Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4116

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
200901865/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het college) met toepassing van bestuursdwang het voertuig van [appellante] met kentekennummer […], geparkeerd ter hoogte van [locatie], weggesleept.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010, 64

Uitspraak

200901865/1/H3.

Datum uitspraak: 29 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 februari 2009 in zaak nr. 08/3008 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het college) met toepassing van bestuursdwang het voertuig van [appellante] met kentekennummer […], geparkeerd ter hoogte van [locatie], weggesleept.

Bij besluit van 24 juni 2008 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 februari 2009, verzonden op 23 februari 2009, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 maart 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juli 2009, waar [appellante] in persoon is verschenen.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) behoort tot de bevoegdheid van het college om bestuursdwang toe te passen, zoals bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet, de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.

Ingevolge artikel 173, eerste lid, aanhef en onder a, worden bij algemene maatregel van bestuur de soorten van de in artikel 170, eerste lid, onderdeel c, bedoelde weggedeelten en wegen aangewezen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, worden bij gemeentelijke verordening de wegen en weggedeelten aangewezen waar het gemeentebestuur bestuursdwang kan toepassen.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder h, van het Besluit wegslepen van voertuigen (hierna: het Besluit) zijn de soorten van weggedeelten en wegen, bedoeld in artikel 173, eerste lid, onderdeel a, van de WVW 1994, parkeerplaatsen voor vergunninghouders, aangeduid door bord E9 van bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: het Reglement).

Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g, van het Reglement mag de bestuurder zijn voertuig niet parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders, die is aangeduid door bord E9, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend.

Bij artikel 2 van de Wegsleepverordening Amsterdam 2001 (hierna: de Wegsleepverordening) zijn als wegen en weggedeelten, bedoeld in artikel 170, eerste lid, onder c, van de WVW 1994, aangewezen alle wegen en weggedeelten binnen de gemeente Amsterdam voor zover die behoren tot één van de in artikel 2 van het Besluit bedoelde soorten wegen en weggedeelten.

2.1. Het college heeft aan het besluit op bezwaar van 24 juni 2008 ten grondslag gelegd dat het voertuig van [appellante] op 15 april 2008 was geparkeerd in een met het bord E9 gemarkeerd parkeervak, zonder dat voor het voertuig een vergunning tot parkeren op die plaats was verleend.

2.2. [appellante] voert in hoger beroep aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat zij het E9 bord niet heeft gezien doordat zij het parkeervak op is gereden tegen de rijrichting in. Voorts voert zij aan dat haar voertuig niet weggesleept had mogen worden en dat volstaan had kunnen worden met een bekeuring, nu zij over een gehandicaptenparkeervergunning beschikt. Ter zitting heeft zij dit nader toegelicht.

2.3. Niet in geschil is dat [appellante] haar voertuig heeft geparkeerd in een parkeervak bestemd voor vergunninghouders zonder over de daarvoor vereiste vergunning te beschikken.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 maart 2005 in zaak nr. 200405904/1), geldt als uitgangspunt dat elke verkeersdeelnemer zich ervan dient te vergewissen wat de ter plaatse geldende verkeersregels zijn en dat hij, voor zover hem dat niet direct kenbaar is, nader dient te bezien wat op een zich ter plaatse bevindend verkeersbord is aangegeven. De Afdeling deelt het oordeel van de rechtbank dat op basis van de aanwezige foto's in het dossier het voor [appellante] voldoende duidelijk kon zijn dat zij haar voertuig niet in het betreffende parkeervak mocht parkeren. De omstandigheid dat zij tegen de rijrichting in heeft geparkeerd, waardoor zij, naar zij stelt, het bord niet heeft gezien, dient voor haar rekening en risico te komen. De omstandigheid dat [appellante] over een gehandicaptenparkeervergunning beschikt laat de overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g, van het Reglement onverlet. De verwijdering van het voertuig was noodzakelijk in verband met het vrijhouden van het betreffende parkeervak. Derhalve was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de bestuursdwangbevoegdheid zoals vermeld in artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de WVW 1994.

De Afdeling is voorts met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden van dien aard dat het college had moeten afzien van de toepassing van bestuursdwang.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.J.A. Idema, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Idema

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2009

512.