre gegrond. Het bestreden besluit komt mitsdien ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

Woningen (artikel 18)

Het beroep van [appellant sub 3]

2.30. [appellant sub 3] stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding 'W2' in plaats van 'W3' voor het plandeel met de bestemming "Woningen" betreffende het perceel [locatie 46 en 47], dat op plankaart 2 is vermeld als [locatie 48 en 49].

Hij stelt dat de bij het pand [locatie 50] aanwezige schuur in afwijking van de vergunning als woning is gebouwd en dat tegen het gebruik als woning nimmer handhavend is opgetreden. Hij acht het niet toekennen van een woonbestemming aan die woning - waaraan het [nr.] is toegekend - in strijd met het gemeentelijke beleid dat aan het plan ten grondslag ligt.

2.30.1. De raad heeft niet voorzien in een woonbestemming voor het in geding zijnde gebouw, omdat daarmee een burgerwoning wordt toegevoegd aan het buitengebied. Hij acht dat in strijd met de uitgangspunten van het ruimtelijke beleid. De raad acht inwilliging van de wens van [appellant sub 3] ook niet mogelijk gelet op de ligging van het perceel binnen de, bij het plan aangegeven 'Nader begrensde bebouwingsconcentratie' Kooldert/Hoge Randweg, omdat het perceel niet valt binnen de aanduiding 'zoekgebied nieuwe ontwikkelingen naar wonen'.

2.30.2. Het college heeft de toegekende aanduiding 'W2' goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat voor de bouw van een derde woning op het perceel geen vergunning is verleend en dat de raad handhavend optreden nog mogelijk acht. Een aanduiding 'W3' zal derhalve, aldus het college, tot gevolg hebben dat in strijd met het streekplanbeleid een woning wordt toegevoegd aan het buitengebied.

2.30.3. Niet in geschil is dat de toegekende bestemming en aanduiding de bouw van slechts twee woningen voor het perceel [locatie 46 en 47] toestaat.

2.30.4. In het voorheen geldende bestemmingsplan Buitengebied 1983 was aan dit perceel een bestemming "Recreatieve doeleinden" met de aanduiding 'manege' toegekend. Die bestemming en aanduiding stond de bouw van gebouwen voor de ruitersport toe en één bedrijfswoning.

Dat betrof een zogenoemde langgevelboerderij met een manege en paardenstallen.

In 1990 heeft het college van burgemeester en wethouders vergunning verleend deze boerderij te splitsen in twee woningen. De achterzijde van de boerderij, de voormalige binnenmanege, is verbouwd tot woning met het adres [locatie 50]. De voorzijde van deze boerderij kreeg het adres [locatie 46].

2.30.5. Niet in geschil is dat het college van burgemeester en wethouders in 1995 bouwvergunning heeft verleend ter plaatse van de thans in geding zijnde 'woning' een schuur te bouwen. Evenmin is in geschil dat zonder de daartoe vereiste bouwvergunning en in afwijking van de verleende bouwvergunning ter plaatse een woning is opgericht.

2.30.6. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat tegen de zonder bouwvergunning opgerichte woning nog handhavend kan worden opgetreden. Voorts stelt het college zich eveneens terecht op het standpunt dat toevoeging van een woning op dit perceel in strijd is met het streekplanbeleid. In de omstandigheid dat het perceel binnen de bij het plan aangeduide 'Nader begrensde bebouwingsconcentratie' Kooldert/Hoge Randweg ligt, behoefde het college geen aanleiding te vinden om van het provinciale beleid af te wijken, reeds omdat het perceel niet valt binnen de aanduiding 'zoekgebied nieuwe ontwikkelingen naar wonen'.

2.30.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 5]

2.31. [appellanten sub 5] voeren in beroep aan dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woningen" en de aanduiding 'W2' betreffende het perceel [locatie 51 en 52]. Zij stellen dat aan het pand [locatie 51] ten onrechte een woonbestemming is toegekend. Het betreft naar hun stelling een voormalige berging bij de woning [locatie 52], die zonder vergunning is afgesplitst en verbouwd tot woning. Bovendien ligt het perceel binnen de 45 KE geluidscontour van het vliegveld Volkel.

Zij voeren zij aan dat voor de bewoners van het pand [locatie 51] geen goed woon- en leefklimaat is gegarandeerd alsmede dat het goedkeuringsbesluit op diverse punten onzorgvuldig is voorbereid en/of ondeugdelijk is gemotiveerd.

Zo behoeven naar hun stelling de enkele medewerking van het gemeentebestuur aan de bouw van een garage/berging op het perceel en de aanbouw van een serre aan het pand nog niet te leiden tot de gevolgtrekking dat een woonbestemming is aangewezen. Overigens betwisten zij het bestaan van de serre. Ook betwisten zij dat niet meer handhavend zou kunnen worden opgetreden tegen de illegale bewoning van het pand. Zij beklemtonen in dit verband dat het gemeentebestuur in 1986 uitdrukkelijk heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een splitsing van het pand [locatie 52] in twee woningen.

Toepassing van de gehanteerde uitgangspunten heeft naar hun stelling tot een willekeurige uitkomst geleid, nu voor het perceel [locatie 53] onder dezelfde omstandigheden als het perceel [locatie 51] geen woonbestemming is toegekend.

Voorts zijn noch de raad noch het college ingegaan op het argument dat toekenning van een woonbestemming niet mogelijk is vanwege de ligging van het perceel binnen de geluidscontour van het vliegveld Volkel. De verwijzing van het college naar de mogelijkheid in het streekplan om boerderijen te splitsen achten [appellanten sub 5] niet relevant voor pand [locatie 51]. Immers het is geen gesplitste boerderij, maar een gesplitste burgerwoning. Het toevoegen van een burgerwoning in het buitengebied is, zo stellen zij, juist in strijd met het streekplanbeleid.

2.31.1. De raad heeft voor het pand [locatie 51] voorzien in een woonbestemming omdat de bewoning van het pand sedert een zodanig lange tijd is gedoogd en medewerking is verleend aan de realisatie van voorzieningen die bij een woning behoren, dat sprake is van rechtsverwerking en handhaving niet meer tot de mogelijkheden behoort. Bovendien worden naar de stelling van de raad de bestemmingsplanmogelijkheden van het naburige pand door de woonbestemming niet beperkt.

2.31.2. Het college heeft goedkeuring verleend aan het plandeel onder overneming van het standpunt van de raad. Het heeft daaraan ten overvloede toegevoegd dat het streekplan het splitsen van boerderijen onder voorwaarden toestaat en dat het plan ook een wijzigingsbevoegdheid bevat om een boerderij dan wel een voormalige agrarische bedrijfswoning te splitsen.

2.31.3. De gronden van het perceel [locatie 51 en 52] is op plankaart 2 aangewezen voor "Woningen" met de aanduiding 'W2'.

Daarmee zijn de gronden ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planvoorschriften - voor zover thans van belang - bestemd voor woondoeleinden.

Uit de in artikel 18, lid 18.2 opgenomen Bouwvoorschriften volgt dat op de aldus bestemde gronden per bouwblok niet meer dan 1 vrijstaande woning is toegestaan, tenzij op plankaart 2 een ander maximum aantal is aangegeven, waarbij die woningen dan uitsluitende aan(een)gebouwd mogen worden.

De gronden liggen op plankaart 3b, Ontwikkelingen, tussen de 35 KE en 45 KE geluidscontour van het vliegveld Volkel.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit geluidsbelasting grote luchtvaart is 35 KE de maximaal toelaatbare geluidsbelasting van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en woonwagenstandplaatsen die op het tijdstip van vaststelling van de geluidszone daarbinnen nog niet aanwezig zijn en waarvoor nog geen bouwvergunning is verleend.

Ingevolge artikel 5 van dat besluit is in afwijking van artikel 4, eerste lid, de maximaal toelaatbare geluidsbelasting [..] 40 KE [..] voor woningen [..] die zullen dienen ter vervanging van op die plaats reeds aanwezige bebouwing, niet zijnde woningen [..] of voor woningen.

2.31.4. Op de gronden staan twee-onder-één-kap-woningen. Anders dan het college doet voorkomen, hebben de woningen in het verleden geen deel uitgemaakt van een boerderij of een agrarische bedrijfswoning.

2.31.5. In het voorheen geldende plan was aan de gronden de bestemming "Woondoeleinden (W)" toegekend. Die bestemming stond één vrijstaande woning toe.

2.31.6. Uit het deskundigenbericht en de nadere toelichting ter zitting van A.J.M. van den Akker-van Deursen, de huidige eigenaresse en bewoonster van het pand [locatie 51], volgt dat in 1968, 1973, 1975 en 1979 met bouwvergunningen verbouwingen zijn verricht aan de op het perceel staande woning, dat toen het huisnummer [locatie 52] had. [belanghebbende B] heeft ter zitting onweersproken verklaard dat in die periode reeds twee woonruimtes in de woning aanwezig waren. Aan een bouwplan van de toenmalige eigenaar tot het splitsen van de woning in twee woningen heeft het college van burgemeester en wethouders blijkens een brief van 2 april 1968 geen medewerking verleend. De woningsplitsing is zonder vergunning tot stand gebracht. De huidige eigenaresse en bewoonster van het pand [locatie 51] heeft de woning in 1986 van haar vader gekocht en in 1988 betrokken. [appellanten sub 5] hebben de woning [locatie 52] in 1998 gekocht.

Bij brief van 10 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders aan [appellanten sub 5] kenbaar gemaakt dat hij de woningsplitsing als een voldongen feit aanmerkt en uitgaat van twee zelfstandige woningen die als zodanig in het - op dat moment nog in voorbereiding zijnde - bestemmingsplan zullen worden opgenomen.

2.31.7. De brief van 10 november 2003 merkt de Afdeling aan als een verklaring van het college van burgemeester en wethouders dat hij afziet van handhavend optreden tegen de zonder vergunning tot stand gebrachte woningsplitsing.

Voorts is niet in geschil dat de bewoning van het pand [locatie 51] reeds een aanvang heeft genomen vóór de inwerkingtreding op 17 april 1990 van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" 1983 en mitsdien onder het overgangsrecht van dat plan mocht worden voortgezet.

Het college (van gedeputeerde staten) heeft zich onder deze omstandigheden, in navolging van de raad, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ten aanzien van de zelfstandige bewoning van het pand [locatie 51] sprake is van rechtsverwerking en dat handhavend optreden niet meer tot de mogelijkheden behoort.

Voorts heeft het college hierin aanleiding kunnen zien om af te wijken van het provinciale ruimtelijke beleid, dat is gericht op het tegengaan van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied.

2.31.8. In de bedenkingen van [appellanten sub 5] dat toekenning van een woonbestemming niet mogelijk is vanwege de ligging van het perceel tussen de 35 en 45 KE contour van het vliegveld Volkel en dat in verband met die ligging ter plaatse ook geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is, behoefde het college, in navolging van de raad, geen aanleiding te zien geen woonbestemming op te nemen. Het college en de raad hebben ter zitting onweersproken verklaard dat de geluidsbelasting ter plaatse de in artikel 5 van het Besluit geluidsbelasting grote luchtvaart genoemde waarde van 40 KE niet overschrijdt.

2.31.9. Ten aanzien van de door [appellanten sub 5] gemaakte vergelijking met het pand [locatie 53], waarvoor in het plan niet is voorzien in een woonbestemming, wordt overwogen dat hierna in 2.32.11. wordt geoordeeld dat dat plandeel in strijd met de zorgvuldigheid is vastgesteld en goedgekeurd.

2.31.10. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 5] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 5] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7]

2.32. [appellant sub 7] voert in beroep aan dat zijn woning op het perceel [locatie 53] ten onrechte niet als zodanig is bestemd in het plan.

Hij betoogt dat de raad heeft gehandeld in strijd met zijn eigen beleid. Naar zijn stelling voldoet hij aan de voor toepassing van dat beleid gestelde voorwaarden. Handhavend optreden is naar zijn stelling niet meer mogelijk, nu het college van burgemeester en wethouders hem bij brief van 15 januari 1998 heeft bericht dat het tot woning verbouwde pand, gezien het jarenlange gebruik, op grond van het overgangsrecht als woning in gebruik mag blijven. De daarop door hem aangevraagde bouwvergunning voor renovatie van het pand is hem vervolgens verleend. Het college had naar zijn stelling dan ook geen gewicht mogen toekennen aan de mededeling van het college van burgemeester en wethouders dat handhavend wordt opgetreden.

2.32.1. De raad heeft aan het pand [locatie 53] geen woonbestemming toegekend, omdat het een bewoond bijgebouw bij de hoofdwoning op nr. 43 betreft en in diverse briefwisselingen is aangegeven dat die bewoning niet gelegaliseerd kan worden. Door het verlenen van bouwvergunning is weliswaar het verbouwen van het bijgebouw toegestaan, maar daarmee is naar de stelling van de raad de bewoning niet gelegaliseerd. Toevoeging van een burgerwoning in het buitengebied acht de raad niet mogelijk, gelet op de conflicterende belangen tussen burgerwoningen en de agrarische sector.

2.32.2. Het college heeft het plandeel goedgekeurd. Daarbij heeft hij overwogen dat het gemeentebestuur tegen de bewoning van het pand handhavend kan en zal optreden, zodat het niet voldoet aan het gemeentelijke beleid dat bij de planvaststelling is gehanteerd.

2.32.3. De gronden van het perceel [locatie 54 en 53] zijn op plankaart 2 aangewezen voor "Woningen" zonder nadere aanduiding (omtrent het aantal woningen).

Daarmee zijn de gronden ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planvoorschriften - voor zover thans van belang - bestemd voor woondoeleinden.

Uit de in artikel 18, lid 18.2, van de planvoorschriften opgenomen bouwvoorschriften volgt dat op de aldus bestemde gronden per bouwblok niet meer dan 1 vrijstaande woning is toegestaan, tenzij op plankaart 2 een ander maximum aantal is aangegeven, waarbij die woningen dan uitsluitend aan(een)gebouwd mogen worden.

2.32.3.1. Ingevolge artikel 29, lid 29.1, van de voorschriften bij dit plan is het verboden de in dit plan opgenomen gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangegeven in de doeleinden.

Ingevolge artikel 30, lid 30.2, van de voorschriften mag het gebruik van gronden anders dan voor bebouwing, alsmede het gebruik van zich op die gronden bevindende bouwwerken, dat in strijd is met het in artikel 29, lid 29.1, bepaalde en dat reeds plaatsvond vóór de datum waarop het plan onherroepelijk rechtskracht heeft verkregen worden voortgezet.

Het bepaalde in artikel 30, lid 30.2, is ingevolge artikel 30, lid 30.3, onder b, niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen, tot die datum geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan en waartegen wordt of rechtens alsnog kan worden opgetreden.

2.32.4. In het voorheen geldende plan was aan de gronden de bestemming "Woondoeleinden (W)" toegekend. Die bestemming stond één vrijstaande woning toe. Niet in geschil is dat dit het pand [locatie 54] betreft.

2.32.4.1. Ingevolge de in artikel 56, lid A, van het voorheen geldende plan opgenomen overgangsbepalingen ten aanzien van het bouwen mogen bouwwerken, welke op het tijdstip van het in ontwerp ter visie leggen van dat plan reeds bestaan [..], en welke afwijken van het plan, [..] gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits de bestaande afwijking naar de aard en afmetingen worden verkleind.

Ingevolge de in artikel 56, lid B, van dat plan opgenomen overgangsbepaling ten aanzien van het gebruik van [..] bouwwerken mag het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van dat plan bestaande gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat met de in het plan aangewezen bestemming in strijd is, worden voortgezet.

2.32.5. In 1965 is bouwvergunning verleend voor de bouw van een garage/berging op het perceel.

Niet in geschil is dat deze garage zonder bouwvergunning is verbouwd voor woondoeleinden en - naar onbetwist is gesteld - sinds 1976 zonder onderbreking wordt bewoond en het huisnummer [locatie 53] heeft.

2.32.6. Naar aanleiding van een verzoek om informatie van [appellant sub 7] heeft de directeur Grondgebiedszaken hem namens het college van burgemeester en wethouders bij brief van 15 januari 1998 bericht dat de tot woning verbouwde garage een tweede woning op het perceel is die vanwege strijdigheid met het bestemmingsplan niet kan worden gelegaliseerd. Niettemin mag, aldus de brief, het tot woning verbouwde pand, gezien het reeds jarenlange gebruik, op grond van het overgangsrecht in artikel 56 van de bestemmingsplanvoorschriften als woning in gebruik blijven. Dit betekent, aldus de brief, dat het pand [locatie 53] ook door [appellant sub 7] mag worden bewoond. [appellant sub 7] is er in de brief attent op gemaakt dat het pand gerenoveerd mag worden, maar niet geheel vernieuwd of veranderd.

2.32.7. Bij besluit van 30 december 1998 is [appellant sub 7] een bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een woning op het perceel [locatie 53]. Uit het bij deze vergunning behorende bouwplan blijkt dat met die vergunning de fundering en de gevels mochten worden vernieuwd, de gevels in steen mochten worden opgetrokken met geïsoleerde spouwmuren, de kozijnindeling mocht worden gewijzigd en vernieuwd, isolatieglas mocht worden aangebracht, het kapplan mocht worden gewijzigd en keramische dakpannen mocht worden aangebracht. Ook mocht de indeling van de woonruimte worden gewijzigd waardoor één grote woonkamer is gerealiseerd. Uit dit samenstel van wijzigingen volgt dat die bouwvergunning meer toestond dan op grond van het in 2.32.4.1. vermelde bouwovergangsrecht was toegestaan.

2.32.8. Nu bovendien het gebruik als woning ingevolge artikel 56 van het voorheen geldende plan onder het overgangsrecht van dat plan mocht worden voortgezet en mitsdien ook ingevolge artikel30, lid 30.2, van de voorschriften bij het voorliggende plan mag worden voortgezet, is het standpunt van het college, in navolging van de raad, dat tegen het gebruik van het pand als woning nog handhavend kan worden opgetreden, rechtens onjuist.

2.32.9. Voorts vermeldt het deskundigenbericht, dat - anders dan de raad stelt - van een conflicterend belang met een nabij gelegen agrarisch bedrijf geen sprake is. Het college noch de raad hebben dit ter zitting weersproken.

2.32.10. Ook overigens heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat de situatie op het perceel [locatie 53] niet voldoet aan de beleidsuitgangspunten die bij de planvaststelling zijn gehanteerd voor de beoordeling en planologische regeling voor bestaande (burger)woningen in het buitengebied.

2.32.11. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat dit plandeel is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door dit plandeel niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woningen" zonder aanduiding omtrent het aantal woningen voor het perceel [locatie 54 en 53].

