Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4612

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
05-08-2009
Zaaknummer
200800689/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2007, kenmerk DRMV/2007030234, heeft de staatssecretaris van Defensie in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het militaire luchtvaartterrein Eindhoven aangewezen als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Luchtvaartwet en een geluidszone rond dit terrein vastgesteld als bedoeld in artikel 25a van de Luchtvaartwet (hierna: het aanwijzingsbesluit).

Wetsverwijzingen
Luchtvaartwet
Luchtvaartwet 18
Luchtvaartwet 25
Luchtvaartwet 25a
Luchtvaartwet 33
Luchtvaartwet 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2009, 60K
Milieurecht Totaal 2009/2818
JOM 2009/736
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800689/1/R1.

Datum uitspraak: 5 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Vereniging Belangenbehartiging Omwonenden Welschap, gevestigd te Veldhoven, en andere,

2. de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Beleggingsmaatschappij De Mispelaar B.V. en Medlar Moore B.V., beide gevestigd te Eindhoven,

3. [appellante sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5 A], wonend te [woonplaats], en [appellante sub 5 B], wonend te [woonplaats],

en

1. de staatssecretaris van Defensie in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

2. de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met de staatssecretaris van Defensie,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2007, kenmerk DRMV/2007030234, heeft de staatssecretaris van Defensie in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het militaire luchtvaartterrein Eindhoven aangewezen als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Luchtvaartwet en een geluidszone rond dit terrein vastgesteld als bedoeld in artikel 25a van de Luchtvaartwet (hierna: het aanwijzingsbesluit).

Bij besluit van 18 december 2007, kenmerk 2007105781, heeft de

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met de staatssecretaris van Defensie de raden van gemeenten Eindhoven, Veldhoven, Eersel, Oirschot en Best aanwijzingen als bedoeld in artikel 37 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gegeven om bestemmingsplannen vast te stellen of te herzien voor de gronden gelegen binnen voormelde geluidszone (hierna: het besluit over de planologische doorwerking).

Tegen deze besluiten hebben de vereniging Vereniging Belangenbehartiging Omwonenden Welschap en andere (hierna: BOW en andere) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2008, de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Beleggingsmaatschappij De Mispelaar B.V. en Medlar Moore B.V. (hierna: De Mispelaar en Medlar Moore) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 januari 2008, [appellante sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2008, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 februari 2008, alsmede [appellant sub 5 A] en [appellante sub 5 B] (hierna: [appellanten sub 5]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2008, beroep ingesteld.

Verweerders hebben een verweerschrift ingediend.

De staatssecretaris van Defensie heeft desgevraagd een exemplaar van het rapport waarin de gerubriceerde uitgangspunten en resultaten van het geluidsbelastingsonderzoek zijn opgenomen, ingezonden. Daarbij is medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit rapport. Bij brief van 15 oktober 2008 heeft de Afdeling beperking van de kennisneming van het overgelegde rapport gerechtvaardigd geoordeeld.

De overige partijen is gevraagd om toestemming om mede op de grondslag van dit rapport uitspraak te doen. De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, BOW en andere, De Mispelaar en Medlar Moore, [appellante sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 5] alsmede de naamloze vennootschap Eindhoven Airport N.V. (hierna: Eindhoven Airport) hebben deze toestemming verleend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht. BOW en andere, [appellante sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 5], verweerders alsmede Eindhoven Airport hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Mispelaar en Medlar Moore, [appellante sub 3] alsmede de staatssecretaris van Defensie hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2009, waar BOW en andere, vertegenwoordigd door mr. A.H.J. van den Biesen, advocaat te Amsterdam, De Mispelaar en Medlar Moore, vertegenwoordigd door mr. W.B. Kroon, advocaat te Breda, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door mr. C.M.E. Verhaegh, advocaat te Leiden, alsmede verweerders, vertegenwoordigd door mr. A.J. van Heusden en mr. E. Koornwinder, werkzaam bij het ministerie van Defensie respectievelijk het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord Eindhoven Airport, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Ingevolge de artikelen 19, eerste lid, en 21, derde lid, van de Luchtvaartwet, gelezen in samenhang met de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het ontwerp van het aanwijzingsbesluit ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kan een ieder gedurende deze termijn zienswijzen naar voren brengen bij de commissie als bedoeld in artikel 21, derde lid van de Luchtvaartwet.

Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.2. Verweerders voeren aan dat de beroepen van [appellante sub 3], [appellant sub 4] alsmede [appellanten sub 5] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, aangezien zij geen zienswijzen tegen het ontwerp van zowel het aanwijzingsbesluit als het besluit over de planologische doorwerking naar voren hebben gebracht.

Het ontwerp van zowel het aanwijzingbesluit als het besluit over de planologische doorwerking zijn blijkens de kennisgeving met ingang van 24 juli 2006 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde derhalve, gelet op artikel 1 van de Algemene termijnenwet, op 4 september 2006. Vast staat dat [appellante sub 3], [appellant sub 4] alsmede [appellanten sub 5] binnen deze termijn geen zienswijzen naar voren hebben gebracht.

De percelen van [appellante sub 3], [appellant sub 4] alsmede [appellanten sub 5] zijn blijkens de stukken in het verleden onteigend ten behoeve van de realisering van de daaraan gegeven militaire bestemming. Bij vonnissen van 30 mei 2007 heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch evenwel geoordeeld dat de onteigening van de percelen van [appellante sub 3], [appellant sub 4] alsmede [appellanten sub 5] onnodig is geweest en dat een veroordeling van de Staat om de onteigende gronden aan hen terug te leveren als een passende wijze van schadeloosstelling moet worden gezien. Aldus is het belang van [appellante sub 3], [appellant sub 4] alsmede [appellanten sub 5] pas na ommekomst van de termijn voor het indienen van zienswijzen rechtstreeks bij de bestreden besluiten betrokken geraakt. Onder deze omstandigheden kan [appellante sub 3], [appellant sub 4] alsmede [appellanten sub 5] redelijkerwijs niet worden verweten dat zij geen zienswijzen naar voren hebben gebracht. Dat, zoals verweerders hebben gesteld, niet alleen belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht, maar een ieder in de gelegenheid is gesteld om zienswijzen naar voren te brengen, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat van [appellante sub 3], [appellant sub 4] alsmede [appellanten sub 5] redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat zij, ten tijde van de terinzagelegging de ontwerpbesluiten die destijds niet voor hen van belang waren, erop bedacht moesten zijn dat deze besluiten in de toekomst voor hen eventueel wel van belang zouden kunnen gaan worden.

2.3. Ten aanzien van het betoog van verweerders dat het beroep van BOW en andere niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover is aangevoerd dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun, wordt het volgende overwogen. Het onderwerp ongeoorloofde staatssteun kan, anders dan verweerders veronderstellen, niet worden aangemerkt als een zelfstandig onderdeel van het aanwijzingsbesluit en het besluit over de planologische doorwerking. Met hun bezwaar dienaangaande hebben BOW en andere in beroep slechts nader beargumenteerd waarom zij zich niet met het aanwijzingsbesluit en het besluit over de planologische doorwerking kunnen verenigen. Artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht staat hier niet aan in de weg. Voor een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van BOW en andere bestaat daarom geen aanleiding.

Goede procesorde

2.4. Eerst bij nadere memorie, enkele dagen voor de zitting, heeft [appellante sub 3] aangevoerd dat de kennisgeving van het ontwerp van het aanwijzingsbesluit ten onrechte niet in het Eindhovens Dagblad is gepubliceerd. Het aanvoeren van deze beroepsgrond in dit stadium van de procedure is, nu niet is gebleken dat dit niet eerder had gekund, in strijd met de goede procesorde. De Afdeling laat voormelde beroepsgrond daarom verder buiten beschouwing.

2.5. BOW en andere betogen dat de totstandkoming van het deskundigenbericht en de toezending daarvan aan partijen tekort heeft geschoten, zodat niet wordt voldaan aan de vereisten van een goede procesorde dan wel een fair trial als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: het EVRM).

Medewerkers van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening hebben ten behoeve van de opstelling van het deskundigenbericht gesproken met alle partijen die aan het geding deelnemen. De Afdeling heeft bij brief van 11 maart 2009 het deskundigenbericht aan partijen toegezonden en hen, overeenkomstig artikel 8:47, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in de gelegenheid gesteld om vóór 9 april 2009 hun zienswijze daarop naar voren te brengen. Met toepassing van artikel 8:39, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn de bij het deskundigenbericht gevoegde stukken die vanwege hun aard of omvang bezwaarlijk konden worden vermenigvuldigd, ter inzage gelegd bij de Raad van State. Onder meer BOW en andere hebben hun zienswijze op het deskundigenbericht naar voren gebracht. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien waarom in dit geval niet zou zijn voldaan aan de vereisten van een goede procesorde dan wel artikel 6 EVRM. De Afdeling ziet dan ook geen beletsel om het deskundigenrapport bij haar oordeel te betrekken.

