Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4605

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
05-08-2009
Zaaknummer
200806955/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een dierenpension gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 7 augustus 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.9
Wet milieubeheer 8.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2009/4898
JOM 2009/720
OGR-Updates.nl 09-104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806955/1/M2.

Datum uitspraak: 5 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een dierenpension gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 7 augustus 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2008, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht.

Het college en vergunninghoudster hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2009, waar [een van de appellanten sub 1] in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. E.M. van der Molen, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. IJsseldijk en P. Aarsen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghoudster, in persoon en bijgestaan door A.J.M. van Wieren, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat het college niet is ingegaan op alle door hen ingebrachte zienswijzen.

2.1.1. Ingevolge artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval de naar voren gebrachte zienswijzen.

2.1.2. Het college is in het bestreden besluit ingegaan op de door [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] naar voren gebrachte zienswijzen. De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer. De beroepsgrond faalt.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.3. [appellant sub 2] voert aan dat de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften ontoereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken. Hij stelt dat er lagere geluidgrenswaarden gesteld hadden moeten worden nu de inrichting is gelegen in een zeer rustige, landelijke omgeving. Verder had het college de aanvraag moeten toetsen aan het gemeentelijke conceptbeleid voor geluid, aldus [appellant sub 2]. Hij stelt voorts dat binnen de inrichting niet de in aanmerking komende beste beschikbare technieken voor geluid worden toegepast.

2.3.1. Het college heeft voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten directe geluidhinder, voor zover hier van belang, hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt gehanteerd. Niet bestreden is dat de omgeving van de inrichting een landelijk gebied is. Ingevolge hoofdstuk 4 van de Handreiking gelden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor een landelijke omgeving als richtwaarden 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Voor het maximale geluidniveau wordt in hoofdstuk 3 van de Handreiking aanbevolen dat deze waarden niet hoger zijn dan 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.3.2. Voor zover [appellant sub 2] stelt dat het college aansluiting had moeten zoeken bij het gemeentelijke geluidbeleid van de gemeente Bronckhorst, overweegt de Afdeling dat dit beleid zich ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog in de concept fase bevond. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat het college de Handreiking niet als uitgangspunt heeft kunnen nemen voor de beoordeling van geluidhinder vanwege de inrichting.

2.3.3. Het college heeft ten aanzien van woningen van derden beoogd aansluiting te zoeken bij de richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau die in de Handreiking zijn genoemd voor een landelijke omgeving te weten 40, 35 en 30 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Omwille van de handhaafbaarheid heeft het college in de voorschriften 7.1.1 en 7.1.2 van hoofdstuk 7 van de voorschriften geluidnormen vastgesteld voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau op een tweetal referentiepunten op een afstand van circa 50 meter van de inrichting. Woningen van derden zijn op een grotere afstand dan 50 meter van de inrichting gelegen.

Het college stelt dat de bij het bestreden besluit gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op referentiepunt 1 van 56, 43 en 34 dB(A) en op referentiepunt 2 van 55, 40 en 31 dB(A) ter plaatse van de woningen van derden neerkomen op de in de Handreiking genoemde richtwaarden van 40, 35 en 30 dB(A). In het bij de aanvraag behorende akoestisch onderzoek van 21 april 2008, kenmerk WEN-DP/0301/R004, wordt dit bevestigd.

Voor het maximale geluidniveau heeft het college ter plaatse van referentiepunt 1 geluidgrenswaarden gesteld van 75, 54 en 54 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode en ter plaatse van referentiepunt 2 van 75, 51 en 51 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Uit voornoemd akoestisch onderzoek blijkt dat deze geluidgrenswaarden ter plaatse van de woningen van derden neerkomen op een geluidbelasting van maximaal 56, 42 en 42 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.3.4. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften 7.1.1 en 7.1.2 van hoofdstuk 7 toereikend zijn ter voorkoming, dan wel voldoende beperking, van geluidhinder. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de in voornoemde vergunningvoorschriften gestelde geluidgrenswaarden niet aansluiten bij de toepassing van de beste beschikbare technieken. De beroepsgrond faalt.

2.4. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende akoestische onderzoeken van 12 februari 2007 en 21 april 2008 geen representatief beeld geven van de daadwerkelijke geluidbelasting, zodat de gestelde geluidgrenswaarden niet nageleefd kunnen worden. Zij wijzen er in dit verband op dat ten onrechte is uitgegaan van een blaftijd van de honden van 5% en dat in de rapporten is uitgegaan van een te laag bronniveau voor een blaffende hond. [appellant sub 2] stelt voorts dat de berekening niet conform de Handleiding meten en rekening industrielawaai 1999 (hierna: de Handleiding) is uitgevoerd.

2.4.1. In het akoestisch onderzoek van 21 april 2008 wordt uitgegaan van een blaftijd van 5% en van een bronniveau van 126 dB(A) voor de honden. Volgens het deskundigenbericht is het gehanteerde bronniveau een representatief uitgangspunt. Dit geldt ook voor de blaftijd van 5%, mits er, kort samengevat, bij een volle pensionbezetting niet meer dan 20 honden tegelijk buiten zijn, er intensief toezicht wordt gehouden en ondoorzichtig materiaal langs de grote speelweide wordt aangebracht. De Afdeling ziet geen aanleiding om deze conclusie onjuist te achten.

2.4.2. In het bij de aanvraag behorende akoestische onderzoek van 12 februari 2007 is de representatieve bedrijfssituatie weergegeven. Daaruit volgt dat er in de representatieve bedrijfssituatie maximaal 50 honden aanwezig zijn in het pension. Bij de indeling van de groepen wordt zoveel mogelijk gelet op het karakter van de honden om onnodig geblaf te voorkomen. Agressieve honden en honden met afwijkend blafgedrag worden geweigerd. De honden worden in groepen tot maximaal 20 honden uitgelaten. De representatieve bedrijfssituatie, zoals die is aangevraagd en vergund, komt overeen met de in het deskundigenbericht omschreven bedrijfssituatie waarbij een blaftijd van 5% representatief wordt geacht. Bovendien zijn aan de vergunning voorschriften verbonden die de in het akoestische onderzoek van 12 februari 2007 omschreven representatieve bedrijfssituatie waarborgen.

In de akoestische onderzoeken staat vermeld dat de berekening van de geluidbelasting conform de Handleiding is uitgevoerd. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is.

2.4.3. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat aan de bij de aanvraag behorende akoestische onderzoeken gebreken kleven. Uit deze onderzoeken volgt dat aan de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau kan worden voldaan, zodat het college terecht heeft gesteld dat de geluidvoorschriften naleefbaar zijn. De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat de geluidbelasting zal toenemen door de verplaatsing van de buitenruimten van de inrichting in de richting van de woningen van omwonenden. [appellanten sub 1] stellen verder dat de honden die in het kennelgebouw verblijven meer geluid veroorzaken dan waarvan is uitgegaan in de akoestische onderzoeken, omdat het kennelgebouw onvoldoende geïsoleerd is.

2.5.1. Het college moest beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Uit de bij de aanvraag behorende akoestische onderzoeken, die blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaken van de vergunning, blijkt dat de inrichting zoals die is aangevraagd, kan voldoen aan de gestelde geluidgrenswaarden. Daarbij is ervan uitgegaan dat het binnen de inrichting aanwezige kennelgebouw wordt geïsoleerd. Daartoe is voorschrift 7.4.2 aan de vergunning verbonden. In de akoestische onderzoeken is de verplaatsing van de buitenruimten eveneens meegenomen in de beoordeling van de geluidhinder vanwege de inrichting. Indien de vergunning niet wordt nageleefd, kan het college handhavingsmaatregelen treffen. De beroepsgrond faalt.

2.5.2. Voor zover [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] aanvoeren dat de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften niet worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen.

2.6. [appellant sub 2] voert aan dat er meer verkeersbewegingen plaatsvinden van en naar de inrichting dan waarvan in de akoestische onderzoeken is uitgegaan, zodat de geluidhinder vanwege wegverkeer van en naar de inrichting hoger is dan uit deze onderzoeken volgt.