De Afdeling ziet op grond van het vorenstaande aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

Het beroep van [appellanten sub 12]

2.33. [appellanten sub 12] stellen in beroep dat ten onrechte geen bestemming "Woningen" is toegekend aan hun perceel [locatie 55]. Zij achten de toegekende aanduiding 'V' (vakantiewoning toegestaan) onjuist, omdat volledig wordt voldaan aan de voorwaarden die de raad heeft gehanteerd voor toekenning van een woonbestemming. De woning is naar hun stelling tussen 1945 en 1960 gebouwd en wordt sinds de jaren '60 permanent bewoond.

2.33.1. De raad heeft voor het perceel voorzien in de aanduiding 'V' (vakantiewoning toegestaan) en niet in de bestemming "Woningen". Daarbij is overwogen dat het op het perceel aanwezige pand incidenteel wordt bewoond, bouwvergunningen zijn verleend voor renovatie van een vakantiewoning en het pand ook eerder is gekwalificeerd als vakantiewoning.

2.33.2. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd. Daarbij heeft het college overwogen dat omzetting van een recreatiewoning naar een burgerwoning of bedrijfswoning in het provinciale beleid alleen is toegestaan, indien de (bedrijfs)woning binnen een woonwijk of op een bedrijventerrein wordt gesitueerd. Daarvan is, aldus het college, geen sprake.

2.33.3. De gronden van het perceel [locatie 55] zijn op plankaart 1 aangewezen voor "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of aardkundige waarden - Alca-" en op plankaart 2 voorzien van de aanduiding 'V' (vakantiehuisje toegestaan).

Ingevolge artikel 7, lid 7.1.1, van de planvoorschriften zijn deze gronden daarmee bestemd voor

a. agrarische bedrijfsuitoefening, in de vorm van agrarische bodemexploitatie;

b instandhouding van (beperkt) natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en aardkundige waarden;

c. [..];

d. extensief dagrecreatief medegebruik.

De in artikel 7, lid 7.2, van de planvoorschriften opgenomen bouwvoorschriften vermelden dat de aldus bestemde gronden, behoudens vrijstelling uitsluitend mogen worden bebouwd met:

a [..],

b [..],

c. vakantiehuisjes, uitsluitend voor zover het betreft als zodanig bestaande legale bebouwing die op plankaart 2 nader is aangeduid met 'V' (vakantiehuisje toegestaan), en waarbij de bestaande oppervlakte, inhoud, goothoogte en hoogte als maximum gelden.

2.33.4. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" van 1983 waren de gronden aangewezen als "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (ALW)" zonder bebouwingsvlak. De in artikel 7, lid C I, van de voorschriften bij dat plan opgenomen gebruiksbepalingen vermelden dat het verboden is de gronden te gebruiken voor het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens.

2.33.5. [appellanten sub 12] hebben hun stelling dat het pand tussen 1945 en 1960 als woning is gebouwd niet aannemelijk gemaakt. De oorspronkelijke bouwvergunning is niet meer beschikbaar. Evenmin hebben zij hun stelling aannemelijk gemaakt dat het pand sinds 1960 permanent en ononderbroken is bewoond.

[appellant sub 12 A] heeft het perceel in 1996 gekocht. Desgevraagd heeft de directeur Grondgebiedszaken namens het college van burgemeester en wethouders bij brief van 7 oktober 1996 bericht dat geen medewerking zal worden verleend om door middel van een wijziging van het bestemmingsplan aan het perceel een woonbestemming te geven.

Bij besluit van 7 mei 1998 is [appellant sub 12 A] op zijn verzoek bouwvergunning verleend voor het renoveren van een recreatiebungalow. Uit het woningregister van de gemeente Uden volgt dat [appellant sub 12 A] zich in november 1997 op dit adres heeft laten inschrijven.

Voor zover sedertdien sprake is van permanente bewoning, is die bewoning derhalve aangevangen na de inwerkingtreding van het voorheen geldende plan (april 1990), zodat het met dat plan strijdige gebruik niet door het overgangsrecht van dat plan wordt beschermd en [appellanten sub 12] daaraan geen rechten kunnen ontlenen.

2.33.6. Voorts is niet in geschil dat het streekplan omzetting van een recreatiewoning in een burgerwoning alleen toestaat als die recreatiewoning in een woonwijk is of wordt opgenomen. Daarvan is in dit geval geen sprake.

2.33.7. Ook faalt het betoog van [appellanten sub 12] dat zij aan het gemeentelijke beleid dat is gehanteerd bij de vaststelling van het bestemmingsplan een recht kunnen ontlenen op een woonbestemming. Mede in aanmerking genomen hetgeen onder 2.33.5 is overwogen, hebben [appellanten sub 12] niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoen aan de voorwaarde voor toepassing van dat beleid dat tegen het strijdige gebruik niet meer handhavend kan worden opgetreden.

2.33.8. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 12] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 12] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 13]

2.34. [appellante sub 13] voert in beroep aan dat ten onrechte voor het perceel [locatie 58 en 56] geen tweede woning is toegestaan. Zij stelt dat volledig wordt voldaan aan de voorwaarden die de raad heeft gehanteerd voor toekenning van een woonbestemming. Zij betwist dat nog handhavend kan worden opgetreden tegen de bewoning van het tweede pand ([locatie 56]) op het perceel. Ook acht zij het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel geschonden. Zij heeft ter onderbouwing van haar beroep op het vertrouwensbeginsel betoogd dat bij de verkoop van een strook grond aan de gemeente voor de aanleg van een fietspad is overeengekomen dat voor dat tweede pand (een voormalige garage) "een blijvende woonvergunning" zou worden verleend en dat dit pand bij de eerstvolgende herziening van het bestemmingsplan een woonbestemming zou krijgen. Ter motivering van haar beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft [appellante sub 13] in haar beroepschrift gewezen op het perceel [locatie 57]. Daarin is, naar haar stelling, ook van gemeentewege toestemming verleend tot bewoning van een bijgebouw.

In haar reactie op het deskundigenbericht heeft [appellante sub 13] ter motivering van haar beroep op het gelijkheidsbeginsel gewezen op 12 gevallen, waarin een woonbestemming is toegekend ondanks de ligging van die percelen tussen de 45 en 60 KE contouren van het vliegveld Volkel.

2.34.1. De raad heeft uit ruimtelijke overwegingen en omdat het perceel binnen de KE-zonering van het vliegveld Volkel ligt voor het perceel [locatie 58 en 56] niet voorzien in een woonbestemming voor het pand [locatie 56].

2.34.2. Het college heeft goedkeuring verleend aan het plandeel. Daarbij heeft het college overwogen dat voor de bouw van de woning [locatie 56] geen bouwvergunning is verleend en dat het gemeentebestuur te kennen heeft gegeven dat handhavend optreden in de rede ligt. Het college stelt zich daarom op het standpunt dat niet wordt voldaan aan de beleidsuitgangspunten die bij de planvaststelling zijn gehanteerd voor de beoordeling en planologische regeling voor bestaande (burger)woningen in het buitengebied. Bovendien sluit het streekplanbeleid nieuwvestiging van burgerwoningen in het buitengebied uit. Het college acht zich in het algemeen niet gebonden aan een toezegging die door het gemeentebestuur is gedaan.

2.34.3. De gronden van het perceel [locatie 58 en 56] zijn op plankaart 2 aangewezen voor "Woningen" zonder nadere aanduiding (omtrent het aantal woningen).

Daarmee zijn de gronden ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planvoorschriften - voor zover thans van belang - bestemd voor woondoeleinden.

Uit de in artikel 18, lid 18.2, van de planvoorschriften opgenomen bouwvoorschriften volgt dat op de aldus bestemde gronden per bouwblok niet meer dan 1 vrijstaande woning is toegestaan, tenzij op plankaart 2 een ander maximum aantal is aangegeven, waarbij die woningen dan uitsluitend aan(een)gebouwd mogen worden.

De gronden liggen op plankaart 3b, Ontwikkelingen, tussen de 45 KE en 65 KE geluidscontour van het vliegveld Volkel.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit geluidsbelasting grote luchtvaart is 35 Kosteneenheden de maximaal toelaatbare geluidsbelasting van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en woonwagenstandplaatsen die op het tijdstip van vaststelling van de geluidszone daarbinnen nog niet aanwezig zijn en waarvoor nog geen bouwvergunning is verleend. Ingevolge artikel 5 van dat besluit is in afwijking van artikel 4, eerste lid, de maximaal toelaatbare geluidsbelasting 40 KE [..] voor woningen [..] die zullen dienen ter vervanging van op die plaats reeds aanwezige bebouwing, niet zijnde woningen [..] of voor woningen.

2.34.4. De gronden waren in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" van 1983 deels aangewezen als "Agrarisch gebied, klasse B (AB)" zonder bebouwingsvlak. Die gronden waren daarmee ingevolge artikel 4 van de voorschriften bij dat plan bestemd voor agrarische bedrijfsvoering.

De gronden waren deels ook aangewezen als "Woondoeleinden (W)". Die gronden waren daarmee ingevolge artikel 25 van de voorschriften bestemd voor woningen, waarbij op grond van de bebouwingsbepalingen per bestemming als hoofdgebouw uitsluitend één vrijstaande woning mocht worden gebouwd. Niet in geschil is dat dit de woning [locatie 58] betreft.

2.34.5. Evenmin is in geschil dat bij besluit van 14 juni 1988 bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een garage/berging op het perceel ter plaatse van het pand [locatie 56], maar dat daar in afwijking van die vergunning een woning is gebouwd.

