Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4392

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2009
Datum publicatie
03-08-2009
Zaaknummer
200903637/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 / toezegging Georgische consul

Ter toelichting op het hoger beroep heeft de staatssecretaris ter zitting aangegeven dat de DT&V voorafgaand aan de inbewaringstelling van de vreemdeling een aantal contacten met de Georgische consul heeft gehad over de mogelijkheden van terugkeer van de vreemdeling naar zijn land van herkomst. In de week voorafgaande aan de inbewaringstelling heeft de Georgische consul telefonisch aan de DT&V laten weten dat toestemming wordt verleend om de vreemdeling terug te laten keren naar zijn land van herkomst. Op 27 april 2009, nadat de vreemdeling op die dag in bewaring is gesteld, is de telefonische toezegging van de Georgische consul geconcretiseerd in die zin dat is afgesproken dat het tijdelijke reisdocument waarmee de vreemdeling naar Georgië zal reizen een door de staatssecretaris verstrekt EU-document zal zijn. Voorts is de Georgische consul akkoord gegaan met het presenteren van de vreemdeling aan de grens van Georgië. De staatssecretaris is van oordeel dat hiermee is voldaan aan de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000.

In het algemeen is een toezegging, als hier aan de orde, voldoende om aan te nemen dat de voor terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden binnen korte termijn voorhanden zullen zijn. In het onderhavige geval heeft de staatssecretaris daarvan ten tijde van de inbewaringstelling echter niet uit mogen gaan. Ter zitting van de rechtbank heeft de staatssecretaris meegedeeld dat niet duidelijk was of de vreemdeling op basis van die toezegging ook daadwerkelijk in het land waarheen hij wordt uitgezet, zou worden toegelaten. Die duidelijkheid was namelijk afhankelijk van een gesprek dat nog gevoerd moest worden door een Nederlandse delegatie met de Georgische autoriteiten in Georgië. De rechtbank heeft hieruit met recht afgeleid dat in het onderhavige geval niet kon worden aangenomen dat de noodzakelijke bescheiden binnen korte termijn voorhanden zouden zijn.

De grief faalt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/366

Uitspraak

200903637/1/V3.

Datum uitspraak: 28 juli 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 12 mei 2009 in zaak nr. 09/15196 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2009 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 mei 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 mei 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2009, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E. Nardelli, ambtenaar bij het Ministerie van Justitie, en de vreemdeling, bijgestaan door mr. L.J.P. Mentink, advocaat te Alkmaar, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De enige grief richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat binnen korte termijn de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn. Volgens de staatssecretaris miskent de rechtbank daarmee dat, gelet op het feit dat reeds voor het opleggen van de maatregel van bewaring een laissez passer ten behoeve van de vreemdeling was toegezegd door de Georgische autoriteiten, waarmee hij zou kunnen worden uitgezet naar Georgië, aan de voorwaarde van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt voldaan.

2.2. Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000 kan, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op de uitzetting, in bewaring worden gesteld de vreemdeling die:

a. geen rechtmatig verblijf heeft;

b. die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g en h.

Ingevolge het tweede lid wordt het belang van de openbare orde geacht de bewaring van de vreemdeling te vorderen, indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, tenzij de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met e, en l.

2.3. De vreemdeling is in bewaring gesteld op grond van het tweede lid van artikel 59 van de Vw 2000, omdat de Georgische autoriteiten voorafgaande aan de inbewaringstelling hebben toegezegd ten behoeve van de vreemdeling een laissez passer af te geven. Nu ter zitting van de rechtbank door de staatssecretaris is medegedeeld dat niet duidelijk is dat de vreemdeling op basis van die toezegging ook daadwerkelijk tot Georgië zal worden toegelaten en dat dit afhankelijk is van de uitkomst van het op 11 mei 2009 geplande gesprek van een delegatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: de DT&V) met de Georgische autoriteiten, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op korte termijn de voor terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke reisbescheiden voorhanden zijn.

2.4. Ter toelichting op het hoger beroep heeft de staatssecretaris ter zitting aangegeven dat de DT&V voorafgaand aan de inbewaringstelling van de vreemdeling een aantal contacten met de Georgische consul heeft gehad over de mogelijkheden van terugkeer van de vreemdeling naar zijn land van herkomst. In de week voorafgaande aan de inbewaringstelling heeft de Georgische consul telefonisch aan de DT&V laten weten dat toestemming wordt verleend om de vreemdeling terug te laten keren naar zijn land van herkomst. Op 27 april 2009, nadat de vreemdeling op die dag in bewaring is gesteld, is de telefonische toezegging van de Georgische consul geconcretiseerd in die zin dat is afgesproken dat het tijdelijke reisdocument waarmee de vreemdeling naar Georgië zal reizen een door de staatssecretaris verstrekt EU-document zal zijn. Voorts is de Georgische consul akkoord gegaan met het presenteren van de vreemdeling aan de grens van Georgië. De staatssecretaris is van oordeel dat hiermee is voldaan aan de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000.

2.5. In het algemeen is een toezegging, als hier aan de orde, voldoende om aan te nemen dat de voor terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden binnen korte termijn voorhanden zullen zijn. In het onderhavige geval heeft de staatssecretaris daarvan ten tijde van de inbewaringstelling echter niet uit mogen gaan. Ter zitting van de rechtbank heeft de staatssecretaris meegedeeld dat niet duidelijk was of de vreemdeling op basis van die toezegging ook daadwerkelijk in het land waarheen hij wordt uitgezet, zou worden toegelaten. Die duidelijkheid was namelijk afhankelijk van een gesprek dat nog gevoerd moest worden door een Nederlandse delegatie met de Georgische autoriteiten in Georgië. De rechtbank heeft hieruit met recht afgeleid dat in het onderhavige geval niet kon worden aangenomen dat de noodzakelijke bescheiden binnen korte termijn voorhanden zouden zijn.

De grief faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. P.A. Offers, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Dokkum

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2009

53.

Verzonden: 28 juli 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak