Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4586

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
05-08-2009
Zaaknummer
200904843/2/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2008 heeft de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) bepaald dat [wederpartij] met ingang van de datum van dit besluit weer aansprakelijk is voor het voertuig met het kenteken […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200904843/2/H3.

Datum uitspraak: 29 juli 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

de directie van de Dienst Wegverkeer,

verzoekster,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 juni 2009 in zaak nr. 08/922 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Maastricht,

en

de directie van de Dienst Wegverkeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2008 heeft de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) bepaald dat [wederpartij] met ingang van de datum van dit besluit weer aansprakelijk is voor het voertuig met het kenteken […].

Bij besluit van 7 mei 2008 heeft de RDW het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 juni 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 mei 2008 vernietigd, het besluit van 25 februari 2008 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Tegen deze uitspraak heeft de RDW bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2009, hoger beroep ingesteld. Bij brief, ingekomen op dezelfde dag, heeft de RDW de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 juli 2009, waar de RDW, vertegenwoordigd door mr. C. van der Berg, werkzaam bij de RDW, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Bongaarts, advocaat te Maastricht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De RDW heeft besloten tot herstel van de aansprakelijkheid van [wederpartij] voor het voertuig met het kenteken […], nadat dit voertuig, dat als gestolen was aangemerkt, was teruggevonden door de politie. De rechtbank heeft geoordeeld dat de RDW, nu een wettelijke basis voor het nemen van een dergelijk besluit ontbrak, daartoe niet bevoegd was.

2.2. De RDW heeft verzocht de uitspraak van de rechtbank te schorsen vanwege de hieruit voortvloeiende verplichting tot het aanbrengen van een wijziging in het kentekenregister. Zij acht het met het oog op het belang van een zuivere registratie ongewenst een wijziging aan te brengen die na de uitspraak in hoger beroep mogelijkerwijs weer ongedaan zal moeten worden gemaakt. Daarnaast stelt zij een spoedeisend belang te hebben bij het verkrijgen van duidelijkheid omtrent haar bevoegdheid, omdat de vaste praktijk van de RDW zich niet verdraagt met de door de rechtbank gegeven uitleg en de RDW het wenselijk acht die praktijk te kunnen voortzetten.

2.3. De voorzitter stelt vast dat hij de gevraagde duidelijkheid omtrent de bevoegdheid van de RDW niet kan verschaffen. Het oordeel van de voorzitter heeft immers een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. Daar komt bij dat de voorlopige voorzieningprocedure zich niet leent voor beantwoording van een principiële vraag als hier aan de orde. Het is aan de Afdeling in het kader van de bodemprocedure ter zake uitsluitsel te geven.

Gebleken is dat het voertuig met het kenteken […] inmiddels is gesloopt en vanaf 25 februari 2009 als gedemonteerd staat geregistreerd. Het verzoek betreft derhalve slechts de registratie in het kentekenregister gedurende een beperkte periode in het verleden. De RDW heeft niet aannemelijk gemaakt dat een mogelijk onzuivere registratie over deze periode zodanige gevolgen heeft en daarom met inwilliging van het verzoek een zo spoedeisend belang is gediend dat dit tot het treffen van een voorlopige voorziening, als is verzocht, noopt.

2.4. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2009.

176-497.