Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4398

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2009
Datum publicatie
03-08-2009
Zaaknummer
200904299/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Asiel / nader gehoor / bewijslast / niet stellen nadere vragen niet onzorgvuldig

Op de vreemdeling rust de verplichting te voldoen aan de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 op hem rustende last om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken. In de eerste plaats betreft het de door de vreemdeling gestelde identiteit, nationaliteit en het land van herkomst. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 2 maart 2005 in zaak nr. 200407921/1, www.raadvanstate.nl), wordt hem met name in het nader gehoor deze mogelijkheid geboden, waarbij het aan de vreemdeling is om zijn vluchtmotieven duidelijk naar voren te brengen en niet aan de staatssecretaris om deze met vragen – nader – aan het licht te brengen. Dat betekent niet dat in het nader gehoor niet nogmaals vragen over de identiteit en nationaliteit kunnen worden gesteld en het nader gehoor daarop niet kan worden toegespitst, indien, zoals in het geval van de vreemdeling, daarover tijdens het eerste gehoor ernstige twijfel is ontstaan. De omstandigheid dat de ambtenaar van de IND de vreemdeling geen nadere vragen heeft gesteld over de verschillende aspecten van het asielrelaas, houdt niet in dat de vreemdeling niet in de gelegenheid is gesteld eigener beweging datgene naar voren te brengen wat hij ter onderbouwing van zijn asielaanvraag van belang acht.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat niet kan worden gezegd dat de ambtenaar van de IND in strijd heeft gehandeld met het in hoofdstuk C13/2 van de Vc 2000 neergelegde beleid. Derhalve kan evenmin worden gezegd dat de staatssecretaris zich bij zijn besluitvorming heeft gebaseerd op een nader gehoor dat door toedoen van de ambtenaar onvolledig is tot stand gekomen. De voorzieningenrechter heeft dan ook ten onrechte het besluit van 12 mei 2009 wegens strijd met zorgvuldigheidsbeginsel vernietigd.

De grief slaagt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/364 met annotatie van BKO

Uitspraak

200904299/1/V2.

Datum uitspraak: 24 juli 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 8 juni 2009 in zaak nrs. 09/17007 en 09/17004 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 juni 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 juni 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter door te overwegen dat geen vragen zijn gesteld door de ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) die erop duiden dat de verschillende aspecten van het asielrelaas zijn onderzocht, heeft miskend dat het ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) aan de vreemdeling is om, met name in het nader gehoor, zijn vluchtmotieven voldoende duidelijk naar voren te brengen. Het is niet aan de staatssecretaris deze met vragen aan het licht te brengen of nader aan het licht te brengen. Het verslag van het nader gehoor biedt geen grond voor het oordeel dat de vreemdeling niet in de gelegenheid is geweest zijn vluchtmotieven naar voren te brengen, aldus de staatssecretaris.

Daarnaast heeft de staatssecretaris betoogd dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de vreemdeling zijn gestelde herkomst uit Ivoorkust niet met documenten heeft gestaafd en evenmin geloofwaardige verklaringen heeft afgelegd over zijn land van herkomst.

2.2. De voorzieningenrechter heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat uit het rapport van het nader gehoor blijkt dat de vreemdeling uitsluitend in de gelegenheid is gesteld om vrijuit en zonder onderbreking de reden van zijn asielaanvraag toe te lichten. Vervolgens zijn door de ambtenaar van de IND geen vragen gesteld die erop duiden dat de verschillende aspecten van het asielrelaas zijn onderzocht, terwijl de verklaringen van de vreemdeling niet dermate uitgebreid en gedetailleerd waren dat aanvullende en controlerende vragen overbodig waren. Het enkele feit dat bij het eerste gehoor twijfel aan de betrouwbaarheid van het asielrelaas is ontstaan, mag geen reden zijn de vreemdeling niet te horen omtrent de redenen van zijn asielaanvraag en hetgeen de vreemdeling daaromtrent verklaart niet te onderzoeken.

De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat, nu de staatssecretaris tijdens het nader gehoor heeft nagelaten een onderzoek te doen naar hetgeen de vreemdeling in zijn "vrije" asielrelaas heeft verklaard, de staatssecretaris heeft gehandeld in strijd met het door hem ter zake geformuleerde beleid in paragraaf C13/3.1.2 (lees: C13/2) van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000).

2.2.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de minister aannemelijk te maken.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Ingevolge artikel 3.114, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, zoals die bepaling ten tijde van belang luidde, worden bij de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet, door de vreemdeling in persoon alle gegevens verstrekt, waaronder begrepen de relevante documenten, op basis waarvan in samenwerking met de vreemdeling beoordeeld kan worden of een rechtsgrond voor verlening van de vergunning aanwezig is.

Volgens hoofdstuk C13/2 van de Vc 2000 richt het nader gehoor zich met name op de beweegredenen van vertrek uit het land van herkomst en – indien daartoe aanleiding bestaat – de uitkomsten van het onderzoek naar de identiteit, nationaliteit en reisroute van de asielzoeker.

