Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4601

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
05-08-2009
Zaaknummer
200808985/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 29 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bio Energie Bunne Holding B.V. (hierna: Bio) voor het oprichten van een biogasinstallatie op het perceel Roderweg 0, op de hoek van de Bongveenweg en Roderweg, te Bunne (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2009, 103 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
JOM 2009/889
OGR-Updates.nl 09-120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808985/1/H1.

Datum uitspraak: 5 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid IVN, Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie, afdeling Eelde-Paterswolde, gevestigd te Eelde, gemeente Tynaarlo,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 30 oktober 2008 in zaak nr. 07/940 in het geding tussen:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid IVN, Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie, afdeling Eelde-Paterswolde

en

het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 29 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bio Energie Bunne Holding B.V. (hierna: Bio) voor het oprichten van een biogasinstallatie op het perceel Roderweg 0, op de hoek van de Bongveenweg en Roderweg, te Bunne (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 september 2007 heeft het college het door IVN, Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie, afdeling Eelde-Paterswolde (hierna: IVN) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 oktober 2008, verzonden op 3 november 2008, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het door IVN daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft IVN bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bio heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

IVN heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2007, waar IVN, vertegenwoordigd door W.L. Jonker-ter Veld en A. Ab-van Zanten, en het college, vertegenwoordigd door J.E. Ploeger en N.Y.D. Schipper-Simonis, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting Bio, vertegenwoordigd door H.R. Bousema, W.A. Kieviet en E.H. Mulder, bijgestaan door mr. P.J.G.G. Sluyter, advocaat te Assen, en het college van gedeputeerde staten van Drenthe, vertegenwoordigd door drs. M.A.L. Janssen en mr. G.H. Arkema, beiden ambtenaar in dienst van de provincie, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) van de voormalige gemeente Vries, thans gemeente Tynaarlo, rust op het perceel de bestemming "jonge veldontginningen" met als nadere aanduiding "mestopslagbedrijf".

2.2. Met het bouwplan wordt beoogd een biogasinstallatie op te richten op de plaats waar reeds een mestopslagbedrijf is gevestigd. Bio is een samenwerkingsverband tussen het loonbedrijf van H.R. Bousema, het melkveebedrijf van W.A. Kievit en het akkerbouwbedrijf maatschap Mulder en heeft als doel het winnen van elektriciteit uit dierlijke mest.

Het bouwplan is wat de bestemming betreft, de overschrijding van het bouwvlak en de maximaal toegestane hoogte voor bebouwing in strijd met het bestemmingsplan. Om vergunningverlening mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

2.3. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.4. IVN betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat aan de verleende vrijstelling geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt. Hiertoe wijst IVN onder andere op de "Handreiking co-vergisting van mest" (hierna: de handreiking) die in april 2005 door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is opgesteld. Volgens IVN heeft het college, gelet op het bepaalde in de handreiking, onvoldoende gemotiveerd waarom de biogasinstallatie, die is te beschouwen als een industriële activiteit in de zin van de handreiking, op het perceel ruimtelijk goed inpasbaar is. Voorts stelt IVN dat de biogasinstallatie niet duurzaam is, omdat de vrij te komen warmte niet benut wordt en wijst zij er op dat de aanwezigheid van de biogasinstallatie zal leiden tot een verkeersgevaarlijke situatie ter plaatse.

2.4.1. Bij de vraag of het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing komt het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid toe. De rechtbank heeft de vraag of het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing dan ook terecht enigszins terughoudend getoetst.

2.4.2. Aan de besluiten van 29 september 2006 heeft het college de ruimtelijke onderbouwing opgesteld door DLV Bouw, Milieu en Techniek BV, Regio Noord en West van 5 september 2006 ten grondslag gelegd. Uit deze ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het college bij de besluitvorming omtrent de verlening van de vrijstelling de handreiking heeft betrokken. IVN kan derhalve niet worden gevolgd in haar standpunt dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de handreiking. Daarbij zij opgemerkt dat - anders dan INV veronderstelt - de handreiking geen juridische bindende status heeft, maar de staatssecretaris wel heeft geadviseerd deze te gebruiken bij de vergunningverlening van co-vergistingsinstallaties, waaronder begrepen de thans in geding zijnde biogasinstallatie.

De handreiking gaat ervan uit dat de oprichting van biogasinstallaties als industriële activiteit, waar in dit geval sprake van is, bij voorkeur plaatsvindt op een bedrijventerrein, een vestigingsplaats voor glastuinbouw of een terrein voor rioolwaterzuiveringsinstallaties. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat vestiging op één van die plaatsen niet mogelijk is in de gemeente Tynaarlo. Een vestigingsplaats voor glastuinbouw en een terrein voor rioolwaterzuiveringsinstallaties zijn niet aanwezig. Weliswaar is op het bedrijventerrein Vriezenbrug ruimte beschikbaar voor de biogasinstallatie, maar de oprichting daarvan op die locatie wordt ongewenst geacht omdat dit terrein is gelegen langs de A28 en een zichtlocatie betreft. Tevens is dit bedrijventerrein gelegen op ongeveer negen kilometer van het perceel, zodat de relatie met de op het perceel bestaande bouwwerken, die zijn opgenomen in het bouwplan, verloren gaat. Gelet hierop heeft het college, anders dan IVN heeft betoogd, voldoende gemotiveerd waarom de biogasinstallatie niet in overeenstemming met de handreiking kan worden geplaatst.