Het college stelt zich gelet hierop terecht op het standpunt dat tegen het in afwijking van die vergunning oprichten van een woning nog handhavend kan worden opgetreden en dat daarmee een einde aan de bewoning van het pand kan worden gemaakt.

2.34.6. Ook stelt het college terecht dat toekenning in dit plan van de bestemming "Woningen" met de aanduiding 'W2' voor het perceel het toevoegen van een burgerwoning in het buitengebied betreft en dat dit in strijd is met het provinciale beleid. Dat staat toevoeging van burgerwoningen door nieuwbouw of splitsing van gebouwen in beginsel niet toe.

2.34.7. Voorts is niet betwist dat het perceel tussen de 45 en 65 KE contouren van het vliegveld Volkel ligt en dat, zoals uit het hiervoor onder 2.34.3. overwogene volgt, de maximaal toelaatbare geluidsbelasting voor nog niet (legaal) aanwezige woningen vanwege het vliegveld Volkel ter plaatse zal worden overschreden.

2.34.8. Over het betoog van [appellante sub 13] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. In het bedenkingengeschrift staat dat een wethouder (portefeuillehouder) mondeling zou hebben ingestemd met de voorwaarde dat de voormalige garage bij de eerstvolgende herziening van het bestemmingsplan een woonbestemming zou krijgen. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust evenwel - wat er ook zij van een gedane toezegging - niet bij een wethouder, maar bij de raad. De raad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld.

2.34.9. Voor zover [appellante sub 13] haar beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft gemotiveerd met verwijzing naar het pand Duifhuizerweg 12a, ten aanzien waarvan van gemeentewege toestemming zou zijn verleend tot bewoning van een bijgebouw, kan dit beroep mede gelet op hetgeen in 2.34.8. is overwogen evenmin slagen. [appellante sub 13] heeft niet aannemelijk gemaakt, dat door of namens het college van burgemeester en wethouders toestemming is verleend tot bewoning van het pand [locatie 56].

2.34.10. Wel slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel voor zover [appellante sub 13] in haar reactie op het deskundigenbericht heeft gewezen op 12 gevallen, waarin naar haar stelling een woonbestemming is toegekend ondanks de ligging van die percelen tussen de 45 en 60 KE contouren van het vliegveld Volkel. Het college noch de raad heeft schriftelijk gereageerd op dit betoog naar aanleiding van het deskundigenbericht. Ook ter zitting heeft de raad noch het college dit beroep op het gelijkheidsbeginsel kunnen weerleggen.

2.34.11. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 13] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellante sub 13] is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 15]

2.35. [appellant sub 15] voert in beroep aan dat voor zijn pand [locatie 59] ten onrechte is voorzien in een woonbestemming. Hij betwist dat zijn bedrijfsactiviteiten van te beperkte omvang zijn voor een bedrijfsbestemming. De bebouwingsconcentratie Asseldonk/Moleneind voorziet, naar zijn stelling, juist in de mogelijkheid tot vestiging van kleinschalige en middelschalige bedrijvigheid. Bovendien staat de toegekende bestemming "Woningen" geen uitbreiding toe van zijn schuur voor het stallen van zijn veewagen en trailer. Ook acht hij het toegekende bouwblok te klein voor de ontwikkeling van zijn bedrijfsactiviteiten.

2.35.1. De raad heeft voor het perceel [locatie 59 en 60] voorzien in de bestemming "Woningen" met de aanduiding 'W2'. De raad merkt de bedrijfsmatige activiteiten van [appellant sub 15] op het perceel, bestaande uit het stallen en opslaan van een vrachtwagen, een trailer, een jeep en diesel, anders dan onder het voorheen geldende plan, niet langer aan als een agrarisch nevenbedrijf of als een agrarisch technisch hulpbedrijf, maar als niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid. Gelet op de beperkte omvang van de bedrijfsactiviteiten, acht de raad een bestemming "Woningen" toereikend. De raad heeft die activiteiten daarmee bewust onder het overgangsrecht gebracht.

2.35.2. Het college heeft de bestemming en aanduiding - onder overneming van de motivering van de raad - goedgekeurd.

2.35.3. [appellant sub 15] heeft op de gronden [locatie 59] een varkenshandel en veetransportbedrijf. De administratie van het bedrijf wordt in de woning verricht. De schuur die op het perceel staat, wordt gebruikt voor de opslag van diesel en van zaagsel, waarmee de laadvloer van de veewagen wordt bestrooid. De veewagen en een trailer worden geparkeerd op het erf, omdat de schuur te klein is. Een verzoek tot vergroting van de schuur is afgewezen.

2.35.4. De gronden waren in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" van 1983 aangewezen als "Agrarische nevenbedrijven en agrarisch technische hulpbedrijven, met bijbehorende erven" en waren aangeduid met een bouwvlak.

Daarmee waren de gronden ingevolge artikel 15 van de voorschriften bij dat plan bestemd voor agrarische nevenbedrijven en agrarisch-technische hulpbedrijven, met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen, andere bouwwerken en andere werken en open erven.

Ingevolge de in artikel 1 van de voorschriften opgenomen begripsbepalingen werd in dat plan onder 'agrarisch nevenbedrijf' verstaan: een bedrijf, waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht door de levering van produkten, welke rechtstreeks ten dienste staan aan een agrarisch bedrijf, dan wel door opslag, vervoer of verhandeling van produkten die in het agrarisch bedrijf zijn voortgebracht.

2.35.5. Niet in geschil is dat de veetransport- en veehandelsbedrijfsactiviteiten en de op het perceel aanwezige schuur in het voorheen geldende plan als zodanig waren bestemd.

2.35.6. De gronden van het perceel [locatie 59 en 60] zijn in het huidige plan op plankaart 2 aangewezen voor "Woningen" met de aanduiding 'W2'.

Daarmee zijn de gronden ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planvoorschriften bestemd voor

a woondoeleinden;

b aan huis verbonden beroepen of dienstverlening.

c [..];

d [..].

De in artikel 18, lid 18.2, van de planvoorschriften opgenomen bouwvoorschriften vermelden dat de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen per woning niet meer mag bedragen dan 100 m2.

Ingevolge de in artikel 1 van de voorschriften opgenomen begripsbepalingen wordt in dit plan onder 'aan huis verbonden beroep of dienstverlening' verstaan: een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en/of bijbehorende aan- en/of bijgebouwen met behoud van de hoofdfunctie wonen kan worden uitgeoefend.

Een veetransport- en/of veehandelsbedrijf valt blijkens de toelichting bij de begripsbepaling onder het begrip: 'agrarisch technisch hulpbedrijf' dat blijkens de begripsbepalingen in het plan wordt aangeduid als 'niet-agrarisch bedrijf/functie': een bedrijf/functie, geen agrarisch bedrijf of geen woning zijnde.

2.35.7. Uit de planvoorschriften als vermeld onder 2.35.6. volgt dat een veetransport- en/of veehandelsbedrijf niet een aan huis verbonden beroep of dienstverlening betreft als bedoeld in artikel 18, lid 18.1, van de planvoorschriften opgenomen doeleindenomschrijving behorende bij de bestemming 'Woningen". Ook de op het perceel aanwezige schuur, die blijkens het deskundigenbericht een oppervlakte heeft van 243 m2, overschrijdt het ingevolge artikel 18, lid 18.2, van de planvoorschriften geldende maximum van 100 m2.

2.35.8. De veetransport- en veehandelsbedrijfsactiviteiten en de op het perceel aanwezige schuur zijn derhalve in dit plan niet als zodanig bestemd. Er is echter niet aannemelijk gemaakt dat de veetransport- en veehandelsbedrijfsactiviteiten binnen de planperiode zullen zijn beëindigd.

2.35.9. Ten aanzien van het standpunt van het college en de raad dat de omvang van de bedrijfsactiviteiten te beperkt is voor toekenning van een bestemming "Niet agrarisch bedrijf/functie" overweegt de Afdeling dat uit het deskundigenbericht volgt dat [appellant sub 15] full time voor het bedrijf werkt, zijn echtgenote voor 15 à 20 uur per week en dat het bedrijf voor één dag per week arbeid biedt aan een arbeidskracht.

2.35.10. Hetgeen [appellant sub 15] heeft aangevoerd geeft aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door dit plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 15] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Woningen" en de aanduiding 'W2' voor het perceel [locatie 59 en 60].

De Afdeling ziet voorts aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

Het beroep van [appellanten sub 20]

2.36. [appellanten sub 20] voeren in beroep aan dat ten onrechte niet is voorzien in een bouwmogelijkheid voor hun perceel [locatie 61], kadastraal bekend als [gemeente], sectie […], nr. […].

Zij betwisten het standpunt van de raad dat eerst nog een bredere ruimtelijke afweging dient plaats te vinden. Weliswaar ligt het perceel in een gebied dat in de gebiedsvisie voor de kernrandzone "Lagenheuvel" is aangeduid als zoekgebied voor woningbouw, maar nu hun concrete bouwplannen, die passen binnen die gebiedsvisie, bekend waren, had naar hun stelling een afweging gemaakt kunnen en moeten worden.

Ten aanzien van de ligging van het perceel binnen de KE-geluidscontour van het vliegveld Volkel, merken zij op dat die contour op korte termijn zal verdwijnen. Naar hun stelling hadden de raad en het college daarop moeten anticiperen.

Zij doen voorts een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

2.36.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij omtrent de 13 gebiedsvisies die bij het plan zijn gevoegd eerst nog een besluit moet nemen over de uitgangspunten van de bebouwingsconcentraties waarop die gebiedsvisies betrekking hebben. Daarbij spelen, aldus de raad, ook randvoorwaarden als toekomstige verkeerskundige maatregelen en voorzieningen een rol. Toekenning van een bouwmogelijkheid aan het perceel acht de raad prematuur.

2.36.2. Het college heeft het plandeel goedgekeurd. Hij onderschrijft het standpunt van de raad dat het perceel onderdeel is van een gebied dat in een gebiedsvisie - waarin huidige en toekomstig mogelijke ontwikkelingen zijn vermeld - is aangewezen als zoeklocatie voor woningbouw. Een zoekgebied, aldus het college, is indicatief en levert geen bouwrechten op voor een concreet perceel, maar vormt een startpunt voor een ruimtelijke procedure.

2.36.3. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, volgt dat het perceel van [appellanten sub 20] deel uitmaakt van de kernrandzone "Lagenheuvel" die zich uitstrekt langs de Lagenheuvelstraat. Binnen de kernrandzone staat verspreide bebouwing waarin wordt gewoond, maar er komt ook kleinschalige (niet agrarische) bedrijvigheid voor.

Het perceel van [appellanten sub 20] is onbebouwd en maakt een wat verwilderde indruk. Er ligt een verhard pad en er staat een kleine loods. Het perceel is afgescheiden van de weg door middel van hekken.

[appellanten sub 20] willen op het perceel twee woningen met bedrijfsruimte voor kleinschalige bedrijvigheid bouwen.

2.36.4. De gronden zijn op plankaart 1 aangewezen als "Agrarisch gebied -Ag-" en zijn op plankaart 2 niet voorzien van een nadere aanduiding. Daarmee zijn de gronden ingevolge artikel 8, lid 8.1.1, van de planvoorschriften - voor zover thans van belang - bestemd voor agrarische beroepsuitoefening, in de vorm van agrarische bodemexploitatie en mogen er alleen kleine bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op het perceel worden gebouwd.

Op plankaart 3a, Ontwikkelingen, ligt het perceel binnen de aanduiding 'nader begrensde bebouwingsconcentratie' met daarbinnen aangebracht het cijfer 10. Daarmee ligt het perceel blijkens de als bijlage 2 bij de plantoelichting gevoegde 'Beleidsnotitie nader begrensde bebouwingsconcentraties in het buitengebied van Uden' in de bebouwingsconcentratie 'Lagenheuvel (Kernrand)'. De tekst van deze beleidsnotitie vermeldt dat dit gebied zeer authentiek oogt en voornamelijk bestaat uit met zorg gerestaureerde voormalige boerderijen. De gronden zijn voornamelijk in gebruik als weiland voor kleinschalige extensieve veehouderijen en hoobyboeren. De nabijheid van het stedelijk gebied van (bedrijventerrein) Volkel en de goede verbindingen met Uden en de omliggende gebieden (Rondweg Volkel , Zeelandsedijk) bieden veel potenties voor bedrijfjes. De kleinschaligheid van het gebied, de omvang van de bebouwingsconcentratie en de nabijheid van de bedrijvigheid leggen een behoorlijke beperking op aan de toekomstige ontwikkelingen van het gebied. In het cluster zelf zullen, aldus deze beleidsnotitie, weinig functies kunnen worden toegevoegd. De overgang van het (woon)gebied naar het bedrijventerrein biedt echter wel degelijk mogelijkheden voor functies (groenontwikkeling, wonen) die deze overgang geleidelijker kunnen laten verlopen. Hierbij kan, aldus de beleidsnotitie, gedacht worden aan (kleinschalige) ambachtelijke bedrijven in leegstaande bebouwing. Door de slechte interne, maar uitstekende externe ontsluiting kan gedacht worden de doorgaande weg op te knippen waardoor verkeersoverlast door sluipverkeer wordt voorkomen. Als mogelijke functies worden in de beleidsnotitie onder meer genoemd ambachtelijk-dienstverlenend bedrijf in de categorie 1 en 2.

Op plankaart 3b, Ontwikkelingen, ligt het perceel binnen de 45 KE contour van het vliegveld Volkel.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit geluidsbelasting grote luchtvaart is 35 Kosteneenheden de maximaal toelaatbare geluidsbelasting van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en woonwagenstandplaatsen die op het tijdstip van vaststelling van de geluidszone daarbinnen nog niet aanwezig zijn en waarvoor nog geen bouwvergunning is verleend. Ingevolge artikel 5 van dat besluit is in afwijking van artikel 4, eerste lid, de maximaal toelaatbare geluidsbelasting [..] 40 KE [..] voor woningen [..] die zullen dienen ter vervanging van op die plaats reeds aanwezige bebouwing, niet zijnde woningen [..] of voor woningen.

2.36.5. Het standpunt van het college dat [appellanten sub 20] aan de ligging van hun perceel binnen een bij het plan aangeduide, nader begrensde bebouwingsconcentratie geen recht kunnen ontlenen op toekenning in dit plan van bouwrechten voor dat perceel voordat het zoekgebied 'nieuwe ontwikkelingen naar wonen' tot op perceelsniveau breder planologisch is afgewogen, is op zichzelf niet onjuist of onredelijk.

De bedenking van [appellanten sub 20] dat hun ingediende plan voor bebouwing van het perceel reeds zodanig concreet was uitgewerkt, dat daarmee die bredere planologische afweging kon worden gemaakt, behoefde het college niet te leiden tot het standpunt dat een bestemming met bouwmogelijkheid was aangewezen. Immers het perceel ligt naar in 2.36.4 overwogen - binnen de 45 KE-geluidscontour van het vliegveld Volkel, waardoor de maximaal toelaatbare geluidsbelasting van 40 KE wordt overschreden. Anders dan [appellanten sub 20] betogen diende het college met de ligging van het perceel binnen die geluidscontour rekening te houden. In zoverre faalt het betoog van [appellanten sub 20].

2.36.6. Wel slaagt hun beroep op het gelijkheidsbeginsel. In hun beroepschrift hebben zij 6 percelen in de directe nabijheid van hun perceel genoemd ten aanzien waarvan de raad naar hun stelling, wel heeft voorzien in een bouwmogelijkheid voor een woning en waaraan het college goedkeuring heeft verleend. Tijdens het vooronderzoek van dit geding heeft noch het college noch de gemeenteraad gereageerd op dit gemotiveerde betoog. Eerst ter zitting heeft de gemeenteraad desgevraagd een aanzet gegeven tot weerlegging van het betoog. Daarmee is evenwel onvoldoende kenbaar en inzichtelijk gemaakt om welke reden de door [appellanten sub 20] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel is dan ook onvoldoende weerlegd.

2.36.7. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 20] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre het dit plandeel betreft niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellanten sub 20] is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

Recreatiebedrijven en -terreinen (artikel 22)

Het beroep van [appellant sub 28]

2.37. [appellant sub 28] richt zich in beroep tegen de omvang van het toegekende bestemmingsvlak voor zijn camping aan de Kraaienweg 1, tegen de bestemmingsregeling voor (slechts) 25 kampeermiddelen en tegen het vervallen van zijn agrarische bouwblok.

Hij stelt dat er al decennia lang 56 standplaatsen en 15 toeristische plaatsen zijn en dat die - voor zover niet vergund - dermate lang zijn gedoogd dat handhavend optreden daartegen niet meer mogelijk is. Naar zijn stelling had het plan een maatoplossing moeten bevatten, waarvoor hij verschillende voorstellen heeft gedaan. Nu is ten onrechte noch de bestaande situatie noch de gewenste situatie in het plan opgenomen. Het college gaat er naar zijn stelling bovendien ten onrechte vanuit dat het gemeentebestuur overleg is begonnen met andere overheden om tot een oplossing op maat voor zijn camping te komen.

Verder acht hij de motivering van het college dat zijn agrarische bedrijfsactiviteiten niet langer een agrarisch bouwblok zouden rechtvaardigen, oncontroleerbaar en onjuist. Hij acht het niet langer als zodanig bestemmen van een bestaande activiteit in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

2.37.1. De raad heeft bij de planvaststelling, in afwachting van de uitkomsten van nader overleg met andere overheden voor een oplossing op maat ten aanzien van de camping, voor de gronden van [appellant sub 28] een bestemmingsvlak "Recreatiebedrijven en -terreinen" opgenomen voor 25 kampeermiddelen. De raad is hiertoe overgegaan, omdat hem gebleken is dat voor de camping - vanwege de ligging in een natuurkerngebied - geen mogelijkheid voor uitbreiding dan wel verlegging aanwezig is.

2.37.2. Het college heeft het plandeel goedgekeurd. Het kan instemmen met een conserverende bestemming in afwachting van nader overleg met andere overheidsinstanties om een oplossing te vinden voor deze, in een natuurkerngebied gelegen camping, waarop meer kampeermiddelen zijn geplaatst dan op grond van een in het verleden verleende vergunning was toegestaan. In afwachting van de resultaten van dat nadere overleg acht het college het ongewenst en in strijd met het streekplan om een uitbreiding van het bestemmingsvlak "Recreatiebedrijven en -terreinen" toe te staan en/of meer kampeermiddelen toe te staan dan vergund.

