Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4092

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
200808053/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 3, onderscheidenlijk 31 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bennebroek, thans gemeente Bloemendaal (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor reeds geplaatste hekwerken op de percelen [locaties] te Bennebroek (hierna: de percelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200808053/1/H1.

Datum uitspraak: 29 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Bennebroek,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 25 september 2008 in zaak nr. 07/7409 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bennebroek, thans gemeente Bloemendaal.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 3, onderscheidenlijk 31 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bennebroek, thans gemeente Bloemendaal (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor reeds geplaatste hekwerken op de percelen [locaties] te Bennebroek (hierna: de percelen).

Bij besluit, verzonden op 27 september 2007, heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 september 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 november 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. D.M.C. Schuurmans, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.T.M. de Haan-Bergisch, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. drs. M.L.M. Frantzen, advocaat te Amsterdam, als partij ter zitting gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting is aan de hand van een kopie van de besluitennota met nr. 38/06 vastgesteld dat in de vergadering van het college van 18 september 2007 is besloten het bezwaar van [appellante] ongegrond te verklaren.

2.2. Op 31 maart 2005 is geconstateerd dat op de percelen hekwerken werden geplaatst met een totale hoogte van ongeveer 2,45 meter zonder dat hiervoor bouwvergunning was aangevraagd. De hekwerken bestaan uit aluminium palen met daartussen gespannen geplastificeerd groen gaas tot een hoogte van twee meter en daarboven aangebracht afschroefbare puntdraadhouders met een hoogte van ongeveer 45 centimeter welke onderling zijn verbonden door middel van drie rijen prikkeldraad.

2.3. Ten tijde van de indiening van de aanvraag om bouwvergunning op 12 juli 2006 gold ter plaatse het bestemmingsplan "Bennebroek 1976". Op 11 augustus 2006 is het ontwerpbestemmingsplan "Bennebroek 2006" ter inzage gelegd. In zowel het besluit van 31 oktober 2006 als het besluit van 18 september 2007 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan "Bennebroek 1976" op de percelen rustende bestemming "Natuurgebied (N)" en voorts in strijd met het ontwerpbestemmingsplan "Bennebroek 2006" waarin aan de percelen de bestemming "Bos" al dan niet met de nadere aanduidingen "grasland", "agrarisch gebruik" en "glasopstallen" is gegeven.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte bij het besluit op bezwaar het bouwplan heeft getoetst aan het bestemmingsplan "Bennebroek 1976". Hiertoe voert zij aan dat het bestemmingsplan "Bennebroek 2006" ten tijde van dat besluit reeds in werking was getreden, zodat het college het bouwplan daaraan had moeten toetsen.

2.4.1. Als uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit op bezwaar het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment gold. Op 14 augustus 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland het bestemmingsplan "Bennebroek 2006" goedgekeurd. Ingevolge artikel 28, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) treedt een besluit van het college van gedeputeerde staten omtrent goedkeuring in werking met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn afloopt. Ingevolge artikel 29, derde lid, van de WRO vangt de beroepstermijn voor een geval als hier aan de orde aan met ingang van de eerste werkdag van de zesde kalenderweek na de verzending van het besluit, op 15 augustus 2007, door het college van gedeputeerde staten aan de gemeenteraad. Gelet hierop liep de beroepstermijn van 24 september 2007 tot en met 5 november 2007, zodat ten tijde van het besluit van 18 september 2007 het bestemmingsplan "Bennebroek 2006" nog niet in werking was getreden en het bestemmingsplan "Bennebroek 1976" nog gold. Derhalve heeft het college terecht het bouwplan aan laatstgenoemd bestemmingsplan getoetst. Dat de rechtbank heeft overwogen dat ter plaatse het bestemmingsplan "Bennebroek 2006" geldt, moet als een kennelijke verschrijving worden aangemerkt. Uit de uitspraak blijkt dat de rechtbank zich bij de toetsing van het besluit van 18 september 2007 heeft gebaseerd op de voorschriften van het bestemmingsplan "Bennebroek 1976".

Het betoog faalt.

2.5. Hoewel de rechtbank in de uitspraak niet is ingegaan op de door [appellante] ter zitting bij de rechtbank aangevoerde grond, dat van rechtswege bouwvergunning voor de hekwerken zou zijn verleend, leidt dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Vast staat dat de oprichting van de hekwerken in strijd is met het bestemmingsplan "Bennebroek 1976", zodat ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet de termijn voor het beslissen op een aanvraag om een reguliere bouwvergunning niet van toepassing was. Dat – naar [appellante] ter zitting heeft gesteld - op grond van artikel 3 van het bestemmingsplan "Bennebroek 1976" zonder aanlegvergunning een hekwerk met een hoogte van 1,25 meter kan worden opgericht leidt - wat daar ook van zij - niet tot een ander oordeel. De aanvraag om bouwvergunning ziet immers op hekwerken met een hoogte van meer dan 1,25 meter.

2.6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat haar geen geslaagd beroep op het overgangsrecht toekomt.