Verder is van belang dat, gelet op het karakter van de biogasinstallatie, sprake is van een relatief geringe inbreuk op het ter plaatse geldende planologische regime, nu op het perceel de bestemming "jonge veldontginningen" met als nadere aanduiding "mestopslagbedrijf" rust en daar ook daadwerkelijk een mestopslagbedrijf in werking is, hetgeen eveneens een industriële activiteit betreft. De in het bouwplan voorziene bebouwing sluit aan bij de drie, tot het mestopslagbedrijf behorende, op het perceel aanwezige mestsilo's. De in het bouwplan voorziene bouwwerken worden voorts door het daarbij behorende beplantingsplan ingepast in de landschappelijke omgeving. Gelet hierop kan IVN dan ook niet worden gevolgd in haar standpunt dat het bouwplan een onaanvaardbare aantasting van het landschappelijke karakter van de omgeving tot gevolg zal hebben.

Door het college is voorts - onder verwijzing naar de door het Ministerie van Economische Zaken aan Bio verleende exploitatiesubsidie voor de opwekking van duurzame energie en de door het college op 2 augustus 2006 aan Bio verleende milieuvergunning - aannemelijk gemaakt dat de biogasinstallatie voldoende duurzaam is. In het door IVN gestelde, dat de vrij te komen warmte van de biogasinstallatie thans nog niet kan worden benut, kan geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat de vrijstelling een goede ruimtelijke onderbouwing ontbeert. Dit oordeel kan evenmin worden gevonden in de stelling van IVN, dat realisering van het bouwplan een toename van het verkeer tot gevolg zal hebben waardoor ter plaatse een verkeersonveilige situatie te verwachten is. Ter plaatse is reeds een mestopslagbedrijf aanwezig, dat verkeer aantrekt. In de ruimtelijke onderbouwing is bij de berekening van het te verwachten aantal vervoersbewegingen uitgegaan van een zogenaamd worst case scenario. In het ergst denkbare geval zal het aantal vervoersbewegingen van vrachtwagens 70 per dag zijn, hetgeen hooguit twaalf keer per jaar zal voorkomen. Gemiddeld zal het aantal vrachtwagens dat van en naar het perceel komt 40 per week zijn. Hoewel enige verkeerstoename derhalve te verwachten is, zal deze niet zodanig zijn dat tot de conclusie moet worden gekomen dat de vrijstelling niet van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de Roderweg, een ruilverkavelingsweg zonder daaraan gelegen bebouwing, weinig bestemmingsverkeer kent. Ten aanzien van de door IVN gevreesde aantasting van de bermen geldt dat ter voorkoming daarvan graskeien in de bermen aanwezig zijn.

De conclusie is dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat aan de vrijstelling een goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt.

Het betoog faalt.

2.5. IVN betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de door het college van gedeputeerde staten van Drenthe (hierna: gedeputeerde staten) verleende verklaring van geen bezwaar. Hiertoe voert zij onder meer aan dat gedeputeerde staten er bij de verlening van de verklaring van geen bezwaar ten onrechte van zijn uitgegaan dat de biogasinstallatie een agrarische activiteit betreft.

2.6. Dit betoog faalt eveneens. De besluitvorming omtrent de verlening van de verklaring van geen bezwaar is gebaseerd op door het college overgelegde stukken, waaronder begrepen de aanvraag om bouwvergunning en de ruimtelijke onderbouwing. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat niet is gebleken dat gedeputeerde staten over onvolledige dan wel onvoldoende gegevens beschikten omtrent het bouwplan waarvoor de verklaring van geen bezwaar is afgegeven. Bij de besluitvorming hebben gedeputeerde staten tevens het Provinciaal Omgevingsplan 2004 betrokken. Hoewel het daarin gelegde beleid de vestiging van bedrijven die geen functionele binding hebben met het buitengebied in principe niet toestaat, kan hiervan onder bepaalde omstandigheden worden afgeweken. Gedeputeerde staten hebben zich - in tegenstelling tot IVN - op het standpunt gesteld dat in dit geval zich omstandigheden voordeden om van het beleid af te wijken. Zij hebben er in dit verband op gewezen dat het gebruik van de biogasinstallatie weliswaar niet functioneel is verbonden met het buitengebied, maar dat dit wel zeer verwant is met de op het perceel rustende bestemming "veldontginningen" met als nadere aanduiding "mestopslagbedrijf" en het op het perceel reeds in werking zijnde mestopslagbedrijf. Voorts sluit het bouwplan volgens gedeputeerde staten aan bij de reeds bestaande elementen in het landschap, bestaande uit de drie mestsilo's, en is, door het tot het bouwplan behorende beplantingsplan, landschappelijk gezien juist sprake van een verbetering. Tot slot hebben gedeputeerde staten zich op het standpunt gesteld dat de provincie Drenthe op grond van nieuw beleid, neergelegd in het 'Beleidskader covergisting" van oktober 2006, de ontwikkeling van duurzame energie stimuleert. Hiertoe behoort volgens hen de oprichting van de biogasinstallatie. In dit licht bezien is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat het college de door gedeputeerde staten verleende verklaring van geen bezwaar niet aan het besluit tot de verlening van vrijstelling ten grondslag heeft kunnen leggen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van

mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2009

270-163-552.