Ten aanzien van het niet opnemen in het plan van een agrarisch bouwblok voor een deel van het perceel, staat het college op het standpunt dat de agrarische bedrijfsactiviteiten niet langer voldoen aan het criterium van volwaardigheid. Het gebruik van de bebouwing voor stalling van landbouwmachines, opslag van hooi en dergelijke kan naar de stelling van het college worden voortgezet op grond van dit plan. Hij acht de recreatieve bestemming in overeenstemming met de feitelijke situatie.

2.37.3. [appellant sub 28] heeft ter plaatse een camping. De camping ligt voor een groot deel in het natuurgebied De Slabroekse Bergen, een natuurgebied met reliëfverschillen en plaatselijk zandverstuivingen. Op de gronden bevinden zich permanent 56 stacaravans, voor een deel in een zeer kwetsbaar gedeelte van het natuurgebied. Op een veld zijn 25 toeristische plaatsen ingericht, waar tenten of toercaravans enkele dagen of weken geplaatst kunnen worden.

Op de gronden staan ten behoeve van de camping een afwasruimte met twee (reserve)douches, een sanitairgebouw en een gebouw waar recreatieactiviteiten plaatsvinden.

Verder staan op de gronden een boerderij, waarin de ouders van [appellant sub 28] wonen, een oude ligboxenstal, die in gebruik is voor de opslag van hooi en landbouwmachines, een garage, twee oude loodsen en een oude paardenstal. Aansluitend aan deze gronden heeft [appellant sub 28] 13 hectare gronden in agrarisch gebruik, deels voor het weiden van paarden en deels voor het verbouwen van maïs.

2.37.4. De gronden van de camping zijn - naar ter zitting is vastgesteld - met inbegrip van de gronden waarop de boerderij met bijbehorende bebouwing staat, op plankaart 2 aangewezen met de detailbestemming "Recreatiebedrijven en -terreinen" met de aanduiding '3' (Kraaienven).

Daarmee zijn deze gronden ingevolge artikel 22, lid 22.1, aanhef en onder c, van de planvoorschriften bestemd voor verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van de bedrijfsmatige exploitatie van een kampeerterrein voor niet meer dan 25 kampeermiddelen en voor behoud en herstel van het bestaande bos of natuurterrein.

Op of in deze gronden mogen ingevolge artikel 22, lid 22.2.3, geen bouwwerken worden gebouwd.

2.37.5. De landbouwgronden van [appellant sub 28] zijn op plankaart 1 aangewezen als "Agrarisch gebied met natuurwaarden (AN)". Op plankaart 2 is niet voorzien in een aanduiding 'G' (gebouwen toegestaan) voor deze gronden.

Daarmee zijn deze gronden ingevolge artikel 6, lid 6.1.1, van de planvoorschriften bestemd voor

a agrarische bedrijfsuitoefening, in de vorm van agrarische bodemexploitatie;

b instandhouding van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en aardkundige waarden;

c [..]

d extensief dagrecreatief medegebruik.

Deze gronden mogen ingevolge artikel 6, lid 6.2, behoudens vrijstelling, niet worden bebouwd uitgezonderd kleine schuilgelegenheden voor vee, dierenverblijven of veldschuren, uitsluitend voor zover het betreft als zodanig bestaande legale bebouwing die op plankaart 2 nader is aangeduid als 'G', gebouwen toegestaan. Daarbij gelden de bestaande oppervlakte, goothoogte en hoogte als maximum.

Vervallen agrarisch bouwblok

2.37.6. Uit 2.37.5. volgt dat in dit plan voor de gronden van [appellant sub 28] geen agrarisch bouwblok is opgenomen. Dat was in het voorheen geldende plan wel het geval.

Het college en de raad hebben ter zitting toegelicht dat bij het antwoord op de vraag of een agrarisch bouwblok diende te worden toegekend, met name de (economische) omvang en aard van de bestaande bedrijven is bezien. Bij 'nevenberoepsbedrijven'- met een globale omvang van 10 tot 35 Nederlandse grootte eenheden (Nge) - is kritisch bezien of er in ruimtelijk-functioneel opzicht nog sprake is van een zodanige bedrijfsmatige agrarische activiteit ter plaatse van de bedrijfslocatie, dat daaraan al of niet nog een agrarisch bouwblok toegekend moet worden. Daarbij is niet alleen gekeken naar de bedrijfsomvang, maar ook naar de vergunningsituatie en het toekomstperspectief, mede in relatie tot de aard en omvang van het bedrijf. Op grond van nader onderzoek is de gevolgtrekking gemaakt dat de bedrijfsmatige agrarische activiteiten van [appellant sub 28], mede vanwege de ligging van de bedrijfsgebouwen op het campingterrein, minder dan 10 Nge bedragen en dat geen agrarisch toekomstperspectief meer aanwezig is. [appellant sub 28] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt van het college in navolging van de raad onjuist is. Daarbij is in aanmerking genomen dat ook het deskundigenbericht vermeldt dat de omvang van de agrarische activiteiten onduidelijk is.

Het betoog van [appellant sub 28] dat ten onrechte geen agrarisch bouwperceel in het plan is opgenomen, faalt derhalve.

Omvang en regeling van bestemmingsvlak "Recreatievebedrijven en -terreinen".

2.37.7. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" van 1983 was aan de gronden waar de stacaravans staan de bestemming "Natuurgebieden (LNG)" toegekend met de aanduiding 'verblijfsrecreatie toegestaan' met daarbinnen het cijfer '25'.

Bij de eerste partiële herziening van dat plan in 1993 is de oppervlakte van het gebied waarvoor die bestemming gold, enigszins vergroot. De omvang van de aanduiding 'verblijfsrecreatie toegestaan' met daarbinnen het cijfer '25' is ongewijzigd gebleven.

Daarmee waren deze gronden ingevolge artikel 12 van de voorschriften bij die plannen bestemd voor:

- loofhout- en naaldhoutbossen, zandverstuivingen, heidevelden, hooilanden, natuurlijke grasvegetaties en waterlopen;

- het behoud, herstel en/of de versterking van de aan deze gronden eigen zijnde landschappelijke en natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarde;

[..]

- voor extensieve dagrecreatie.

Op deze gronden mochten, met uitzondering van terreinafscheidingen tot een hoogte van niet meer dan 1 m geen gebouwen of andere bouwwerken worden gebouwd.

Het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens was in lid C uitdrukkelijk aangemerkt als strijdig gebruik. Dat verbod was evenwel niet van toepassing op het geplaatst houden van kampeermiddelen op gronden welke op de kaart waren aangeduid met 'verblijfsrecreatie toegestaan' met dien verstande dat niet meer kampeermidelen mochten worden geplaatst dan is aangeduid binnen het betreffende gebied.

2.37.8. [appellant sub 28] kan derhalve aan het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" geen recht ontlenen op een groter bestemmingsvlak "Recreatiebedrijven en -terreinen" noch op een bestemmingsregeling die meer dan 25 kampeerplaatsen toestaat.

Voorts is niet in geschil dat uitbreiding en intensivering van de bestemming "Recreatiebedrijven en -terreinen" voor de gronden van de camping die in het natuurkerngebied De Slabroekse Bergen liggen, in strijd is met het streekplan beleid.

Het college behoefde in het betoog van [appellant sub 28] dat zijn recreatiebedrijf als zodanig in dit plan dient te worden opgenomen, omdat daartegen jarenlang niet handhavend is opgetreden, op zichzelf geen aanleiding te zien van het streekplanbeleid af te wijken. Immers het betreft hier gebruik van de gronden dat onder de voorheen geldende bestemmingsplannen niet was toegestaan.

Het college heeft zich in navolging van de raad op het standpunt kunnen stellen dat eerst alle in geding zijnde mogelijkheden en belangen gedegen moeten worden onderzocht en afgewogen. Nu voor een afgewogen beslissing, naar ter zitting voldoende aannemelijk is gemaakt, nader overleg met andere overheden dient plaats te vinden, is het niet onjuist of onredelijk dat het college in afwachting van de uitkomsten van dat nader overleg heeft ingestemd met een bestemmingsregeling die niet meer dan toestaat dan de 25 kampeerplaatsen die reeds op grond van het voorheen geldende plan waren toegestaan. Daarbij is in aanmerking genomen dat ter zitting is verklaard dat zowel het college als de gemeenteraad de intentie hebben tot een spoedige oplossing van deze slepende situatie te komen en dat binnen enkele maanden van de zijde van het college daartoe een concreet voorstel zal worden gedaan.

Nu de goedkeuring van de thans voorliggende bestemmingsregeling geen wijzing brengt in de rechtspositie van [appellant sub 28] in vergelijking met de voorheen geldende bestemmingsplannen, wordt hij door dit uitstel van een definitieve beslissing omtrent de bestemming voor zijn gronden niet onevenredig in zijn belangen geschaad.

2.37.9. Dit neemt niet weg dat het college, in navolging van de raad, niet heeft onderkend dat de in artikel 22, lid 22.2.3, van de planvoorschriften opgenomen bouwvoorschriften bij de - specifiek voor het Kraaienven, zijnde de camping van [appellant sub 28] - toegekende bestemming de bouw van de op deze gronden aanwezige gebouwen niet toestaat. Die gebouwen zijn evenwel - hetzij voor recreatieve doeleinden hetzij voor agrarisch gebruik - met bouwvergunning gebouwd. Niet aannemelijk is gemaakt dat die bebouwing binnen de planperiode zal verdwijnen. Die gebouwen zijn dan ook ten onrechte niet als zodanig bestemd.

