Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4585

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2009
Datum publicatie
05-08-2009
Zaaknummer
200904705/1/H3 en 200904705/2/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2009 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) geweigerd ten behoeve van [appellant] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorieën A en B in het rijbewijzenregister te registreren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200904705/1/H3 en 200904705/2/H3.

Datum uitspraak: 27 juli 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 8 juni 2009 in zaken nrs. 09/1441 en 09/1841 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2009 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) geweigerd ten behoeve van [appellant] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorieën A en B in het rijbewijzenregister te registreren.

Bij besluit van 17 februari 2009 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juni 2009, verzonden op 23 juni 2009, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 februari 2009 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2009, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2009, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 juli 2009, waar [appellant], in persoon, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.C.A. van den Hil-van Vliet, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. De voorzieningenrechter heeft het besluit op bezwaar - dat strekt tot handhaving van de weigering om ten behoeve van [appellant] een verklaring van geschiktheid te registreren - vernietigd wegens strijd met artikel 7:2 van de Awb, maar heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit in stand blijven.

Voor zover het CBR in zijn verweerschrift, waarbij het heeft verzocht de uitspraak te vernietigen voor zover deze ziet op de schending van de hoorplicht, heeft beoogd hoger beroep in te stellen, heeft het dit ter zitting ingetrokken.

Het geding in hoger beroep is daardoor beperkt tot de instandlating van de rechtsgevolgen door de voorzieningenrechter.

2.3. Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement) worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. Het CBR doet van deze registratie mededeling aan de aanvrager.

Ingevolge artikel 103, eerste lid, registreert het CBR, indien de aanvrager naar zijn oordeel voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid.

In artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In paragraaf 8.8 ("Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)") van de bijlage bij de Regeling (hierna: de bijlage) is bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2.4. Het CBR heeft zijn weigering een verklaring van geschiktheid te registreren gebaseerd op de resultaten van een onderzoek door psychiater H.A. Droogleever Fortuijn. In zijn rapport van 13 december 2008 heeft hij geconcludeerd dat aanwijzingen bestaan voor alcoholmisbruik. De psychiater heeft het CBR daarom geadviseerd [appellant] ongeschikt te verklaren. Op grond hiervan heeft het CBR vastgesteld dat paragraaf 8.8 van de bijlage op [appellant] van toepassing is.

2.5. [appellant] ontkent dat hij in zijn oude patroon van alcoholmisbruik is teruggevallen. Volgens hem is de laatste vijf jaar geen sprake geweest van alcoholmisbruik en mag zijn voorgeschiedenis verder dan vijf jaar terug geen rol spelen bij de vraag naar zijn geschiktheid. De voorzieningenrechter is hieraan ten onrechte voorbijgegaan.

Tevens voert hij aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het CBR terecht van een overschrijding van de normaalwaarde van de CDT-waarde is uitgegaan. Nu de psychiater in zijn rapportage heeft verklaard dat ten tijde van de keuring niet objectief was vast te stellen of sprake was van een incidenteel hoog gebruik of van een langer doorgaand patroon, heeft het CBR zich niet op dit onderzoek mogen baseren en had het nader onderzoek moeten laten verrichten, aldus [appellant]. De resultaten van een tegenonderzoek dat psychiater M.J.T. Harmelink op 28 maart 2009 heeft verricht, weerleggen volgens [appellant] de bevindingen van psychiater Droogleever Fortuijn.

Ten slotte betoogt hij dat CDT-waarden in de praktijk vaak schommelingen vertonen, zodat de uitslag van het bloedonderzoek op 21 november 2008 onbetrouwbaar is en het CBR de uitslag van dat onderzoek niet had mogen gebruiken. Bij een contra-expertise verricht op 14 mei 2009 is immers een CDT-waarde van 3,0% vastgesteld, aldus [appellant].

2.5.1. In een geval waarin een psychiater de diagnose alcoholmisbruik heeft gesteld, bestaat slechts aanleiding om een ongeschiktverklaring niet in stand te laten indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig is of anderszins niet of niet voldoende concludent kan worden geacht, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren. Psychiater Droogleever Fortuijn heeft zijn diagnose gebaseerd op de voorgeschiedenis van [appellant] en de uitslag van een bloedonderzoek, waarbij een verhoogde CDT-waarde van 3,3% bij normaalwaarden tot 2,6% is geconstateerd.

Wat betreft de voorgeschiedenis is uit het dossier gebleken dat [appellant] in 2003 na een aanhouding wegens het rijden onder invloed ongeschikt is verklaard voor het besturen van motorrijtuigen. Vervolgens is hij in 2004 geschikt verklaard voor een periode van één jaar en in 2005 voor een periode van drie jaar. Trapsgewijs is aldus de termijn waarvoor betrokkene geschikt wordt verklaard, verlengd. Bij zijn besluit van 6 januari 2009 had het CBR in het kader van dit trapsgewijze stelsel te beoordelen of, na de eerdere ongeschiktverklaring en de beide geschiktverklaringen voor een beperkte termijn, een verdere verlenging mogelijk was. Binnen dit stelsel past dat de volledige voorgeschiedenis die ten grondslag heeft gelegen aan de toepassing hiervan, in de beoordeling wordt betrokken. Voor het betoog dat slechts gebeurtenissen uit de laatste vijf jaar mochten spelen, bestaat geen wettelijke grondslag noch enige andere grond. De psychiater mocht bij zijn diagnose daarom de voorgeschiedenis betrekken.

Het betoog dat CDT-waarden in de praktijk afhankelijk van de verschillende laboratoria vaak schommelingen vertonen, wat hiervan zij, leidt evenmin tot het oordeel dat de psychiatrische rapportage gebreken vertoont, nu ook uit de op 14 mei 2009 verrichte contra-expertise op het bloedmonster van 21 november 2008 een te hoge CDT-waarde naar voren is gekomen. Het feit dat de te hoge waarde is vastgesteld korte tijd na een vakantie en dat [appellant] heeft aangegeven zijn forse alcoholgebruik in de periode voor de keuring te zien als een eenmalige stomme fout, behoefden evenmin reden te vormen hieraan geen betekenis te hechten.

Met de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat het CBR zijn besluit op goede gronden heeft gebaseerd op het verslag van bevindingen van psychiater Droogleever Fortuijn. Nu hieruit de conclusie volgt dat paragraaf 8.8 van de bijlage van toepassing is, heeft het CBR terecht geweigerd om ten behoeve van [appellant] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën A en B in het rijbewijzenregister te registreren. Met juistheid heeft de voorzieningenrechter - ten overvloede - overwogen dat de bevindingen van psychiater Harmelink niet tot een ander oordeel leiden, nu ten tijde van zijn onderzoek de recidiefvrije periode van één jaar, als bedoeld in paragraaf 8.8 van de bijlage, nog niet was verstreken.

2.5.2. Het betoog dat de uitspraak van de voorzieningenrechter ten onrechte niet de beslissing bevat om onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen en evenmin de gronden van een dergelijke beslissing, faalt. De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak artikel 8:86 van de Awb geparafraseerd en vervolgens onder het kopje "Ten aanzien van de hoofdzaak" de beroepsgronden met betrekking tot de hoofdzaak inhoudelijk behandeld. Hieruit blijkt voldoende duidelijk dat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat nader onderzoek - in het kader van de bodemprocedure - redelijkerwijs niet kon bijdragen aan de beoordeling in de hoofdzaak.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

2.7. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2009.

176-497.