Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4085

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
200809260/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalten (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een veehouderij met vleeskuikens, vleesvarkens, melk- en kalfkoeien en vleeskalveren aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 13 november 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden
Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2009/1953
JM 2009/129 met annotatie van Bokelaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809260/1/M2.

Datum uitspraak: 29 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting Stichting Natuur en Milieu Aalten, gevestigd te Aalten,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalten (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een veehouderij met vleeskuikens, vleesvarkens, melk- en kalfkoeien en vleeskalveren aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 13 november 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben de stichting Stichting Natuur en Milieu Aalten (hierna: de Stichting) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2008, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2008, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 23 januari 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2009, waar de Stichting, vertegenwoordigd door G.J.W. Krajenbrink en A.H. Stoltenborg, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door H.G. Eskes, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting vergunninghouder, in persoon en bijgestaan door ing. J. Bouwman, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft [appellant sub 2] de beroepsgrond dat de aanvraag is gewijzigd na 1 januari 2007 waardoor de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing is alsmede de beroepsgronden met betrekking tot het milieu-effectrapport ingetrokken.

2.2. [appellant sub 2] voert aan dat het college ten onrechte de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) heeft toegepast, omdat de inrichting, anders dan het college stelt, niet in een verwevingsgebied is gelegen. Het reconstructieplan waarbij het gebied waarin de inrichting is gelegen, is aangewezen als verwevingsgebied, is door de Afdeling bij uitspraak van 27 januari 2007, zaak nr. 200504831/1 (www.raadvanstatel.nl) vernietigd, aldus [appellant sub 2].

2.2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet stankemissie betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij die geheel of gedeeltelijk is gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied, verwevingsgebied of een extensiveringsgebied met het primaat natuur waarvoor een reconstructieplan is bekendgemaakt, de stankhinder uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 6.

2.2.2. Het college stelt dat artikel 2, eerste lid, van de Wet stankemissie slechts eist dat een reconstructieplan bekend is gemaakt. Nu dat hier is gebeurd, is volgens het college de Wet stankemissie van toepassing. Dat het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan is vervolgens vernietigd, maakt dit niet anders, aldus het college.

2.2.3. Het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan, waarbij de omgeving waarin de inrichting is gelegen is aangewezen als een verwevingsgebied, is door de Afdeling bij voornoemde uitspraak vernietigd, voordat bij het bestreden besluit op de aanvraag om vergunning was beslist. Als gevolg van die vernietiging kwam, anders dan het college meent, aan de bekendmaking van het reconstructieplan geen betekenis meer toe, ook voor wat betreft de toepasselijkheid van de Wet stankemissie. De vernietiging bij voornoemde uitspraak van de Afdeling had tot gevolg dat de inrichting ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet was gelegen in een verwevingsgebied, zodat de Wet stankemissie niet van toepassing was. Het college heeft de stankhinder vanwege de inrichting derhalve ten onrechte aan de hand van de Wet stankemissie beoordeeld. De beroepsgrond slaagt.

2.3. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond. Nu het aspect stankhinder bepalend is voor het antwoord op de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het bestreden besluit reeds hierom in zijn geheel te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven derhalve geen bespreking. Nu het beroep van de Stichting, wiens beroepsgronden gelet op het vorenstaande ook geen bespreking behoeven, is gericht op vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met het belang van de bescherming van het milieu, ziet de Afdeling aanleiding dit beroep eveneens gegrond te verklaren.

2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

In het sedert 1 juli 2009 geldende vierde lid van artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de vermogensrechtelijke rechtsgevolgen van een handeling van een bestuursorgaan de rechtspersoon treffen waartoe het bestuursorgaan behoort. Tegelijk is het derde lid van artikel 8:75 van de Awb komen te vervallen. In verband hiermee is het niet meer nodig dat de Afdeling in geval zij het bestuursorgaan in de kosten veroordeelt, de rechtspersoon aanwijst die de kosten moet vergoeden. Welke rechtspersoon daartoe is gehouden, volgt thans rechtstreeks uit de wet.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Aalten van 12 november 2008;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Aalten tot vergoeding van bij de stichting Stichting Natuur en Milieu Aalten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 41,89 (zegge: eenenveertig euro en negenentachtig cent);

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Aalten tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Aalten aan de stichting Stichting Natuur en Milieu Aalten en [appellant sub 2] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) voor de stichting Stichting Natuur en Milieu Aalten en € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellant sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2009

492.