Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ5060

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
200808501/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (hierna: het college) het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het tuinhuis op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808501/1/H1.

Datum uitspraak: 12 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 oktober 2008 in zaak nr. 07/3627 in het geding tussen:

[appellant] en [wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (hierna: het college) het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het tuinhuis op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 14 november 2007 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 oktober 2008, verzonden op 20 oktober 2008, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 november 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 december 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

[belanghebbenden], de eigenaars van het tuinhuis, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juli 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.J. Kiela, advocaat te Amersfoort, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.G. van den Konink, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte heeft geweigerd om handhavend op te treden tegen het tuinhuis, nu dit is gebouwd zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning.

2.1.1. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat het tuinhuis een bouwvergunningsvrij bouwwerk is. De Afdeling stelt vast dat [appellant] in zijn aanvullend beroepschrift, door te erkennen dat het tuinhuis een bouwvergunningsvrij bouwwerk is, heeft berust in dit standpunt van het college. [appellant] heeft daarmee het geschil beperkt tot de vraag of het college tegen het bouwvergunningsvrije bouwwerk handhavend had moeten optreden. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank het eerst ter zitting door [appellant] gehouden betoog dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het tuinhuis een bouwvergunningsvrij bouwwerk betreft, terecht buiten beschouwing gelaten. Voor het alsnog inhoudelijk behandelen van deze beroepsgrond bestaat in hoger beroep dan ook geen ruimte.

2.2. Ingevolge artikel 7b, eerste lid, van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde van belang, is het, tenzij een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 het uitdrukkelijk toestaat, verboden te bouwen, voor zover daarbij niet wordt voldaan aan de op dat bouwen van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdelen c en g, en vijfde lid, met dien verstande dat de voorschriften van stedenbouwkundige aard als bedoeld in dat vijfde lid niet van toepassing zijn op het bouwen waarvoor op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is vereist.

Ingevolge artikel 8, vijfde lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang en zoals deze luidde ten tijde van belang, kunnen tot de voorschriften van stedenbouwkundige aard behoren voorschriften met betrekking tot de plaatsing van bouwwerken ten opzichte van elkaar, mede uit het oogpunt van bereikbaarheid van die bouwwerken.

2.3. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het tuinhuis niet voldoet aan artikel 2.5.17, eerste lid, van de Bouwverordening Amersfoort 2007-I (hierna: de bouwverordening), zodat het college daartegen handhavend had moeten optreden, faalt. Daargelaten dat het tuinhuis tegen de op de perceelsgrens staande erfafscheiding is gebouwd en derhalve geen tussenruimte als bedoeld in artikel 2.5.17, eerste lid, van de bouwverordening is ontstaan, is dit artikel aan te merken als een voorschrift van stedenbouwkundige aard. Gelet op artikel 7b, eerste lid, van de Woningwet, gelezen in verband met artikel 8, vijfde lid, van die wet, heeft het college zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat artikel 2.5.17, eerste lid van de bouwverordening niet op het bouwen van het tuinhuis van toepassing is.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte heeft geweigerd om handhavend op te treden tegen het tuinhuis, nu sprake is van strijd met artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet en artikel 5.1.1, tweede lid, van de bouwverordening.

2.4.1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde van belang, draagt de eigenaar van een bouwwerk, standplaats, open erf of terrein of degene die uit andere hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen er zorg voor dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk, die standplaats, dat open erf of terrein geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

2.4.2. Ingevolge artikel 5.1.1, tweede lid, van de bouwverordening mogen open terreinen en erven geen gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de gebruikers of anderen, tengevolge van drassigheid, stank, verontreiniging, aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte of aanwezigheid van begroeiing.

2.4.3. Het betoog faalt. Van een situatie als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet noch van een situatie als bedoeld in artikel 5.1.1, tweede lid, van de bouwverordening is sprake, nu deze bepalingen een zorgplicht omvat gericht op het niet laten ontstaan dan wel niet laten voortduren van een gevaar voor de gezondheid of veiligheid als gevolg van de staat van een bouwwerk, standplaats, open erf of terrein, onderscheidenlijk de veiligheid en gezondheid van gebruikers of anderen van onbebouwde terreinen en erven beoogt te beschermen. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van bouwwerken spelen deze bepalingen geen rol.

2.5. [appellant] heeft eerst in hoger beroep betoogd dat, nu het tuinhuis is geplaatst op de perceelsgrens, het als een erfafscheiding moet worden aangemerkt en, omdat deze een hoogte heeft van meer dan 2 m, in strijd is met artikel 2, onder e, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2009

531.