Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4588

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
05-08-2009
Zaaknummer
200807698/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Etten-Leur (hierna: het college) aan [appellant] vergunning verleend voor het innemen van een vaste standplaats op de warenmarkt van Etten-Leur op het marktterrein Raadhuisplein/plein Markt voor het oude Raadhuis te Etten-Leur met een verkoopwagen met een afmeting van maximaal 12.00 meter x 4.20 meter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807698/1/H3.

Datum uitspraak: 5 augustus 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 september 2008 in zaak nr. 07/5249 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Etten-Leur.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Etten-Leur (hierna: het college) aan [appellant] vergunning verleend voor het innemen van een vaste standplaats op de warenmarkt van Etten-Leur op het marktterrein Raadhuisplein/plein Markt voor het oude Raadhuis te Etten-Leur met een verkoopwagen met een afmeting van maximaal 12.00 meter x 4.20 meter.

Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 september 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 december 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door W.E. van Bentem, rechtskundig adviseur, en het college, vertegenwoordigd door M.L.B. Spruijt, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2 van de Marktverordening Etten-Leur 2006 (hierna: de Marktverordening) bepaalt het college ten aanzien van de markt:

a. het aantal standplaatsen;

b. de afmetingen van de standplaatsen;

c. de opstelling en de indeling van de markt;

d. welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en als standwerkersplaats.

Ingevolge artikel 3 is het college bevoegd nadere regels en/of beleidsregels te stellen betreffende het bepaalde in de verordening.

Ingevolge artikel 5 is het verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, kan, in geval van overlijden of blijvende arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder, de vaste standplaatsvergunning worden overgeschreven op de achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner of een andere achterblijvende persoon met wie hij duurzaam samenwoonde.

Ingevolge het vierde lid wordt een aanvraag tot overschrijving ingediend binnen twee maanden na het overlijden van de vergunninghouder of nadat de blijvende arbeidsongeschiktheid is vastgesteld.

Ingevolge het vijfde lid is het college bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken van het bepaalde in dit artikel.

Bij besluit van 30 augustus 2005 heeft het college het plan voor de inrichting van het Raadhuisplein en Marktplein als warenmarktterrein vastgesteld en besloten tot het toewijzen van de standplaatsen overeenkomstig deze inrichting.

Bij het vaststellen van dit inrichtingsplan heeft het college onder meer als uitgangspunten gehanteerd dat het aantal meters kramen minimaal gelijk dient te zijn aan dat op de oude locatie, en dat bij beschikbare overcapaciteit aan ruimte, uitbreiding en optimalisering van de branchering prioriteit heeft boven uitbreiding van meters van de bestaande branches, dit met het oog op kwaliteitsverhoging van de markt.

2.2. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft het college aan [appellant] vergunning verleend voor het innemen van een vaste standplaats met een verkoopwagen met een afmeting van maximaal 12.00 meter x 4.20 meter op het warenmarktterrein Raadhuisplein/plein Markt. Voorheen had hij vergunning voor een standplaats met dezelfde afmetingen.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat bij de vergunningverlening de uitgangspunten van het inrichtingsplan in acht zijn genomen en dat deze uitgangspunten niet onredelijk zijn. In het geval van [appellant] is volgens de rechtbank niet gebleken van omstandigheden die het college aanleiding hadden moeten geven om hem in afwijking van deze uitgangspunten een grotere standplaats toe te wijzen op het nieuwe warenmarktterrein. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten aan [appellant] een vergunning te verlenen voor het innemen van een standplaats voor een verkoopwagen met een afmeting van maximaal 12.00 meter x 4.20 meter.

2.4. Ter zitting is de beroepsgrond die samenhangt met het vertrek van een wethouder, ingetrokken.

[appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de beroepsgrond dat hij voorafgaande aan het besluit tot verlening van de vaste standplaatsvergunning niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

2.4.1. Dit betoog mist feitelijke grondslag. [appellant] heeft in beroep niet aangevoerd dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om voorafgaande aan het nemen van het besluit van 30 maart 2007 zijn zienswijze in te dienen. Hij heeft in zijn beroepschrift van 6 december 2007 slechts in algemene zin verwezen naar hetgeen hij in de bezwaarfase heeft aangevoerd.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat bestaande rechten bij de verlening van de vergunning zijn gerespecteerd. De rechtbank heeft hiermee miskend dat bestaande rechten mede worden bepaald door de plaats die iemand inneemt op de wachtlijst, aldus [appellant].

