Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4389

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2009
Datum publicatie
03-08-2009
Zaaknummer
200808181/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd / toetsingskader / op frauduleuze wijze verkregen / intrekkingsbevoegdheid

Uit de in 2.1.1. weergegeven inhoud van het besluit op bezwaar kan niet anders worden geconcludeerd dan dat, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, de staatssecretaris zich in het besluit op bezwaar op het standpunt heeft gesteld dat de verleende vergunning voor onbepaalde tijd is ingetrokken op grond van het verstrekken van onjuiste gegevens en dat volgens de staatssecretaris daarbij niet van belang was of er opzet in het spel was. Hiermee heeft de staatssecretaris miskend dat de Vw 2000 ten aanzien van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd andere intrekkingsgronden kent dan ten aanzien van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en dat de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, anders dan in het geval van intrekking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 waarop paragraaf B1/5.3.3 van de Vc 2000 ziet, niet reeds vanwege het verstrekken van onjuiste gegevens kan worden ingetrokken, doch eerst wanneer zij, voor zover hier van belang, op frauduleuze wijze is verkregen.

Voorts kan het betoog dat de staatssecretaris, nu hij bevoegd is een vergunning te verlenen, reeds daarom ook een bevoegdheid tot intrekking daarvan heeft, niet worden gevolgd. In artikel 22, eerste lid, van de Vw 2000 is ten aanzien van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd een uitdrukkelijke intrekkingsbevoegdheid gegeven voor specifieke gevallen. Niet kan worden aangenomen dat, indien zich geen van die specifieke gevallen voordoet, de staatssecretaris, in afwijking van voornoemd artikel, in dit geval een verder strekkende bevoegdheid tot intrekking toekomt.

Het betoog dat de vergunning kon worden ingetrokken op grond van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, wat daar verder ook van zij, heeft de staatssecretaris niet aan zijn intrekkingsbesluit ten grondslag gelegd, doch eerst in hoger beroep aangevoerd. Reeds daarom kan dat betoog niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht overwogen dat de staatssecretaris aan de intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ten onrechte niet het toetsingskader van artikel 22 van de Vw 2000 ten grondslag heeft gelegd. De tweede grief faalt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 18
Vreemdelingenwet 2000 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/365
AB 2010, 8

Uitspraak

200808181/1/V2.

Datum uitspraak: 28 juli 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 6 oktober 2008 in zaak

nrs. 08/10083 en 08/10085 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2007 heeft de minister van Justitie de aan [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht tot de datum van ingang ingetrokken.

Bij besluit van 25 februari 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 oktober 2008, verzonden op 13 oktober 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 10 november 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In zijn tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris aan de handhaving van de intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ten onrechte niet het toetsingskader van artikel 22 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) ten grondslag heeft gelegd. Daartoe betoogt hij dat de voorzieningenrechter uit zijn overwegingen in het besluit op bezwaar ten onrechte heeft afgeleid dat de staatssecretaris heeft overwogen dat de vergunning voor onbepaalde tijd wordt ingetrokken op grond van het verstrekken van onjuiste gegevens en dat daarbij niet van belang is of er opzet in het spel is. Voorts betoogt hij dat de vergunning op frauduleuze wijze is verkregen en derhalve op grond van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kon worden ingetrokken. Bovendien behelst, zo stelt de staatssecretaris, artikel 22 van de Vw 2000 geen gesloten stelsel van intrekkingsgronden en kan hij, nu hij bevoegd is tot het verlenen van een verblijfsvergunning, reeds daarom een verleende verblijfsvergunning ook intrekken, indien het algemeen belang daartoe noopt.

2.1.1. In het besluit op bezwaar heeft de staatssecretaris zich ten aanzien van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, onder verwijzing naar paragraaf B1/5.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), op het standpunt gesteld dat niet van belang is of het verstrekken van onjuiste gegevens, dan wel het achterhouden van gegevens opzettelijk is gebeurd en dat evenmin van belang is of dat gebeurd is door toedoen van de vreemdeling zelf of door andere belanghebbenden. Nu zowel de aan de vreemdeling verstrekte verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op basis van onjuiste gegevens, dan wel op basis van het achterhouden van gegevens is verstrekt, moet worden geconcludeerd dat deze op juiste gronden zijn ingetrokken, aldus de staatssecretaris in dat besluit.

2.1.2. Uit de in 2.1.1. weergegeven inhoud van het besluit op bezwaar kan niet anders worden geconcludeerd dan dat, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, de staatssecretaris zich in het besluit op bezwaar op het standpunt heeft gesteld dat de verleende vergunning voor onbepaalde tijd is ingetrokken op grond van het verstrekken van onjuiste gegevens en dat volgens de staatssecretaris daarbij niet van belang was of er opzet in het spel was. Hiermee heeft de staatssecretaris miskend dat de Vw 2000 ten aanzien van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd andere intrekkingsgronden kent dan ten aanzien van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en dat de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, anders dan in het geval van intrekking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 waarop paragraaf B1/5.3.3 van de Vc 2000 ziet, niet reeds vanwege het verstrekken van onjuiste gegevens kan worden ingetrokken, doch eerst wanneer zij, voor zover hier van belang, op frauduleuze wijze is verkregen.

Voorts kan het betoog dat de staatssecretaris, nu hij bevoegd is een vergunning te verlenen, reeds daarom ook een bevoegdheid tot intrekking daarvan heeft, niet worden gevolgd. In artikel 22, eerste lid, van de Vw 2000 is ten aanzien van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd een uitdrukkelijke intrekkingsbevoegdheid gegeven voor specifieke gevallen. Niet kan worden aangenomen dat, indien zich geen van die specifieke gevallen voordoet, de staatssecretaris, in afwijking van voornoemd artikel, in dit geval een verder strekkende bevoegdheid tot intrekking toekomt.

Het betoog dat de vergunning kon worden ingetrokken op grond van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, wat daar verder ook van zij, heeft de staatssecretaris niet aan zijn intrekkingsbesluit ten grondslag gelegd, doch eerst in hoger beroep aangevoerd. Reeds daarom kan dat betoog niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht overwogen dat de staatssecretaris aan de intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ten onrechte niet het toetsingskader van artikel 22 van de Vw 2000 ten grondslag heeft gelegd. De tweede grief faalt.

2.2. Reeds nu de staatssecretaris, gelet op het vorenoverwogene, op grond van de in het besluit van 25 februari 2008 vermelde gronden niet kon overgaan tot intrekking van de verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, behoeft de eerste grief, die betrekking heeft op de intrekking van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, geen bespreking.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

In het sedert 1 juli 2009 geldende vierde lid van artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is bepaald dat de vermogensrechtelijke gevolgen van een handeling van een bestuursorgaan de rechtspersoon treffen waartoe het bestuursorgaan behoort. Tegelijk is het derde lid van artikel 8:75 van de Awb komen te vervallen. In verband hiermee is het niet meer nodig dat de Afdeling in geval zij het bestuursorgaan in de kosten veroordeelt, de rechtspersoon aanwijst die de kosten moet vergoeden. Welke rechtspersoon daartoe is gehouden, volgt thans rechtstreeks uit de wet.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie een griffierecht van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.A.A. Mondt Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Loon

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2009

314-574.

Verzonden: 28 juli 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak