Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4614

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
05-08-2009
Zaaknummer
200805118/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 mei 2008, kenmerk PZH-2008-374130, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Hillegom (hierna: de raad) bij besluit van 13 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Eerste herziening Landelijk Gebied 1997" (hierna: het plan).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2009/2019
ABkort 2009/353
JOM 2010/75
JBO 2009/35 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805118/1/R2.

Datum uitspraak: 5 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2008, kenmerk PZH-2008-374130, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Hillegom (hierna: de raad) bij besluit van 13 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Eerste herziening Landelijk Gebied 1997" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 juli 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 4 augustus 2008.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft het college van burgemeester en wethouders namens de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2009, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door ing. J.J. Zuiderwijk, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door ing. G.A. Bijnsdorp, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om

- in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan is een herziening van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1997" en is onder meer vastgesteld om te voldoen aan de verplichtingen van artikel 30, eerste lid, van de WRO.

2.3. [appellant] voert aan dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover het ziet op zijn perceel [locatie] te [plaats]. Naar zijn mening zijn de mogelijkheden in het plan tot het gebruik van hoge tunnelkassen op zijn perceel te veel beperkt. Hij wijst erop dat hij al geruime tijd op zijn gehele perceel gebruik maakt van verplaatsbare tunnelkassen met een hoogte van 2,20 tot 2,50 meter. Het destijds vigerende bestemmingsplan stond dit volgens hem toe, terwijl het onderhavige plan deze kassen slechts toelaat binnen het bouwvlak op zijn perceel, tot een maximale oppervlakte van 1500 m². Volgens [appellant] miskent het college de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 mei 2005 waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders niet handhavend kan optreden tegen vier tunnelkassen die buiten het bouwvlak op zijn perceel zijn geplaatst. Gelet op deze uitspraak dienen volgens [appellant] de tunnelkassen buiten het bouwvlak overeenkomstig de bestaande situatie bestemd te worden. De gedoogbeschikking die het college van burgemeester en wethouders in dit kader heeft afgegeven is volgens hem onvoldoende rechtszeker. Voorts betoogt [appellant] dat het bouwvlak op zijn perceel en de binnen het bouwvlak maximaal toegestane oppervlakte aan kassen te klein zijn.

2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat het ongewenst is te voorzien in een regeling die tunnelkassen hoger dan 1,50 meter buiten bouwvlakken bij recht mogelijk maakt aangezien het gebied buiten de bouwvlakken een hoge landschappelijke en cultuurhistorische waarde heeft. Het college acht de door het college van burgemeester en wethouders afgegeven gedoogbeschikking voldoende rechtszeker. Voorts stelt het college zich in navolging van de raad op het standpunt dat niet is gebleken dat het bouwblok op het perceel van [appellant] te klein is en dat, wanneer dit om bedrijfseconomische redenen noodzakelijk is, maatwerk kan worden geleverd door middel van de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid.

2.5. [appellant] exploiteert op zijn perceel sinds 1994 een bollenteeltbedrijf annex kwekerij in bloemen en vaste planten. Zijn perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 2,6 hectare en is voorzien van een bouwvlak met een oppervlakte van ongeveer 8.200 m². Binnen het bouwvlak staat onder meer een met bouwvergunning opgerichte kas met een oppervlakte van 1.650 m². De tunnelkassen, waarvan hij sinds 1994 op zijn perceel gebruik maakt, beslaan thans een oppervlakte van ongeveer één hectare, zijn verplaatsbaar en worden zowel binnen als buiten het bouwvlak afwisselend gebruikt.

2.6. Aan de gronden is in het plan de bestemming "Agrarische Doeleinden (A)" met de subbestemming "Bollencultuur (Ab)" toegekend. Buiten het bouwvlak zijn de gronden voorzien van de nadere aanduidingen "zonder gebouwen (z)" en "tijdelijk afdekfolies en/of lage tunnels toegestaan (f)".