2.2.2. Op de vreemdeling rust de verplichting te voldoen aan de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 op hem rustende last om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken. In de eerste plaats betreft het de door de vreemdeling gestelde identiteit, nationaliteit en het land van herkomst. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 2 maart 2005 in zaak nr. 200407921/1, www.raadvanstate.nl), wordt hem met name in het nader gehoor deze mogelijkheid geboden, waarbij het aan de vreemdeling is om zijn vluchtmotieven duidelijk naar voren te brengen en niet aan de staatssecretaris om deze met vragen – nader – aan het licht te brengen. Dat betekent niet dat in het nader gehoor niet nogmaals vragen over de identiteit en nationaliteit kunnen worden gesteld en het nader gehoor daarop niet kan worden toegespitst, indien, zoals in het geval van de vreemdeling, daarover tijdens het eerste gehoor ernstige twijfel is ontstaan. De omstandigheid dat de ambtenaar van de IND de vreemdeling geen nadere vragen heeft gesteld over de verschillende aspecten van het asielrelaas, houdt niet in dat de vreemdeling niet in de gelegenheid is gesteld eigener beweging datgene naar voren te brengen wat hij ter onderbouwing van zijn asielaanvraag van belang acht.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat niet kan worden gezegd dat de ambtenaar van de IND in strijd heeft gehandeld met het in hoofdstuk C13/2 van de Vc 2000 neergelegde beleid. Derhalve kan evenmin worden gezegd dat de staatssecretaris zich bij zijn besluitvorming heeft gebaseerd op een nader gehoor dat door toedoen van de ambtenaar onvolledig is tot stand gekomen. De voorzieningenrechter heeft dan ook ten onrechte het besluit van 12 mei 2009 wegens strijd met zorgvuldigheidsbeginsel vernietigd.

De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 12 mei 2009 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

2.4. Ten betoge van zijn stelling dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij zijn identiteitskaart niet heeft overgelegd, heeft de vreemdeling in beroep aangevoerd dat hij zich destijds in een acute vluchtsituatie bevond en daarom die kaart niet kon meenemen, zodat het ontbreken daarvan hem ten onrechte is tegengeworpen.

2.4.1. Niet kan worden gezegd dat de staatssecretaris zich op de in het besluit van 12 mei 2009 en het daarin ingelaste voornemen neergelegde gronden niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling toerekenbaar geen documenten inzake zijn identiteit en nationaliteit heeft overgelegd. De vreemdeling heeft immers verklaard dat hij voor zijn vertrek uit Ivoorkust, zij het kort, nog bij een persoon heeft verbleven, zodat hij gelegenheid had zelf dan wel de hulp van anderen zijn identiteitskaart op te halen.

2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 11 december 2008 in zaak nr. 200804039/1, www.raadvanstate.nl), mogen, indien aan een vreemdeling het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 mag worden tegengeworpen, ingevolge het eerste lid van dat artikel, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-99, 26 732, nr. 3, p. 40/41) en de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, neergelegd in paragrafen C14/2, C14/3 en C14/4.2 van de Vc 2000, in het relaas, om het geloofwaardig te achten, geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet in dat geval positieve overtuigingskracht uitgaan. De beroepsgrond dat aan het asielrelaas niet de eis van positieve overtuigingskracht mag worden gesteld, faalt.

2.5.1. In het besluit van 12 mei 2009 en het daarvan deeluitmakende voornemen is overwogen dat van positieve overtuigingskracht geen sprake is, onder meer gelet op de vage, tegenstrijdige en onjuiste informatie die de vreemdeling over zijn directe woonomgeving heeft verstrekt en op het feit dat hij uitsluitend de Franse taal beheerst en niet – ook – de stamtaal, het Dyula.

2.5.2. In beroep heeft de vreemdeling onder meer aangevoerd dat het geenszins ongeloofwaardig is dat zijn taalgebruik zich tot het Frans beperkt. Hij verwijst hiervoor naar de ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken inzake Ivoorkust, waaruit blijkt dat een ieder geacht wordt de Franse taal te kunnen gebruiken. Voorts is het gezien de status van de politieke activiteiten van zijn vader goed denkbaar dat de vader opzettelijk het taalgebruik in het gezin tot de Franse taal beperkte, aldus de vreemdeling.

2.5.3. Blijkens het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van januari 2009 wordt het onderwijs in alle onderwijsinstellingen en op alle niveaus in het Frans gegeven en spreken degenen met enig niveau van onderwijs derhalve (een zekere mate van) Frans. Ivorianen spreken als moedertaal de taal van de eigen etnische groep. Daarnaast gebruikt 70 à 80% van de bevolking, vooral op het platteland, het Dyula.

2.5.4. De vreemdeling, die geen enkele scholing heeft genoten, spreekt uitsluitend de Franse taal en niet ook Dyula, naar zijn zeggen zijn stamtaal. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas in zoverre tegenstrijdig is en daarvan geen positieve overtuigingskracht ten aanzien van de identiteit, nationaliteit en land van afkomst uitgaat. Dat in het gezin uitsluitend Frans werd gesproken, verklaart nog niet waarom de vreemdeling zijn stamtaal niet spreekt en maakt het vorenstaande dan ook niet anders.

Het vorenstaande betekent dat de andere door de vreemdeling in beroep aangevoerde grond geen nadere bespreking behoeft.

2.6. Het inleidende beroep wordt derhalve alsnog ongegrond verklaard.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 8 juni 2009 in zaak nr. 09/17004;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Wolff

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2009

238.

Verzonden: 24 juli 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak