Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4079

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
200900460/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) de aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LX B.V. (hierna: LX) verleende parkeervergunning ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200900460/1/H3.

Datum uitspraak: 29 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 december 2008 in zaak nr. 08/69 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LX B.V., statutair gevestigd te Amsterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) de aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LX B.V. (hierna: LX) verleende parkeervergunning ingetrokken.

Bij besluit van 10 december 2007 heeft het college het door LX daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 december 2008, verzonden op 4 december 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door LX daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 december 2007 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 3 februari 2009.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.G.C. Wijsman, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Parkeerverordening 1992 kan een vergunning worden verleend aan de eigenaar of houder van een voertuig, wanneer die een beroep of bedrijf uitoefent en is gevestigd in een gebied waar het bij besluit van burgemeester en wethouders aan houders van de vergunning geldig in de straten binnen dat gebied, is toegestaan om onder gebruikmaking van die vergunning te parkeren op parkeerapparatuur- en/of belanghebbendenplaatsen, te noemen bedrijfsvergunning.

Ingevolge paragraaf 2.4 van de door burgemeester en wethouders vastgestelde Beleidsregels parkeervergunningen (hierna: de beleidsregels) worden beroepen of bedrijven beschouwd als één beroep of een bedrijf, en derhalve als één aanvrager, wanneer zij op hetzelfde adres zijn gevestigd. Hiervan wordt alleen afgeweken indien kan worden aangetoond dat materieel sprake is van meerdere zelfstandige beroepen of bedrijven. Hiervan worden bewijsstukken verlangd. Onder meer worden daarbij de volgende criteria gehanteerd:

- staat de beroepsuitoefenaar of het bedrijf, met vermelding van het uitgeoefende beroep of bedrijf zelfstandig ingeschreven op het adres in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, het Register voor Verenigingen of Stichtingen, of een beroepsvereniging;

- heeft de beroepsuitoefenaar of het bedrijf een zelfstandig huur- of koopcontract ter zake van het betreffende adres;

- hebben de beroepsuitoefenaren of bedrijven elk verschillende werknemers;

- hebben de beroepsuitoefenaren of bedrijven verschillende bestuurders of directeuren;

- hanteren de beroepsuitoefenaren of bedrijven elk een eigen doelstelling, naam, telefoonnummer en briefhoofd;

- worden de beroepen of bedrijven uitgeoefend in verschillende branches.

2.2. Vaststaat dat het college in 1992 onder nummer […] een bedrijfsvergunning heeft verleend aan een [architectenbureau]. Voorts staat vast dat de vergunning met dit nummer in 1999 op naam is gesteld van [architectenbureau] gevestigd aan de [locatie] te Den Haag. Aan de [locatie] is gevestigd een [architectenbureau]. Het college heeft hiermee aannemelijk gemaakt dat de vergunning geldt voor [architectenbureau] (hierna: het architectenbureau).

Voorts staat vast dat onder nummer […] een bedrijfsvergunning is verleend aan LX, gevestigd op hetzelfde adres als het architectenbureau.

2.2.1. Het college heeft bij besluit van 21 september 2007 de aan LX verstrekte parkeervergunning ingetrokken en die intrekking in bezwaar gehandhaafd, omdat bij controle is gebleken dat vanwege de onderlinge verwevenheid van LX en het architectenbureau meer dan het maximaal toegestane aantal parkeervergunningen was verleend. Het college heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat het architectenbureau en LX materieel als één bedrijf moeten worden gezien.

2.2.2. Blijkens de bedrijfsomschrijvingen in het handelsregister van de Kamer van Koophandel houdt het [architectenbureau] zich bezig met het exploiteren van een architectenbureau en een bureau voor stedebouwkunde, het verrichten van werkzaamheden op het gebied van ruimtelijke ordening en industriële vormgeving en is LX een holding met beheeractiviteiten. Gelet op deze bedrijfsomschrijvingen en het feit dat deze op hetzelfde adres kantoorhoudende vennootschappen dezelfde enige [bestuurder] hebben, acht de Afdeling, anders dan de rechtbank, aannemelijk dat LX een aan het architectenbureau gelieerde vennootschap is, te meer omdat zij hetzelfde telefoon- en faxnummer heeft als het architectenbureau. LX heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat zij los van de bedrijfsactiviteiten van het architectenbureau een zelfstandig beroep of bedrijf uitoefent, als bedoeld in paragraaf 2.4. van de beleidsregels. Het college heeft derhalve terecht de bedrijfsvergunning ingetrokken. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen het college overigens betoogt, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 december 2008 in zaak nr. 08/69;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2009

312-497.