Ingevolge artikel 12, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn gronden met de bestemming "Agrarische Doeleinden (A)" ter plaatse van de subbestemming "Bollencultuur (Ab)" bestemd voor akker-, bollenteelt- en tuinbouwbedrijven alsmede gemengde tuinbouwbedrijven.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, mogen op gronden met deze bestemming ten behoeve van de (sub)bestemming uitsluitend worden gebouwd bedrijfsgebouwen, waaronder bedrijfswoningen met de daarbij behorende uitbouwen en bijgebouwen en tevens kassen, alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge artikel 12, derde lid, onder a, mogen de bedrijfsgebouwen en bedrijfswoning uitsluitend binnen een op de kaart aangegeven bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat het aantal bedrijfswoningen dat per bedrijf is toegestaan niet meer mag bedragen dan het aantal malen dat de nadere aanduiding "bedrijfswoning (w)" in het betreffende bouwvlak is ingetekend.

Ingevolge artikel 12, derde lid, onder d, mogen op de gronden met de nadere aanduiding "zonder gebouwen (z)" slechts bouwwerken, geen gebouwen en geen kassen zijnde, worden gebouwd, met dien verstande dat op de gronden met de subbestemming "Bollencultuur (Ab)" met de nadere aanduiding "zonder gebouwen (z)" mogen worden gebouwd terreinafscheidingen en één agrarisch hulpgebouw met een grondoppervlak van ten hoogste 50 m² en een goot- en nokhoogte van ten hoogste 3 meter respectievelijk 4,5 meter, met dien verstande dat de afstand van een hulpgebouw tot de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" ten minste 50 meter bedraagt.

Ingevolge artikel 12, derde lid, onder f, aanhef en tweede gedachtestreepje, mag voor de agrarische bedrijfsvoering per hectare beschikbare teeltgrond ten hoogste 250 m² aan bedrijfsgebouwen, geen kassen zijnde, en overkappingen binnen een bouwvlak worden opgericht met een maximumoppervlakte van 3.000 m² per bedrijf, een en ander met dien verstande dat het gezamenlijke grondoppervlak aan kassen per bedrijf ten hoogste 1.500 m² mag bedragen op de gronden met de subbestemming "Bollencultuur (Ab)".

Ingevolge artikel 12, derde lid, onder g, zijn op de gronden met de nadere aanduiding "tijdelijk afdekfolies en/of lage tunnels toegestaan (f)" lage tunnels toegestaan.

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder in haar uitspraak van 2 juli 2003, zaaknr. 200204634/1 heeft overwogen, moeten tunnelkassen hoger dan 1,50 meter, gelet op de definitiebepalingen in de planvoorschriften, met kassen worden gelijkgesteld.

2.6.2. Gelet op het vorenstaande staat het plan het plaatsen van de (tunnel)kassen van [appellant] toe binnen het bouwvlak op zijn perceel, met dien verstande dat het gezamenlijke grondoppervlak aan kassen ten hoogste 1.500 m² mag bedragen, en is het plaatsen van (tunnel)kassen buiten het bouwvlak niet toegelaten.

2.6.3. Vaststaat dat het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1978", dat gold toen [appellant] de tunnelkassen in gebruik nam, de tunnelkassen op het gehele perceel van [appellant] toestond. In het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1997" was plaatsing van de kassen slechts toegestaan binnen het bouwvlak tot een maximumoppervlakte van 3.000 m². Gelet op artikel 30, eerste lid, van de voorschriften van dat plan viel het gebruik van de hoge tunnelkassen binnen het bouwvlak maar met een grotere oppervlakte dan 3.000 m², alsmede het gebruik van tunnelkassen buiten het bouwvlak onder het overgangsrecht van dat plan.

2.6.4. Het college van burgemeester en wethouders heeft [appellant] bij besluit van 6 februari 2004, gewijzigd bij besluit van 8 oktober 2004, een last onder dwangsom opgelegd teneinde de vier verplaatsbare tunnelkassen die destijds buiten het bouwvlak op zijn perceel stonden en die zonder de vereiste bouwvergunning waren opgericht, te verwijderen. Het daartegen ingediende bezwaar is ongegrond verklaard. De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 25 mei 2005 het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college van burgemeester en wethouders daarvan in redelijkheid had dienen af te zien. Deze uitspraak is in rechte onaantastbaar geworden zodat van de juistheid van de uitspraak dient te worden uitgegaan.

2.6.5. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 21 oktober 2005 een gedoogbeschikking aan [appellant] afgegeven. In deze gedoogbeschikking is besloten af te zien van handhaving van wettelijke voorschriften voor zover het de tunnelkassen buiten het bouwvlak op zijn perceel betreft. In de gedoogbeschikking is vermeld dat uitbreiding van het aantal tunnelkassen hoger dan 1,50 meter buiten het bouwvlak niet is toegestaan.