2.6.1. Het college moest beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. In de bij de aanvraag behorende akoestisch onderzoeken is uitgegaan van vervoersbewegingen van 30 personenwagens en 2 bestelwagens per dag. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit uitgangspunt onjuist is.

2.6.2. De geluidhinder vanwege wegverkeer van en naar de inrichting is getoetst aan de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door wegverkeer van en naar de inrichting" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. In de circulaire is een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) (etmaalwaarde) voor geluidhinder vanwege wegverkeer van en naar de inrichting opgenomen. Uit de akoestische onderzoeken volgt dat de geluidbelasting vanwege wegverkeer van en naar de inrichting 41 dB(A) bedraagt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat in zoverre gebreken kleven aan de akoestische onderzoeken. Nu de geluidbelasting vanwege wegverkeer van en naar de inrichting lager is dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A), heeft het college terecht gesteld dat deze grenswaarde niet zal worden overschreden. De beroepsgrond faalt.

2.7. [appellant sub 2] stelt dat het bestreden besluit in strijd is met het ter plaatse van de inrichting geldende bestemmingsplan.

2.7.1. Artikel 8.9 van de Wet milieubeheer bepaalt, voor zover hier van belang, dat het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag er zorg voor draagt dat geen strijd ontstaat met regels die met betrekking tot de inrichting gelden bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening.

Ingevolge artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

Ingevolge artikel 8.10, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer moet de vergunning worden geweigerd indien door verlening daarvan strijd zou ontstaan met regels als bedoeld in artikel 8.9.

Artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer bepaalt, voor zover hier van belang, dat in afwijking van het eerste lid de vergunning tevens kan worden geweigerd ingeval door verlening van de vergunning strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

2.7.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 mei 2009 in zaak nr. 200806366/1) brengt een redelijke wetsuitleg mee dat artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer moet worden beschouwd als een uitzondering op de algemene regels van artikel 8.10, tweede lid, samen met artikel 8.9. De betrokken bepalingen moeten aldus worden gelezen, dat in de gevallen waarop artikel 8.10, derde lid, betrekking heeft geen plicht maar een bevoegdheid bestaat om de gevraagde milieuvergunning te weigeren.

2.7.3. De vergunning zoals die is aangevraagd met de uitlaatterreinen aan de noordzijde van de inrichting was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet toegestaan op grond van het bestemmingsplan. Het college heeft hierin echter geen aanleiding gezien om de gevraagde vergunning te weigeren, omdat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een wijziging van het bestemmingsplan in ontwerp ter inzage lag, op grond waarvan het zou worden toegestaan de uitlaatterreinen aan de noordzijde te situeren. Er is geen grond voor het oordeel dat het college met deze motivering niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de vergunning niet krachtens artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer geweigerd behoefde te worden. Dat, zoals ter zitting is gebleken, na het nemen van het bestreden besluit het definitieve besluit tot wijziging van het bestemmingsplan is vernietigd door de Afdeling en met een correctieve herziening is bewerkstelligd dat het bestemmingsplan slechts uitlaatterreinen aan de zuidzijde van de inrichting toestaat, maakt dit niet anders nu deze omstandigheid zich eerst na het nemen van het bestreden besluit heeft voorgedaan. De beroepsgrond faalt.

2.8. [appellant sub 2] voert aan dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van kwetsbare gebieden in de omgeving van de inrichting, waarop de Natuurbeschermingswet 1998 van toepassing is.

2.8.1. Voor zover de inrichting al is gelegen in of nabij een gebied dat ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 wordt beschermd, overweegt de Afdeling dat de effecten van de inrichting op zo'n gebied aan de orde dienen te komen bij de vraag of een vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 is vereist en zo ja, of die vergunning kan worden verleend en onder welke voorwaarden. Er bestaat in zoverre geen ruimte voor beoordeling van deze bezwaren in het kader van het beroep tegen het thans bestreden besluit. De beroepsgrond faalt.

2.9. De beroepen zijn ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2009

492.