2.37.10. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 28] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Hieruit volgt dat het college, door dit plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het beroep van [appellant sub 28] is gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover het betreft het plandeel met de detailbestemming "Recreatiebedrijven en -terreinen" met de aanduiding '3' (Kraaienven) dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet voorts aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

Het beroep van [appellanten sub 6]

2.38. [appellanten sub 6] hebben ter zitting hun beroep ingetrokken voor zover dat betrekking heeft op enkele hectares bos, waarvan zij de eigendom hebben, en dat naar hun stelling in afwijking van het voorheen geldende plan niet is bestemd als "Kap- en gerief hout".

[appellanten sub 6] voeren in beroep verder aan dat een klein gedeelte van hun campingterrein aan de [locatie 62] - in het bosgebied - ten onrechte buiten het bestemmingsvlak "Recreatiebedrijven en -terreinen" valt. Daar zijn ook (drie) campingplaatsen.

2.38.1. De raad heeft de gronden ten zuiden van de camping, waar enkele hectares bos liggen, in het plan aangewezen als "Bosgebied -Bg-".

2.38.2. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd.

2.38.3. Bij de goedkeuring van het plandeel met bestemming "Bosgebied -Bg-" voor de gronden ten zuiden van de camping is het college niet ingegaan op de bedenkingen van [appellanten sub 6] tegen dit plandeel. Nu [appellanten sub 6] daartegen wel een bedenking hadden ingediend, had het college die bedenking niet buiten behandeling mogen laten. Het college is ook niet anderszins genoegzaam ingegaan op de vraag naar de aanvaardbaarheid van dit plandeel. Het betoog slaagt derhalve.

2.38.4. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 6] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met bestemming "Bosgebied -Bg-" voor de gronden ten zuiden van de [camping], ingeklemd tussen het [locaties].

Hergebruik van VAB's voor recreatie of andere buitengebied gebonden functies (wijziging) (artikel 27, lid 27.5.5.)

Het beroep van de raad van de gemeente Uden

2.39. De raad voert in beroep aan dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 27, lid 27.5.5, van de planvoorschriften. Hij betwist het standpunt van het college dat de voorschriften geen wijzigingsbevoegdheid ter zake bevatten. Hij acht het voorschrift ook voldoende duidelijk. Omdat het voorschrift is bedoeld als uitzondering ten aanzien van de functie recreatie - zoals geregeld in artikel 22 van de planvoorschriften voor de recreatiebedrijven en -terreinen -, bevat het een eigen, op zichzelf staand toetsingskader voor de vestiging van een nieuw recreatiebedrijf op een vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie (VAB).

2.39.1. Het college heeft goedkeuring onthouden aan artikel 27, lid 27.5.5, van de planvoorschriften.

Het college stelt zich op het standpunt dat de in dat artikel opgenomen voorwaarden voor wijziging van het plan niet zijn gekoppeld aan een wijzigingsbevoegdheid.

Verder acht hij het op grond van de wijzigingsvoorwaarden onduidelijk in welke bestemming de voormalige agrarische bedrijfslocatie (VAB) kan worden gewijzigd. Door de specifieke bestemmingsregeling voor recreatiebedrijven en - terreinen in artikel 22 van de planvoorschriften, ontbreekt naar de stelling van het college een algemene doeleindenomschrijving. Het college acht dit voorschrift te onbepaald.

2.39.2. Ingevolge artikel 26, lid 26.1, van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan wat betreft (onderdelen van) bestemmingen te wijzigen voor de in de tabel onder lid 2 genoemde ontwikkelingen/veranderingen, nadat daarover vooraf de in de tabel genoemde adviesinstantie(s) is (zijn) gehoord. [..]

Voor de toepassing van deze wijzigingsbevoegdheden vormt de beschrijving in hoofdlijnen, zoals vervat in artikel 27, het toetsingskader.

2.39.3. De zesde rij van de in artikel 26, lid 26.2, opgenomen 'tabel wijzigingen' bevat de mogelijkheid de bestemming "Agrarische bedrijven" (artikel 15) en de bestemming "Woningen" met de aanduiding VAB (voormalige agrarische bedrijfslocatie) (artikel 18) te wijzigen in de bestemming "Paardenhouderijen" (artikel 16) of de bestemming "Niet agrarische bedrijven/functies" (artikel 17) ten behoeve van hergebruik van voormalige agrarische bedrijfslocaties (VAB's) voor uiteenlopende functies.

In de vierde kolom van de zesde rij in deze tabel is vermeld dat daarbij de artikel 27, leden 27.1 en 27.5.2 tot en met 27.5.6 en lid 27.5.8 als toetsingscriteria gelden.

Onder het opschrift 'Hergebruik van VAB's voor recreatie of andere aan het buitengebied gebonden functies (wijziging)' is ingevolge artikel 27, lid 27.5.5, hergebruik van een vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie voor dag- en/of verblijfsrecreatie of andere buitengebied gebonden functies toegestaan als wordt voldaan aan de nader in dat voorschrift gestelde voorwaarden.

2.39.4. Ter zitting heeft het college zijn standpunt in zoverre gewijzigd dat hij erkent dat in artikel 26, lid 26.2, van de planvoorschriften een bevoegdheid tot wijziging van het plan is opgenomen voor hergebruik van voormalige agrarische bedrijfslocaties (VAB's) voor uiteenlopende functies, waaronder de functie 'recreatie'. In zoverre slaagt het betoog van de raad.

2.39.5. Het college heeft zich evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat noch artikel 26, lid 26.2, van de planvoorschriften noch de in artikel 27, lid 27.5.5, van die voorschriften opgenomen voorwaarden voor wijziging van het plan preciseren in welke functie 'recreatie' het plan kan worden gewijzigd en hoe die functie zich verhoudt tot de in artikel 22 van de planvoorschriften opgenomen regeling voor recreatiebedrijven en -terreinen. Een doeleindenomschrijving in welke functie 'recreatie' het plan kan worden gewijzigd ten behoeve van hergebruik van voormalige agrarische bedrijfslocaties ontbreekt en de wijzigingsbevoegdheid is in zoverre te onbepaald.

2.39.6. De conclusie is dat hetgeen de raad heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 27, lid 27.5.5, van de planvoorschriften in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de raad is ongegrond.

Overig

Het beroep van [appellanten sub 11]

2.40. [appellanten sub 11] voeren in beroep dat het plan voor hun gronden aan de Delstraat ten onrechte niet voorziet in de aanduiding "Zoekgebied nieuwe ontwikkeling naar wonen".

2.40.1. Het college heeft geen aanleiding gezien in zoverre goedkeuring te onthouden aan het plan. Het college stelt zich op het standpunt dat het om een indicatieve aanduiding gaat en geen aanduiding dat ter plaatse woningbouw is toegestaan.

2.40.2. Anders dan [appellanten sub 11] betogen betreft de aanduiding 'zoekgebied nieuwe ontwikkeling naar wonen' niet de aanwijzing van een bestemming of aanduiding op een van de plankaarten, die nader in de voorschriften wordt verklaard en op grond waarvan is vastgelegd welk grondgebruik ter plaatse is toegelaten. Het betreft een aanduiding op een kaartje van één van de dertien, bij het plan nader begrensde bebouwingsconcentraties - 't Hultje - waarop de kwaliteitsverbeteringen en het streefbeeld zijn aangeven die de raad beleidsmatig voorstaat in die bebouwingsconcentraties. Bij de toepassing van de in de artikelen 25 en 26 van de planvoorschriften opgenomen vrijstellings- en wijzigingsbevoegdheden zullen deze kwaliteitsverbeteringen en streefbeeld als toetsingskader worden gebruikt. De op bedoeld kaartje voorkomende aanduiding "Zoekgebied nieuwe ontwikkeling naar wonen" betreft echter, gelet ook op de term 'zoekgebied', geen bindend element van het plan. Bovendien is niet uitgesloten, mits deugdelijk gemotiveerd, dat ook op gronden, waarop de aanduiding 'zoekgebied' niet ziet, in de toekomst woningbouw kan worden toegestaan.

2.40.3. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 11] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel voor hun gronden niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 11] is ongegrond.

De (gelijkluidende) beroepen van [appellante sub 16], [appellant sub 32] en [appellant sub 8] (hierna in het enkelvoud: [appellant])

2.40.4. [appellant] voert in beroep verder aan dat de percelen [locatie 63], de percelen tussen de Noordlaan en de Rode Eiklaan en het perceel [locatie 64] ten onrechte buiten het plan zijn gelaten. Het zijn percelen met een agrarische bestemming die in agrarisch gebruik zijn. In het reconstructieplan zijn deze gronden aangeduid als landbouwontwikkelingsgebied dan wel verwevingsgebied. [appellant] heeft er bezwaar tegen dat de gronden, die rondom het niet-agrarisch bedrijf [aardappelverwerkingsbedrijf] liggen, als industrieterrein zullen worden gevoegd bij de gronden van dat niet-agrarische bedrijf.

Planbegrenzing

2.40.5. De raad heeft de terreinen van [aardappelverwerkingsbedrijf] - een aardappelverwerkend bedrijf - buiten dit bestemmingsplan gelaten, omdat voor die gronden een eigen bestemmingsplan van kracht is, dat wordt herzien. In dat bestemmingsplan zullen de relevante delen van het reconstructieplan worden overgenomen.

2.40.6. Het college heeft de vrijheid die de raad heeft om de plangrenzen vast te stellen gerespecteerd en geconcludeerd dat de omvang van het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of met het recht. Het college heeft de planbegrenzing goedgekeurd.