2.6.6. Door het desbetreffende plandeel goed te keuren heeft het college voornoemde uitspraak van de rechtbank miskend nu uit deze uitspraak volgt dat niet handhavend kan worden opgetreden tegen de vier verplaatsbare tunnelkassen buiten het bouwvlak op het perceel van [appellant]. Weliswaar heeft het college van burgemeester en wethouders een persoonsgebonden gedoogbeschikking afgegeven, maar de Afdeling is van oordeel dat deze beschikking onvoldoende waarborgen biedt, omdat met de belangen van [appellant] in geval van bedrijfsopvolging of bedrijfsoverdracht ten onrechte geen rekening is gehouden. Verder overweegt de Afdeling dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad niet de bedoeling heeft het gebruik van de tunnelkassen op het perceel van [appellant], voor zover dit wederom onder het overgangsrecht van het plan is gebracht, binnen de planperiode te beëindigen.

2.6.7. Voorts zijn de raad en het college, gelet op hetgeen is overwogen onder 2.6.2., ten onrechte voorbijgegaan aan het feit dat binnen het bouwvlak van [appellant] thans reeds een kas met een grotere oppervlakte dan 1.500 m² aanwezig is. Uitgangspunt is immers dat een legaal opgericht bouwwerk in het bestemmingsplan als zodanig moet worden bestemd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college derhalve niet in redelijkheid kunnen instemmen met een maximaal toegestane oppervlakte aan kassen van 1.500 m² binnen het bouwvlak van [appellant].

2.7. [appellant] voert verder aan dat het plan ten onrechte is goedgekeurd voor zover aan zijn gronden de bestemming "Archeologisch Waardevol Gebied" is toegekend. Hij stelt dat zijn gronden slechts een lage archeologische verwachtingswaarde hebben en dat het aanlegvergunningvereiste derhalve niet nodig is. Dit aanlegvergunningvereiste zou hem ernstig in zijn bedrijfsvoering beperken.

2.7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het aanlegvergunningvereiste geen onevenredige verzwaring van de bedrijfslasten of onredelijke gevolgen voor de bedrijfsvoering met zich brengt. Blijkens de plantoelichting heeft de raad bij de totstandkoming van het plan de provinciale cultuurhistorische waardenkaart als uitgangspunt genomen. Op deze waardenkaart is het gehele plangebied aangemerkt als een gebied met een zeer hoge trefkans op archeologische sporen dan wel redelijke tot grote trefkans op archeologische waarden. Derhalve heeft de raad het gehele plangebied mede als archeologisch waardevol gebied bestemd.

2.7.2. In opdracht van de gemeente is onderzoek gedaan naar het archeologisch erfgoed. De raad heeft op 6 december 2007 de Archeologische beleidskaart met voorschriften ten behoeve van de Archeologische Monumentenzorg vastgesteld. De gronden van [appellant] zijn aangeduid als omgespoten gronden of getijde-afzettingen met een lage archeologische verwachtingswaarde. Voor zijn perceel acht de raad nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Nu dit ten tijde van het bestreden besluit reeds bekend was, heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een aanlegvergunningenstelsel noodzakelijk is om te voorkomen dat de gronden van [appellant] minder geschikt worden voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming of noodzakelijk is ter handhaving en ter bescherming van de verwerkelijkte bestemming.

2.8. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het ziet op het perceel gelegen aan de [locatie] te Hillegom, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd.

2.9. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het plan voor zover het ziet op het perceel gelegen aan de [locatie] te [plaats].

De Afdeling ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb de raad te gelasten om met inachtneming van deze uitspraak binnen zes maanden na de verzending van deze uitspraak een nieuw bestemmingsplan voor het perceel aan de [locatie] vast te stellen.

2.10. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 13 mei 2008, kenmerk PZH-2008-374130, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische Doeleinden (A)" met de subbestemming "Bollencultuur (Ab)" dat betrekking heeft op het perceel gelegen aan de [locatie] te [plaats];

III. onthoudt goedkeuring aan het plandeel, genoemd onder II;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 13 mei 2008;

V. draagt de raad van de gemeente Hillegom op om binnen zes maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een bestemmingsplan voor het perceel [locatie] te Hillegom vast te stellen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. De Rooy

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2009

177-599.