2.5.1. Dit betoog faalt. Aan [appellant] is in het verleden een vaste standplaatsvergunning verleend voor het innemen van een standplaats met een lengte van 12.00 meter op de warenmarkt. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit is hem opnieuw een vaste standplaatsvergunning verleend voor het innemen van een standplaats met een lengte van 12.00 meter. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het college hiermee heeft beslist overeenkomstig het uitgangspunt dat het aantal meters kramen minimaal gelijk dient te zijn aan dat op de oude locatie en dat het aldus de bestaande rechten van [appellant] heeft gerespecteerd. Het betoog van [appellant] dat hij op het oude marktkraamterrein vanwege zijn plaats op de wachtlijst bij het beschikbaar komen van een vierde kraam daarop recht zou hebben gehad en dat hij om die reden op het nieuwe marktkraamterrein eveneens recht heeft op een vierde kraam doet hieraan niet af. Het college heeft ter zitting bij de Afdeling toegelicht dat de wachtlijst na de herinrichting van de markt weliswaar wordt gehandhaafd, maar dat bij beschikbare ruimte op het nieuwe marktterrein, verbreding van de branchering prioriteit heeft boven uitbreiding van ruimte van de bestaande branches. Een beschikbare kraam wordt daarom niet zonder meer aan de eerstvolgende op de wachtlijst toegekend. Bij de verlening van een standplaatsvergunning op het nieuwe marktterrein is het aantal meters dat op het oude marktterrein was vergund bepalend en niet de plaats op de wachtlijst, aldus het college. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college het beleid niet in die zin heeft mogen wijzigen. Voorts is niet gebleken van een concrete toezegging waaraan [appellant] de gerechtvaardigde verwachting kon ontlenen dat aan hem vergunning zou worden verleend voor het innemen van een standplaats met een lengte van 16.00 meter.

2.6. [appellant] betoogt tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen reden bestaat om te twijfelen aan de verklaring van het college dat aan zijn buurman op de warenmarkt, een nieuwkomer, niet een nieuwe vergunning is verleend voor het innemen van een standplaats van 16.00 meter, maar dat een overschrijving van de bestaande vergunning heeft plaatsgevonden. Aan de buurman van [appellant] op de warenmarkt is wel degelijk een nieuwe vergunning verleend. Bovendien is niet tijdig een aanvraag ingediend voor het overschrijven van de vergunning, aldus [appellant].

2.6.1. Ook dit betoog faalt. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat het college terecht heeft gesteld dat aan de buurman van [appellant] op de warenmarkt geen nieuwe vergunning is verleend voor het innemen van een vaste standplaats met een lengte van 16.00 meter, maar dat de destijds verleende vergunning is overgeschreven op de erfgenaam van een overleden standplaatshouder, zodat niet is afgeweken van de uitgangspunten die bij de verlening van een vaste standplaatsvergunning in acht worden genomen.

2.7. Het betoog van [appellant] ter zitting bij de Afdeling dat een andere standplaatshouder op het nieuwe marktterrein een standplaats inneemt van 12.00 meter, terwijl deze standplaatshouder op het oude marktterrein een standplaats innam van 8.00 meter en hij om die reden in aanmerking komt voor een extra kraam, slaagt niet. Het college heeft bij de indeling van het nieuwe marktterrein als uitgangspunt gehanteerd dat een standplaats uit maximaal drie kramen, zijnde 12.00 meter, bestaat. [appellant] wenst een vergunning voor het innemen van een standplaats op het nieuwe marktterrein met een lengte van 16.00 meter, en derhalve één kraam meer dan het door het college ingestelde maximum. Die situatie deed zich in het door [appellant] bedoelde geval niet voor. Gelet hierop betreft het geen gelijke gevallen en faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2009.

176-581.