Procedurele bezwaren

2.6. BOW en andere voeren aan dat het aanwijzingsbesluit ten onrechte niet door de minister van Verkeer en Waterstaat en de staatssecretaris van Defensie gezamenlijk is vastgesteld.

Ingevolge artikel 18 van de Luchtvaartwet kan, voor zover thans van belang, Onze minister in overeenstemming met Onze minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, luchtvaartterreinen aanwijzen. Ingevolge artikel 1, onder j, wordt voor de toepassing van het bij deze wet bepaalde onder Onze minister verstaan: voor wat de burgerluchtvaart en de algemene verkeersveiligheid in de lucht betreft: Onze minister van Verkeer en Waterstaat en voor wat de militaire luchtvaart betreft: Onze minister van Defensie.

Het aanwijzingsbesluit is terecht vastgesteld door de staatssecretaris van Defensie in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het luchtvaartterrein, gelet op artikel 1, eerste lid, van het aanwijzingsbesluit, alleen voor militaire en niet voor civiele luchtvaart is aangewezen. Dat, zoals BOW en andere hebben aangevoerd, het militaire luchtvaartterrein niettemin ook voor civiele doeleinden wordt gebruikt, doet hieraan niet af, aangezien ten behoeve van dit civiele medegebruik (periodiek) ontheffing als bedoeld in de artikelen 33 en 34 Luchtvaartwet wordt verleend.

2.7. BOW en andere alsmede [appellanten sub 5] stellen zich op het standpunt dat het aanwijzingsbesluit en het besluit over de planologische doorwerking niet op de in de Luchtvaartwet en de Algemene wet bestuursrecht voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt. Zij wijzen in dit verband op een aantal specifieke gebreken.

Deze gronden hebben betrekking op mogelijke onregelmatigheden van na de datum van het aanwijzingsbesluit en het besluit over de planologische doorwerking en kunnen reeds om die reden de rechtmatigheid van deze besluiten niet aantasten. De betogen van BOW en andere alsmede [appellanten sub 5] falen in zoverre.

2.8. BOW en andere alsmede De Mispelaar en Medlar Moore voeren aan dat onvoldoende is ingegaan op de naar voren gebrachte zienswijzen.

In bijlage D van het aanwijzingsbesluit is ingegaan op de naar voren gebrachte zienswijzen. Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht verzet zich er niet tegen dat de zienswijzen samengevat zijn weergegeven. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het aanwijzingsbesluit niet voldoende is gemotiveerd. Anders dan De Mispelaar en Medlar Moore hebben gesteld is verder ingegaan op de door hen naar voren gebrachte zienswijze over de wijze van terinzagelegging van het milieueffectrapport. Wat betreft deze zienswijze wordt in bijlage D van het aanwijzingsbesluit namelijk verwezen naar het advies van de commissie als bedoeld in artikel 21, derde lid, van de Luchtvaartwet waarin wordt uiteengezet dat de terinzagelegging voldoet aan de wettelijke vereisten.

2.9. BOW en andere alsmede De Mispelaar en Medlar Moore voeren aan dat ten onrechte voorbij is gegaan aan het advies van de commissie als bedoeld in artikel 21, derde lid, van de Luchtvaartwet dan wel het advies van de commissie voor de mileu-effectrapportage (hierna: de commissie mer).

Ingevolge artikel 3:50 van de Algemene wet bestuursrecht wordt, indien het bestuursorgaan een besluit neemt dat afwijkt van een met het oog daarop krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies, zulks met redenen voor de afwijking in de motivering vermeld.

In bijlage D van het aanwijzingsbesluit wordt ingegaan op de adviezen van de commissie als bedoeld in artikel 21, derde lid, van de Luchtvaartwet en de commissie mer. Voor zover BOW en andere alsmede De Mispelaar en Medlar Moore betogen dat het aanwijzingsbesluit afwijkt van de adviezen van voormelde commissies, moet worden geconstateerd dat de redenen hiervoor in bijlage D staan vermeld. Het aanwijzingsbesluit is in zoverre niet in strijd met artikel 3:50 van de Algemene wet bestuursrecht vastgesteld.

Milieu-effectrapport

2.10. BOW en andere, De Mispelaar en Medlar Moore alsmede [appellanten sub 5] stellen zich op het standpunt dat het opgestelde milieu-effectrapport tekort schiet.

BOW en andere alsmede De Mispelaar en Medlar Moore voeren aan dat ten onrechte geen alternatieven zijn bezien voor het militaire luchtverkeer dan wel voor het luchtverkeer met een recreatief karakter en waarmee een algemeen maatschappelijk belang is gediend. Voor het in het milieu-effectrapport beschreven nulalternatief had volgens BOW en andere niet van de situatie in 2000, maar van de situatie in 1979 moeten worden uitgegaan.

De Mispelaar en Medlar Moore stellen dat het milieu-effectrapport is gebaseerd op verouderde gegevens met betrekking tot de flora en fauna. Verder ontbreken volgens hen in het milieu-effectrapport gegevens voor de aantallen vliegtuigbewegingen, passagiers en vracht in 2004 en 2005, en is onvoldoende informatie beschikbaar ten aanzien van het aspect geurhinder.

[appellanten sub 5] betogen dat onder meer de geluidssituatie niet inzichtelijk is gepresenteerd in het milieu-effectrapport. Daarbij wijzen zij er op dat het milieu-effectrapport vele rapporten omvat en dat kaartmateriaal tussentijds is aangepast.

2.10.1. Ingevolge artikel 7.2, derde lid, van de Wet milieubeheer in samenhang bezien met artikel 2, vierde lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit) moet bij de voorbereiding van besluiten die in kolom 4 van onderdeel C van de bijlage van het Besluit zijn aangewezen, een milieu-effectrapport worden gemaakt.

Ingevolge categorie 6.1 van onderdeel C van de bijlage van het Besluit, voor zover hier van belang, is het maken van een milieu-effectrapport verplicht voor de aanleg, de inrichting of het gebruik van een luchtvaartterrein als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Luchtvaartwet, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een luchtvaartterrein dat de beschikking krijgt over een start- of landingsbaan met een lengte van 1.800 meter of meer. In kolom 4 zijn, voor zover hier van belang, als besluiten aangewezen de aanwijzing bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Luchtvaartwet, of het besluit tot wijziging daarvan, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Luchtvaartwet.

Ingevolge categorie 6.2 van onderdeel C van de bijlage van het Besluit, voor zover hier van belang, is het maken van een milieu-effectrapport verplicht voor de wijziging in de ligging van een start- of landingsbaan, de verlenging of verbreding daarvan, of de intensivering of wijziging van het gebruik van het luchtvaartterrein, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:

1˚. een start- of landingsbaan met een lengte van 1.800 meter of meer en

2˚. een geluidszone als bedoeld in artikel 25a van de Luchtvaartwet wordt vastgesteld of gewijzigd, tenzij de gewijzigde zone geheel valt binnen de oorspronkelijke geluidszone of de zone vervalt. In kolom 4 is, voor zover hier van belang, als besluit aangewezen het besluit als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Luchtvaartwet tot wijziging van de aanwijzing, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van die wet.

2.10.2. Het militaire luchtvaartterrein Eindhoven is eerder bij besluit van 5 mei 1978 (Stcrt. 1978 nr. 122), onherroepelijk geworden bij KB van 6 september 1979, nr. 45 (Stcrt. 1979 nr. 179), aangewezen. Deze aanwijzing is nadien bij besluit van 11 mei 1987 gedeeltelijk gewijzigd. Het thans aan de orde zijnde aanwijzingsbesluit voorziet niet in de wijziging, maar in de intrekking van deze eerder genomen besluiten, een nieuwe aanwijzing van het militaire luchtvaartterrein als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Luchtvaartwet alsmede de vaststelling van een geluidszone rond dit terrein als bedoeld in artikel 25a van die wet. Nu geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Luchtvaartwet tot wijziging van de aanwijzing, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van die wet is categorie 6.2 van onderdeel C van de bijlage van het Besluit niet van toepassing. Categorie 6.1 van onderdeel C van de bijlage van het Besluit is evenmin van toepassing, nu het aanwijzingsbesluit niet voorziet in fysieke veranderingen op of aan de bestaande start- en landingsbanen van het luchtvaartterrein. De aanleiding voor het aanwijzingsbesluit is, zoals verweerders ter zitting hebben bevestigd, gelegen in de omstandigheid dat in het KB van 6 september 1979 slechts een indicatieve geluidszone voor het militaire luchtvaartterrein was opgenomen en nog niet was voldaan aan de wettelijke verplichting om rond dit terrein een geluidszone als bedoeld in artikel 25a van de Luchtvaartwet vast te stellen. Onder deze omstandigheden bestaat, anders dan BOW en andere hebben aangevoerd, geen verplichting tot het maken van een milieu-effectrapport. Het door verweerders opgestelde milieu-effectrapport moet dan ook worden aangemerkt als een onverplicht, vrijwillig opgesteld milieu-effectrapport.

2.10.3. Het milieu-effectrapport bestaat uit een hoofdrapport, diverse bijlagen en een separate samenvatting. Aangezien deze documenten gedurende de besluitvormingsprocedure zijn aangevuld en geactualiseerd, laat de leesbaarheid te wensen over. Verweerders beschouwen dit, in navolging van het advies van de commissie mer, evenwel niet als een essentiële tekortkoming. Hetgeen [appellanten sub 5] hebben aangevoerd geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op dit standpunt hebben kunnen stellen. Overigens hebben verweerders in paragraaf 4.6 van de toelichting bij het aanwijzingsbesluit de inhoud van het milieu-effectrapport, waaronder hetgeen in de verschillende documenten staat vermeld aangaande de geluidsbelasting van het militaire luchtvaartterrein, samengevat weergegeven.

2.10.4. In de paragrafen 7.4 en 7.7 van het hoofdrapport wordt ingegaan op het aspect geurhinder respectievelijk de mogelijke gevolgen voor de flora en fauna. Wat betreft dit laatste onderwerp is gebruik gemaakt van inventarisatiegegevens en rapporten uit 1999, 2000 en 2001. Op verschillende plaatsen in het milieu-effectrapport wordt verder ingegaan op de aantallen vliegtuigbewegingen, passagiers en vracht. Hetgeen De Mispelaar en Medlar Moore hebben aangevoerd biedt geen aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de in het milieu-effectrapport opgenomen informatie in zoverre niet is gebaseerd op verouderde gegevens en toereikend kan worden geacht.

2.10.5. Wat betreft het gebruik van het militaire luchtvaartterrein voor militaire doeleinden bestaat de voorgenomen activiteit uit de continuering van de bestaande situatie. In deze bestaande situatie vindt luchtverkeer plaats ten behoeve van het ter plaatse gestationeerde transportsquadron en heeft het militaire luchtvaartterrein een functie als reservebasis alsmede dispersion operating base dan wel reaction force/augmentation force voor jachtvliegtuigen. Daarnaast wordt ten behoeve van het civiele medegebruik van het militaire luchtvaartterrein (periodiek) ontheffing als bedoeld in de artikelen 33 en 34 Luchtvaartwet verleend. Voor zover het bij dit civiele medegebruik gaat om luchtverkeer met een recreatief karakter en luchtverkeer waarmee een algemeen maatschappelijk belang is gediend, zoals bijvoorbeeld ambulance-, donor- en politievluchten, bestaat de voorgenomen activiteit eveneens uit continuering van de bestaande situatie. Dit civiele medegebruik is blijkens het deskundigenbericht een vast onderdeel van de afspraken voor het luchtvaartterrein. Hetgeen BOW en andere alsmede De Mispelaar en Medlar Moore hebben aangevoerd geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat voor voormelde voorgenomen activiteiten geen alternatieven beschikbaar zijn die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen. Een beschrijving van alternatieven in het milieu-effectrapport kon in zoverre dan ook achterwege blijven.

2.10.6. Voor zover het bij het civiele medegebruik van het militaire luchtvaartterrein gaat om commercieel luchtverkeer, dat door tussenkomst van Eindhoven Airport wordt afgehandeld, bestaat de voorgenomen activiteit uit een verdere groei daarvan tot 25.944 vliegtuigbewegingen waarvan 6.052 zware vliegtuigbewegingen per jaar. In het milieu-effectrapport wordt voor deze voorgenomen activiteit, planalternatief 2, plan 2007, een groeialternatief, een beperkt groeialternatief en een nulalternatief beschreven. Bij laatstgenoemd alternatief wordt de voorgenomen activiteit noch één van de andere alternatieven gerealiseerd, maar wordt aangenomen dat niet meer vliegtuigbewegingen zullen plaatsvinden dan in het jaar 2000 waren toegestaan, te weten 18.050 vliegtuigbewegingen waarvan 800 zware vliegtuigbewegingen per jaar. Deze situatie kan volgens verweerders worden beschouwd als een beschrijving van de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen. De Afdeling stelt vast dat het aldus beschreven nulalternatief in overeenstemming is met het advies van de commissie mer over het geven van richtlijnen inzake de inhoud van het milieu-effectrapport. Dat, zoals BOW en andere hebben aangevoerd, in het jaar 2000 nog geen geluidszone als bedoeld in artikel 25a van de Luchtvaartwet was vastgesteld, betekent, anders dan zij kennelijk veronderstellen, niet dat bij het nulalternatief wordt uitgegaan van een illegale situatie. Voor de hiervoor genoemde aantallen vliegtuigbewegingen was namelijk ontheffing als bedoeld in de artikelen 33 en 34 van de Luchtvaartwet verleend. Gezien het voorgaande geeft hetgeen BOW en andere hebben aangevoerd geen aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het milieu-effectrapport niet ontoereikend is vanwege het daarin beschreven nulalternatief.

Begrenzing militair luchtvaartterrein

2.11. [appellante sub 3], [appellant sub 4] alsmede [appellanten sub 5] voeren aan dat er geen noodzaak bestaat om de percelen kadastraal bekend gemeente Strijp, sectie G, nummers 117 en 654, van het militaire luchtvaartterrein deel te laten uitmaken.

Verweerders hebben blijkens de bij het aanwijzingsbesluit behorende toelichting alle gronden waar luchtvaartuigen kunnen landen, opstijgen, taxiën of worden gestald, aangewezen als militair luchtvaartterrein. Ter zitting hebben verweerders nader uiteen gezet dat dit niet betekent dat uitsluitend het banenstelsel als militair luchtvaartterrein is aangewezen. Ook de direct aan dit banenstelsel grenzende gronden zijn als militair luchtvaartterrein aangewezen, aangezien deze van belang zijn voor het functioneren van het luchtvaartterrein. Verweerders hebben ter zitting verder gewezen op een aantal toekomstige ontwikkelingen als gevolg waarvan het belang van de percelen kadastraal bekend gemeente Strijp, sectie G, nummers 117 en 654, voor het militaire luchtvaartterrein zal toenemen.

De Afdeling stelt vast dat de percelen, kadastraal bekend gemeente Strijp, sectie G, nummers 117 en 654, zijn gelegen ten noorden van het banenstelsel en dat meerdere zijden van deze percelen direct grenzen aan andere bij het aanwijzingsbesluit aangewezen gedeelten van het militaire luchtvaartterrein. Gelet op deze zogoed als ingeklemde ligging hebben verweerders - wat van voormelde toekomstige ontwikkelingen ook zij - zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de betrokken percelen in functioneel opzicht tot het militaire luchtvaartterrein behoren.

Omvang geluidszone

2.12. BOW en andere, De Mispelaar en Medlar Moore alsmede [appellanten sub 5] voeren aan dat rond het militaire luchtvaartterrein ten onrechte een ruimere dan voor de afhandeling van het voorziene luchtverkeer benodigde geluidszone is vastgesteld. Zij wijzen er in dit verband op dat in de afgelopen jaren de indicatieve geluidszone zoals opgenomen in het KB van 6 september 1979 nimmer volledig is benut.

2.12.1. Bij het aanwijzingsbesluit hebben verweerders rond het militaire luchtvaartterrein een geluidszone met een grenswaarde van 35 Kosteneenheden (hierna: Ke) vastgesteld. Verweerders wijzen erop dat deze geluidszone, op enkele geringe overschrijdingen na, geheel binnen de geluidszone zoals opgenomen in het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen (hierna: het SMT2) valt. De omvang van de geluidszone is voor wat betreft het militaire gebruik van het militaire luchtvaartterrein volgens verweerders afgestemd op het gebruik dat zich gedurende enig jaar kan voordoen. Het kan daarbij volgens verweerders bijvoorbeeld gaan om de situatie dat het militaire luchtvaartterrein gedurende enkele maanden wordt gebruikt als reservebasis voor één of twee squadrons jachtvliegtuigen. Voor wat betreft het civiele medegebruik van het militaire luchtvaartterrein is de omvang van de geluidszone afgestemd op het in het milieu-effectrapport beschreven planalternatief 2, aldus verweerders.

2.12.2. De bij het aanwijzingsbesluit vastgestelde geluidszone met een grenswaarde van 35 Ke is van toepassing op opstijgende en landende luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Luchtvaartwet. Het kan daarbij zowel om militaire als om civiele luchtvaartuigen gaan die op basis van een (periodieke) ontheffing als bedoeld in de artikelen 33 en 34 van de Luchtvaartwet van het militaire luchtvaartterrein gebruik mogen maken. Aangezien de omvang van de geluidszone in belangrijke mate bepalend is voor het gebruik dat van het militaire luchtvaartterrein kan worden gemaakt, dient deze deugdelijk te worden gemotiveerd.

Het SMT2 betreft een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bevat de hoofdlijnen van het rijksbeleid voor militaire terreinen en complexen. In hoofdstuk 2 van deel 4 het SMT2 is een aantal kaarten opgenomen waaronder een kaart met een geluidszone voor het militaire luchtvaartterrein Eindhoven. Deze geluidszone komt blijkens de stukken overeen met de indicatieve geluidszone zoals opgenomen in het KB van 6 september 1979. Voormelde kaarten hebben blijkens hoofdstuk 2 van deel 4 van het SMT2 evenwel niet de status van planologische kernbeslissing, maar zijn uitsluitend van informatieve waarde. Mede gelet hierop kan de verwijzing van verweerders naar de in het SMT2 opgenomen geluidszone niet worden aanvaard als een toereikende motivering voor de omvang van de vastgestelde geluidszone.

Naar aanleiding van de tegen het ontwerpaanwijzingsbesluit naar voren gebrachte zienswijzen hebben verweerders overwogen dat het militaire luchtvaartterrein de afgelopen jaren slechts in beperkte mate is gebruikt ten behoeve van jachtvliegtuigen en bondgenootschappelijk medegebruik. De door verweerders overgelegde gegevens voor 2007 bevestigen dit. Uit deze gegevens blijkt namelijk dat de omvang van de geluidszone die hoort bij de feitelijke geluidsbelasting vanwege civiele en militaire luchtvaartuigen in 2007 aanzienlijk kleiner is dan de omvang van de geluidszone van het SMT2 en de omvang van de bij het aanwijzingsbesluit vastgestelde geluidszone. Voor zover verweerders hebben betoogd dat met de sluiting van de militaire luchtvaartterreinen Twenthe, Soesterberg en Valkenburg het belang van het militaire luchtvaartterrein Eindhoven is toegenomen, wordt het volgende overwogen. Verweerders hebben niet inzichtelijk gemaakt in welke verhouding de capaciteit van het onderhavige militaire luchtvaartterrein staat tot de beschikbare capaciteit van andere militaire luchtvaartterreinen voor militair gebruik. Aldus is onduidelijk gebleven in hoeverre de omvang van de bij het aanwijzingsbesluit vastgestelde geluidszone gerechtvaardigd is in verband met de sluiting van voormelde militaire luchtvaartterreinen dan wel het voorziene bondgenootschappelijk medegebruik van het militaire luchtvaartterrein.

Conclusie

2.13. De beroepen van [appellante sub 3] en [appellant sub 4] richten zich uitsluitend tegen de begrenzing van het luchtvaartterrein. Hetgeen zij hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerders het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in redelijkheid hebben kunnen nemen.

De beroepen van [appellante sub 3] en [appellant sub 4] zijn ongegrond.

2.14. De beroepen van BOW en andere, De Mispelaar en Medlar Moore alsmede [appellanten sub 5] richten zich mede tegen de omvang van de bij het aanwijzingsbesluit vastgestelde geluidszone. Hetgeen zij hebben aangevoerd geeft aanleiding voor het oordeel dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen van BOW en andere, De Mispelaar en Medlar Moore alsmede [appellanten sub 5] zijn gegrond. De bij het aanwijzingsbesluit vastgestelde geluidszone dient te worden vernietigd. Het besluit over de planologische doorwerking dient, vanwege de onlosmakelijke samenhang met het aanwijzingsbesluit, geheel te worden vernietigd. Verweerders dienen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. Gezien het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden van BOW en andere, De Mispelaar en Medlar Moore alsmede [appellanten sub 5] geen bespreking.

2.15. Als gevolg van voormelde gedeeltelijke vernietiging van het aanwijzingsbesluit geldt voor het militaire luchtvaartterrein geen geluidszone meer. Teneinde deze situatie waarin nagenoeg geen beperkingen gelden ten aanzien van het gebruik dat van het militaire luchtvaartterrein kan worden gemaakt te ondervangen, en bij afweging van de betrokken belangen, ziet de Afdeling aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. In verband hiermee is de staatssecretaris van Defensie ter zitting verzocht geluidsberekeningen over te leggen. Verzocht is onder meer een geluidscontour te berekenen voor het militaire en het civiele luchtverkeer gezamenlijk, gebaseerd op de volgevlogen geluidscontouren van 2007 voor deze typen luchtverkeer, een opslag van 12½% voor het civiele luchtverkeer, een opslag van 5% voor het militaire luchtverkeer alsmede het gebruik van het militaire luchtvaartterrein door één squadron F16 jachtvliegtuigen gedurende 6 maanden. Ter zitting is voorts met partijen overleg gevoerd over de procedure waarvan de uitkomst is dat, nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op voormelde geluidsberekeningen te reageren, de Afdeling de zaak niet opnieuw ter zitting zal behandelen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2009, heeft de staatssecretaris van Defensie de door de Afdeling gevraagde geluidsberekeningen overgelegd en heeft hij een nadere toelichting op zijn standpunt gegeven. Een aantal partijen heeft bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 29 en 30 juni 2009, schriftelijk op deze stukken gereageerd. Gelet op hetgeen de staatssecretaris van Defensie ter zitting is verzocht, kan de Afdeling geen rekening houden met de door hem gegeven nadere toelichting op zijn standpunt. De Afdeling ziet gelet op het gevoerde overleg ter zitting en uit eigen hoofde geen aanleiding de behandeling van de zaak te heropenen.

Ter voorlichting van partijen wordt opgemerkt dat de Afdeling kan worden verzocht de voorlopige voorziening te wijzigen.

2.16. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten van BOW en andere, De Mispelaar en Medlar Moore alsmede [appellanten sub 5] te worden veroordeeld.

Voor een proceskostenveroordeling ten behoeve van [appellante sub 3] en [appellant sub 4] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van de Vereniging Belangenbehartiging Omwonenden Welschap en andere, Beleggingsmaatschappij De Mispelaar B.V. en Medlar Moore B.V. alsmede [appellant sub 5 A] en [appellante sub 5 B] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Defensie in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 18 december 2007, kenmerk DRMV/2007030234, voor zover het bijlage I van dit besluit, waarop de geluidszone voor het militaire luchtvaartterrein staat aangegeven, betreft;

vernietigt het besluit van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met de staatssecretaris van Defensie van 18 december 2007, kenmerk 2007105781;

III. treft de voorlopige voorziening dat de bij deze uitspraak behorende kaart wordt geacht bijlage I van het besluit van de staatssecretaris van Defensie in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 18 december 2007, kenmerk DRMV/2007030234, te zijn;

IV. bepaalt dat de onder III opgenomen voorlopige voorziening vervalt op het tijdstip dat een nieuw aanwijzingsbesluit voor het militaire luchtvaartterrein in werking treedt;

V. verklaart de beroepen van [appellante sub 3] en [appellant sub 4] ongegrond;

VI. veroordeelt de staatssecretaris van Defensie en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer gezamenlijk, in verband met de behandeling van onderstaande beroepen opgekomen proceskosten, tot vergoeding van:

- een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan de Vereniging Belangenbehartiging Omwonenden Welschap en andere;

- een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan de Beleggingsmaatschappij De Mispelaar B.V. en Medlar Moore B.V.;

- een bedrag van € 483,00 (zegge: vierhonderddrieëntachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 5 A] en [appellante sub 5 B];

de bedragen dienen door de Staat der Nederlanden (het ministerie van Defensie) aan de Vereniging Belangenbehartiging Omwonenden Welschap en andere, Beleggingsmaatschappij De Mispelaar B.V. en Medlar Moore B.V. alsmede [appellant sub 5 A] en [appellante sub 5 B] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Defensie) het voor de behandeling van onderstaande beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- een bedrag van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) aan zowel de Vereniging Belangenbehartiging Omwonenden Welschap en andere als aan Beleggingsmaatschappij De Mispelaar B.V. en Medlar Moore B.V;

- een bedrag van € 143,00 (honderddrieënveertig euro) aan [appellant sub 5 A] en [appellante sub 5 B].

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Jansen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2009

399.

<HR>

plankaart