2.6.1. Ingevolge artikel 29 van het bestemmingsplan 'Bennebroek 1976" mogen bestaande bouwwerken, die hetzij door hun bestaan als zodanig hetzij door hun afmetingen niet voldoen aan de bestemmingen van het plan of aan één of meer bepalingen dezer voorschriften, gedeeltelijk worden vernieuwd of gedeeltelijk worden veranderd met dien verstande dat:

a. vernieuwing of verandering van bouwwerken ten behoeve van een voorgenomen ander gebruik slechts is toegestaan indien ook dat andere gebruik krachtens deze voorschriften toelaatbaar is;

b. vernieuwing of verandering van bouwwerken die door hun bestaan als zodanig afwijken van het plan slechts is toegestaan indien horizontale of verticale afmetingen niet worden vergroot;

c. reeds bestaande afwijkingen ten aanzien van de in deze voorschriften genoemde horizontale of verticale afmetingen van niet onder b begrepen bouwwerken niet mogen worden vergroot.

2.6.2. Ter zitting is vastgesteld dat het geschil zich beperkt tot het besluit van 18 september 2007 voor zover dit betrekking heeft op de weigering vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het hekwerk met een lengte van 31 meter, dat zich bevindt aan de noordzijde van het perceel in het verlengde van het reeds op het perceel aanwezige hekwerk van het Noord-Hollands Landschap, en het hekwerk met een lengte van 50 meter, dat zich bevindt op één meter afstand van de erfgrens van het perceel van [belanghebbende].

[appellante] heeft ter zitting desgevraagd erkend dat de reeds op het perceel bestaande hekwerken geheel zijn vervangen door de thans in geding zijnde hekwerken, zodat geen sprake is van een gedeeltelijke vernieuwing of verandering als bedoeld in artikel 29 van het bestemmingsplan "Bennebroek 1976". De rechtbank is derhalve terecht tot de conclusie gekomen dat die hekwerken geen overgangsrechtelijke bescherming toekomen. De ter zitting door [appellante] gemaakte opmerking dat het hekwerk met een lengte van 31 meter een verlenging vormt van het bestaande hekwerk van het Noord-Hollands Landschap leidt niet tot een ander oordeel, nu dit niet af doet aan het feit dat dit hekwerk geheel nieuw is opgericht.

Het betoog faalt.

2.7. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de toelaatbaarheid van de hekwerken zonder de daarop aangebrachte puntdraadhouders. Hiertoe voert zij aan dat de hekwerken zonder die puntdraadhouders twee meter hoog zijn, zodat deze, gelet op het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder e, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, zonder bouwvergunning kunnen worden geplaats.

2.7.1. Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 januari 2002 in zaak nr. 200005648/1; AB, 2002, 190) is in het stelsel van de Woningwet geen plaats voor een beslissing omtrent de bouwvergunning anders dan op grond van een daartoe strekkende aanvraag. De aanvraag om bouwvergunning ziet op de hekwerken inclusief de daarop aangebrachte puntdraadhouders met een totale hoogte van ongeveer 2,45 meter. Het college heeft geen aanleiding hoeven zien [appellante] in de gelegenheid te stellen de aanvraag te wijzigen. Uit de aanvraag noch uit het bezwaarschrift blijkt dat de aangevraagde hekwerken op eenvoudige wijze kunnen worden aangepast.

2.8. Tot slot betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren voor het bouwplan vrijstelling te verlenen.

2.8.1. Dit betoog faalt eveneens. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid kon weigeren vrijstelling te verlenen voor de hekwerken. Ten aanzien van het door [appellante] ingenomen standpunt dat op het naastgelegen perceel van [belanghebbende] hekwerken met een hoogte van twee meter kunnen worden geplaatst, geldt dat dit ingevolge het bestemmingsplan "Bennebroek 2006" ook slechts onder verlening van vrijstelling mogelijk is. Mede gelet op hetgeen desgevraagd namens het college ter zitting is gesteld, staat niet op voorhand vast dat, mocht [belanghebbende] daarvoor een verzoek om vrijstelling indienen, het college bereid is die te verlenen. Voorts rust op het perceel van [belanghebbende] ingevolge het bestemmingsplan "Bennebroek 2006" de bestemming "Tuin" en niet de bestemming "Bos". Voor zover [appellante] aanvoert dat haar percelen in het bestemmingsplan "Bennebroek 2006" ook de bestemming "Tuin" hadden moeten krijgen, wordt overwogen dat dit betoog ziet op de vaststelling van het bestemmingsplan en derhalve in de bestemmingsplanprocedure aan de orde had moeten worden gesteld. In de door [appellante] naar voren gebrachte omstandigheid dat zij met de oprichting van de hekwerken beoogt haar percelen en de daarop aanwezige eigendommen te beschermen, heeft de rechtbank voorts terecht geen aanleiding gezien om tot het oordeel te komen dat het college aan het publieke belang bij het in stand houden van de ruimtelijke uitstraling van het bosgebied waarin de percelen zijn gelegen, welke uitstraling - naar het college ter zitting heeft gesteld - wordt aangetast door hekwerken met een hoogte van 2.45 meter, niet meer waarde heeft mogen hechten dan het belang van [appellante] bij oprichting van de hekwerken.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2009

270-163-552.