Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4615

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
05-08-2009
Zaaknummer
200805165/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) aan [appellante sub 2] op grond van een daartoe op 27 september 2006 ingediende aanvraag een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een veevoederfabriek aan de [locatie] te Utrecht. Dit besluit is op 28 mei 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2009/72 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2012/943
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805165/1/M2.

Datum uitspraak: 5 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Utrecht,

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) aan [appellante sub 2] op grond van een daartoe op 27 september 2006 ingediende aanvraag een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een veevoederfabriek aan de [locatie] te Utrecht. Dit besluit is op 28 mei 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2008, en [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 2008, beroep ingesteld. [appellant sub 1] en anderen hebben de gronden van hun beroep aangevuld bij brief van 18 juli 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellante sub 2] heeft haar zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2009, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door drs. E.M. Korevaar, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. H.W. van Noordt Wieringa, ing. G.J. Schipper en E. Dijk, en het college, vertegenwoordigd door ir. J.H.M. Kerp, drs. A.M.M. Baggen en mr. N.H. Verhaart, zijn verschenen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld door de Afdeling, hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellante sub 2] en het college nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 27 juli 2009, waar [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. H.W. van Noordt Wieringa en ing. G.J. Schipper, en het college, vertegenwoordigd door ir. J.H.M. Kerp en mr. N.H. Verhaart, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling heeft ambtshalve onderzocht of [appellant sub 1] en anderen als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt.

2.1.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.2. Gebleken is dat de woningen van [appellant sub 1] en anderen, met uitzondering van de woning van [appellant sub 1], gelegen zijn op ongeveer 1,2 tot 2 kilometer afstand van de inrichting. De woning van [appellant sub 1] is gelegen op ongeveer 3,3 kilometer afstand van de inrichting. Mede gelet op hetgeen [appellant sub 1] en anderen hierover hebben aangevoerd bij brief van 27 mei 2009 acht de Afdeling het niet op voorhand onaannemelijk dat op een afstand van 2 kilometer nog milieugevolgen - meer in het bijzonder geur - van de inrichting kunnen worden ondervonden. Milieugevolgen van de inrichting op een afstand van 3,3 kilometer acht de Afdeling onaannemelijk. Gelet hierop heeft [appellant sub 1] geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. Aangezien [appellant sub 1] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, stond voor hem geen beroep tegen het bestreden besluit bij de Afdeling open. Voor zover ingesteld door [appellant sub 1], dient het beroep van [appellant sub 1] en anderen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2. De Afdeling heeft vervolgens ambtshalve onderzocht of het college bevoegd was het bestreden besluit te nemen, nu de Afdeling deze vraag ambtshalve bij haar beoordeling dient te betrekken.

2.2.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder afvalstoffen verstaan: alle stoffen, preparaten of producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Ingevolge categorie 28.4, aanhef en onder c, sub 1, van bijlage I behorende bij het Inrichtingen- en vergunningbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb) zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het ontwateren, microbiologisch of anderszins biologisch of chemisch omzetten, agglomereren, deglomereren, mechanisch, fysisch of chemisch scheiden, mengen, verdichten of thermisch behandelen - anders dan verbranden - van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 15.106 kg per jaar of meer.

2.2.2. De aanvraag om vergunning heeft betrekking op een inrichting voor de productie van 400.000 ton veevoer. Bijlage 4 van de aanvraag bevat een overzicht van de in het productieproces toegepaste grond- en hulpstoffen. Genoemd worden onder meer tarwegries en maïskiemschroot, soja-, raap- en zonnebloemschroot, dier-, vis- en bloedmeel, bieten- en citruspulp, brood- en koekjesmeel en chocopellets. Blijkens het verhandelde ter zitting gaat het veelal om residuen van productieprocessen in de voedingsmiddelensector of om producten die oorspronkelijk bestemd waren voor menselijke consumptie, maar daar niet meer geschikt voor zijn bevonden. Voor in ieder geval een deel van deze stoffen geldt naar het oordeel van de Afdeling dat de leveranciers van de stoffen zich ervan ontdoen of moeten ontdoen, als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zodat deze stoffen afvalstoffen zijn. De aanvraag bevat geen beperkingen met betrekking tot het aandeel van een grond- of hulpstof in de totale jaarlijkse productie van het veevoer, zodat moet worden geoordeeld dat de aanvraag betrekking heeft op een inrichting voor de verwerking tot veevoer van 15.000 ton afvalstoffen of meer per jaar.

Gelet op het vorenstaande is de inrichting een inrichting als bedoeld in categorie 28.4, onder c, sub 1, van bijlage I behorende bij het Ivb, ten aanzien waarvan het college van gedeputeerde staten is aangewezen als het bevoegd gezag. Het college was derhalve niet bevoegd het bestreden besluit te nemen.

2.2.3. [appellante sub 2] brengt daar tegen in dat de vraag welk bestuurorgaan het bevoegd gezag is, in dit specifieke geval niet op grond van categorie 28.4 van bijlage I behorende bij het Ivb, maar uitsluitend op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval moet worden beantwoord. [appellante sub 2] wijst er op dat de Afdeling een besluit, waarbij het college haar naar aanleiding van een in 1998 ingediende aanvraag eveneens een revisievergunning voor de inrichting had verleend, in 2003 wegens een ontoereikende beoordeling van het geuraspect heeft vernietigd. [appellante sub 2] stelt dat de Afdeling toen niet is ingegaan op de vraag of het college het bevoegd gezag was. [appellante sub 2] stelt vervolgens dat het college door zijn jarenlange betrokkenheid bij onderzoeken naar de vergunbaarheid van de inrichting ter zake een bijzondere deskundigheid heeft verworven en dat het van groot belang is dat de voor [appellante sub 2] geldende geurnormen worden afgestemd op de geurnormen die het college aan een naburige soortgelijke inrichting heeft opgelegd. Deze omstandigheden zijn volgens [appellante sub 2] zodanig bijzonder dat het college op grond daarvan als het bevoegd gezag moet worden aangemerkt.

2.2.4. De Afdeling overweegt dat artikel 3.1 van het Ivb in samenhang met categorie 28.4 van bijlage I behorende bij het Ivb een dwingende regeling bevat, waaruit voortvloeit dat in dit geval het college van gedeputeerde staten het bevoegd gezag is. De Wet milieubeheer noch het Ivb laten ruimte om op grond van omstandigheden als door [appellante sub 2] genoemd - wat ook van die omstandigheden zij - van die dwingende regeling af te wijken.

2.3. Reeds vanwege de onbevoegdheid van het college zijn de beroepen, voor zover ontvankelijk, gegrond, zodat de Afdeling niet toekomt aan beoordeling van de beroepsgronden. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld door [appellant sub 1];

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor het overige gegrond;

III. verklaart het beroep van [appellante sub 2] gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 14 mei 2008, kenmerk SO 08.048053 / Wm 4501.7;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van hun beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; betaling aan een van hen werkt bevrijdend ten opzichte van de anderen;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellante sub 2] in verband met de behandeling van haar beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellant sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van hun beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt; betaling aan een van hen werkt bevrijdend ten opzichte van de anderen;

gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellante sub 2] het door haar voor de behandeling van haar beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2009

462.