2.40.7. Gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

2.40.8. In hetgeen [appellante sub 16] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Niet is gebleken dat er tussen de door [appellant] genoemde percelen en de aangrenzende gronden een zodanige ruimtelijke samenhang is, dat die percelen in het plan opgenomen hadden moeten worden. Daarbij is ook in aanmerking genomen dat de raad ter zitting onweersproken heeft verklaard dat voor het perceel [locatie 63] al een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de WRO is gevoerd en dat de agrarische bestemming van dat perceel en van de twee andere percelen in het op te stellen plan zal worden gewijzigd.

2.40.9. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plangrens niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant] is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 24]

2.41. [appellant sub 24] voert in beroep aan dat hij bezwaar heeft tegen een verandering van de agrarische bestemming van gronden rondom de recreatieplas "Het Hemelrijk", in de nabijheid van zijn gronden. Hij vreest voor uitdroging van zijn gronden.

2.42. Het college heeft in de bedenking van [appellant sub 24] geen aanleiding gezien goedkeuring te onthouden aan enig planonderdeel. Hij heeft daarbij overwogen dat de gronden waarop [appellant sub 24] doelt buiten het plan liggen, dat de raad de vrijheid heeft zelf de plangrens te bepalen en dat de - door [appellant sub 24] gebezigde - aanduiding 'projectlocatie recreatie' wel in het reconstructieplan Peel en Maas, maar niet in dit plan voorkomt.

2.42.1. Uit het besluit tot vaststelling en het besluit omtrent goedkeuring van het plan blijkt dat de gronden van het recreatiepark "Het Hemelrijk" buiten dit plan zijn gelaten, omdat voor die gronden een afzonderlijk bestemmingsplan in procedure zal worden gebracht.

Voor zover [appellant sub 24] beoogt te stellen dat de bestemming van die gronden in dit bestemmingsplan had moeten worden geregeld, overweegt de Afdeling dat de raad, gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

In de enkele door [appellant sub 24] aangevoerde omstandigheid dat in dit plan een visie is neergelegd omtrent de bestemming van gronden nabij recreatieplan Hemelrijk - wat daar ook van zij -, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de beleidsvrijheid van de raad tot vaststelling van de begrenzing van het plan in dit geval niet is overschreden. De gevolgen van de bestemmingswijziging van gronden nabij de recreatieplas, zo die in een ander bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, kunnen in die procedure aan de orde worden gesteld.

2.43. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 24] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 24] is ongegrond.

2.44. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 14] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het college dient ten aanzien van [appellant sub 10], [appellant sub 26], [appellant sub 8], [appellant sub 17], [appellant sub 19], [appellante sub 23], [appellant sub 7], [appellante sub 13], [appellant sub 15], [appellanten sub 20], [appellant sub 28], en van [appellanten sub 6] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellanten sub 21] is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van

a. de staatssecretaris van Defensie voor zover dat beroep is gericht tegen de goedkeuring van artikel 27, lid 27.10.3, van de planvoorschriften,

b. [appellant sub 14] voor zover dat beroep is gericht tegen de goedkeuring van artikel 27, lid 27.4.3.C., van de planvoorschriften,

c. [appellante sub 16], [appellant sub 32] en [appellant sub 8] voor zover (hun gelijkluidende beroepen) zijn gericht tegen het plandeel betreffende het bosperceel Peelsche Heide en tegen de op plankaart 3b vermelde geluidscontour voor gronden nabij het perceel van het [aardappelverwerkingsbedrijf], en

d. [appellant sub 39] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 10], [appellant sub 26], [appellanten sub 21], [appellant sub 8], [appellant sub 17], [appellant sub 19], [appellante sub 23], [appellant sub 7], [appellante sub 13], [appellant sub 15], [appellanten sub 20] en [appellant sub 28], geheel en van [appellanten sub 6], gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 16 oktober 2007, kenmerk 1277236/1337463, voor zover daarbij goedkeuring is verleend:

a. aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijven"(bouwblok) voor het perceel [locatie 5];

b. aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor de gekoppelde percelen [locatie 7 en 65];

c. aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijven" (bouwblok) voor het perceel [locatie 16/17];

d. aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijven (bouwblok) voor het perceel [locatie 21];

e. aan het plandeel met de bestemming "Woningen" met de aanduiding 'W2' betreffende het perceel [locatie 23, 24, 22];

f. aan het plandeel met de bestemming "Woningen" en de aanduiding 'VAB' (vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie) voor het perceel [locatie 39];

g. aan het plandeel met de bestemming "Woningen" voor het perceel [locatie 43];

h. aan de aanduiding 'G' (gebouwen toegestaan) voor het aan de overzijde van het perceel [locatie 43] gelegen perceel;

i. aan het plandeel met de bestemming "Niet agrarische bedrijven/functies" voor het perceel [locatie 45];

j. aan het plandeel met de bestemming "Woningen" voor het perceel [locatie 54/53];

k. aan het plandeel met de bestemming "Woningen" voor het perceel [locatie 58/57];

l. aan het plandeel met de bestemming "Woningen" en de aanduiding 'W2' voor het perceel [locatie 59/60];

m. aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-" voor het perceel [locatie 61], kadastraal bekend als gemeente Uden, sectie T, nr. 392;

n. aan het plandeel met de bestemming "Recreatiebedrijven en -terreinen" met de aanduiding '3' (Kraaienven);

o. aan het plandeel met de bestemming "Bosgebied -Bg-" voor de gronden ten zuiden van de [camping], ingeklemd tussen het [locaties];

en voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan

p. het plandeel met de bestemming "Woningen" voor het perceel (dat op plankaart 2 is vermeld als) [locatie 42];

IV. onthoudt goedkeuring aan

a. het planonderdeel genoemd onder IIIa;

b. het planonderdeel genoemd onder IIIb;

c. het planonderdeel genoemd onder IIIc;

d. het planonderdeel genoemd onder IIId;

e. het planonderdeel genoemd onder IIIf;

f. het planonderdeel genoemd onder IIIg;

g. het planonderdeel genoemd onder IIIh;

h. het planonderdeel genoemd onder IIIi;

i. het planonderdeel genoemd onder IIIj;

k. het planonderdeel genoemd onder IIIl;

l. het planonderdeel genoemd onder IIIn;

V. verleent goedkeuring aan het planonderdeel genoemd onder IIIp;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 16 oktober 2007;

VII. verklaart de beroepen van [appellant sub 9], [appellant sub 25], [appellanten sub 1], [appellant sub 27], [appellant sub 29], Awic B.V., [appellant sub 35], [appellant sub 36], [appellant sub 22], [appellant sub 2], [appellante sub 4], [appellanten sub 18], [appellante sub 31], [appellant sub 3], [appellanten sub 5], [appellanten sub 12], de raad, [appellanten sub 11], [appellante sub 16], [appellant sub 32] en [appellant sub 8] en van [appellant sub 24] geheel en van de staatssecretaris van Defensie, [appellant sub 14] en van [appellanten sub 6], voor het overige ongegrond;

VIII. veroordeelt de raad van de gemeente Uden tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep van [appellant sub 14] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644 (zegge: zeshonderdenvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; dit bedrag dient door de raad van de gemeente Uden onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald aan [appellant sub 14];

IX. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de hierna vermelde appellanten in verband met de behandeling van hun beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 6.855,44 (zegge: zesduizendachthonderdvijfenvijftig euro en 44 cent); dit bedrag dient door het college van gedeputeerde staten onder vermelding van het zaaknummer als volgt te worden betaald:

a. aan [appellant sub 10] een bedrag van € 161 (zegge: honderdeenenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. aan [appellant sub 26] een bedrag van € 644, (zegge: zeshondervierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. aan [appellant sub 8] een bedrag van € 805, (zegge: achthonderdenvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. aan [appellant sub 17] een bedrag van € 644, (zegge: zeshondervierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

e. aan [appellant sub 19] een bedrag van € 644, (zegge: zeshondervierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

f. aan [appellante sub 23] een bedrag van € 644, (zegge: zeshondervierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

g. aan [appellant sub 7] een bedrag van € 644, (zegge: zeshondervierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

h. aan [appellante sub 13] een bedrag van € 805, (zegge: achthonderdenvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

i. aan [appellant sub 15] een bedrag van € 322, (zegge: driehonderdtweeentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

j. aan [appellanten sub 20] een bedrag van € 700,45, (zegge: zevenhonderd euro en 45 cent), tot een bedrag van € 644 euro (zegge zeshondervierenveertig euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

k. aan [appellant sub 28] een bedrag van € 805, (zegge: achthonderdenvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

l. aan [appellanten sub 6] een bedrag van € 36,99 (zegge: zesendertig euro en 99 cent);

X. gelast dat de raad van de gemeente Uden aan [appellant sub 14] het door hem voor de behandeling van zijn beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143 (zegge honderddrieenveertig euro) vergoedt;

XI. gelast dat het college van gedeputeerde staten aan [appellant sub 28] en aan [appellante sub 23] het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht elk ten bedrage van € 285 (zegge tweehondervijfentachtig euro) en aan [appellant sub 10], [appellant sub 26], [appellanten sub 21], [appellant sub 8], [appellant sub 17], [appellant sub 19], [appellant sub 7], [appellante sub 13], [appellant sub 15], [appellanten sub 20], en aan [appellanten sub 6] het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht elk ten bedrage van € 143 (zegge: eenhonderddrieenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Nolles

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2009

291.