Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4618

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
05-08-2009
Zaaknummer
200809291/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2008, kenmerk 1404671, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Oosterhout (hierna: de raad) bij besluit van 18 maart 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Kerkdorp Den Hout".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809291/1/R2.

Datum uitspraak: 5 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Vereniging van Eigenaren van de Houtse Heuvel, gevestigd te Den Hout, gemeente Oosterhout,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2008, kenmerk 1404671, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Oosterhout (hierna: de raad) bij besluit van 18 maart 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Kerkdorp Den Hout".

Tegen dit besluit heeft de vereniging Vereniging van Eigenaren van de Houtse Heuvel (hierna: de Vereniging) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2008, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout namens de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2009, waar de Vereniging, vertegenwoordigd door drs. ing. S.Tj. Westendorp, voorzitter van de Vereniging, is verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door P.C.H. van der Made en M.M. Borgwit, ambtenaren in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. De Vereniging, eigenaar van de gronden waarop het plandeel met de bestemming "Groen" ter plaatse van de Houtse Heuvel betrekking heeft, betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan dit plandeel voor zover dat tevens is voorzien van de aanduiding "parkeren" (hierna: de parkeerstrook). In verband hiermee voert de Vereniging aan dat de Houtse Heuvel geen openbaar terrein maar haar eigendom is. Voorts is de Houtse Heuvel door het Rijk aangewezen als ‘beschermd stads- en dorpsgezicht’ en als rijksmonument. De Vereniging stelt dat in verband hiermee het parkeren op de parkeerstrook ongewenst is. Voorts doet dit gebruik ernstig afbreuk aan het historische karakter van de Houtse Heuvel en tast dit gebruik de monumentale bomen die op het terrein staan aan.

2.3. Het college heeft goedkeuring verleend aan de parkeerstrook. Het college kan instemmen met een incidenteel gebruik van de strook voor parkeerdoeleinden, maar niet als het parkeren het karakter van het park te zeer aantast. Daarvan is volgens het college sprake als hiervoor een verharding wordt aangebracht. Nu het aanbrengen van verharding alleen mogelijk is als een aanlegvergunning krachtens artikel 16.3 van de planvoorschriften wordt verleend, is volgens het college voldoende gewaarborgd dat het cultuurhistorische karakter van de Houtse Heuvel niet wordt aangetast.

2.4. Niet in geschil is dat het historische groen aan de Houtse Heuvel op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie de aanduiding ‘zeer hoog’ heeft en dat het park door het Rijk is beschermd door middel van de aanduiding ‘beschermd stads- en dorpsgezicht’ en als beschermd monument.

De Afdeling is van oordeel dat onvoldoende is gewaarborgd dat het cultuurhistorisch karakter van het park van de Houtse Heuvel niet wordt aangetast. Naar het oordeel van de Afdeling sluit het in het plan toegelaten gebruik van de strook voor parkeerdoeleinden niet uit dat - hoewel ter plaatse van de strook geen verharding is aangebracht - hiervan gebruik zal worden gemaakt op een zodanige wijze en in zodanige mate dat hierdoor de cultuurhistorische waarden kunnen worden aangetast. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat zich aan de overzijde van de parkeerstrook het dorpshuis, de kerk en andere publieksvoorzieningen bevinden.

Het is verder niet in geschil dat de Houtse Heuvel privé-terrein betreft, dat in eigendom toebehoort aan de Vereniging. De Vereniging heeft bezwaren tegen het in het plan toegelaten gebruik als openbare parkeergelegenheid en wenst dit gebruik van haar particuliere terrein niet toe te staan. Ter zitting heeft de raad bovendien te kennen gegeven niet voornemens te zijn om te gaan onteigenen.

2.5. De conclusie is dat hetgeen de Vereniging heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanduiding "parkeren" ter plaatse van de Houtse Heuvel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door deze aanduiding goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep is gegrond zodat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan deze aanduiding, dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb goedkeuring aan deze aanduiding te onthouden.

2.6. Het college dient op na de melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

In het sedert 1 juli 2009 geldende vierde lid van artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de vermogensrechtelijke rechtsgevolgen van een handeling van een bestuursorgaan de rechtspersoon treffen waartoe het bestuursorgaan behoort. Tegelijk is het derde lid van artikel 8:75 van de Awb komen te vervallen. In verband hiermee is het niet meer nodig dat de Afdeling in geval zij het bestuursorgaan in de kosten veroordeelt, de rechtspersoon aanwijst die de kosten moet vergoeden. Welke rechtspersoon daartoe is gehouden, volgt thans rechtstreeks uit de wet.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de vereniging Vereniging van Eigenaren van de Houtse Heuvel gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 28 oktober 2008, kenmerk 1404671, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de aanduiding "parkeren" ter plaatse van de Houtse Heuvel;

III. onthoudt goedkeuring aan deze aanduiding;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 28 oktober 2008;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging van Eigenaren van de Houtse Heuvel in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 21,59 (zegge: eenentwintig euro en negenenvijftig cent);

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan de vereniging Vereniging van Eigenaren van de Houtse Heuvel het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. De Rooy

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2009

177-602.