Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4074

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
200808282/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2006 heeft het bestuur van het Faunafonds (hierna: het Faunafonds) een verzoek van [appellante sub 1] om een tegemoetkoming in de door dassen en reeën aan een perceel bospeen veroorzaakte schade toegewezen en de hoogte van de tegemoetkoming bepaald op € 3988,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808282/1/H3.

Datum uitspraak: 29 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. het bestuur van het Faunafonds,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 oktober 2008 in zaak nr. 07/990 in het geding tussen:

[appellante sub 1]

en

het bestuur van het Faunafonds.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2006 heeft het bestuur van het Faunafonds (hierna: het Faunafonds) een verzoek van [appellante sub 1] om een tegemoetkoming in de door dassen en reeën aan een perceel bospeen veroorzaakte schade toegewezen en de hoogte van de tegemoetkoming bepaald op € 3988,00.

Bij besluit van 12 maart 2007 heeft het Faunafonds het door [appellante sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 oktober 2008, verzonden op 20 oktober 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellante sub 1] ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 12 maart 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Faunafonds opgedragen om met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen, een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 november 2008, en het Faunafonds bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 december 2008, hoger beroep ingesteld. [appellante sub 1] heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 16 december 2008. Het Faunafonds heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 30 december 2008.

[appellante sub 1] en het Faunafonds hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2009, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, en [gemachtigde], en het Faunafonds, vertegenwoordigd door mr. R.J.M. Codrington, ambtenaar van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en H.G. Engberink, werkzaam bij het Faunafonds, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Flora- en faunawet worden als beschermde inheemse diersoort aangemerkt alle van nature in Nederland voorkomende soorten zoogdieren, met uitzondering van gedomesticeerde dieren behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten en met uitzondering van de zwarte rat, de bruine rat en de huismuis.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, is er een Faunafonds, dat tot taak heeft het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten.

Ingevolge artikel 84, eerste lid, wordt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel b, slechts verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.

Volgens artikel 2 van de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds (Stcrt. 2002, 69), zoals gewijzigd op 12 mei 2005 (Stcrt. 2005, 100) en op 1 december 2005 (Stcrt. 2005, 247; hierna: de beleidsregels) kan het bestuur van het Faunafonds de grondgebruiker op zijn verzoek een tegemoetkoming verlenen in door beschermde inheemse diersoorten aan de landbouw, de bosbouw of de visserij aangerichte schade met inachtneming van het hierna bepaalde.

Volgens artikel 5, eerste lid, wordt de hoogte van de door één of meer beschermde diersoorten aangerichte schade, zodra daaromtrent een definitief oordeel kan worden gegeven, door een aangewezen taxateur getaxeerd.

Volgens het derde lid, eerste volzin, stelt de taxateur, met inachtneming van de door het bestuur vastgestelde taxatierichtlijnen, van zijn bevindingen een rapport samen en ondertekent dat. Volgens de derde volzin overhandigt de taxateur bij de eindtaxatie het formulier "bevestiging taxatie grondgebruiker" aan aanvrager of deponeert het bedoelde formulier in de brievenbus van aanvrager.

2.2. Nadat [appellante sub 1] op 20 september 2005 op een perceel van 6,98 hectare schade aan het daar door haar geteelde gewas bospeen had geconstateerd, heeft zij op 21 september 2005 het Faunafonds verzocht om een tegemoetkoming in de schade, waarbij zij zich op het standpunt heeft gesteld dat de schade voor 90% veroorzaakt is door dassen en voor 10% door reeën. Op verzoek van [appellante sub 1] heeft P.J.M. Ceelen (hierna: Ceelen), beëdigd rentmeester, op 21 september 2005 de schade getaxeerd en daarbij dassen voor 90-95% en reeën voor 5-10% als oorzaak van de schade aangewezen. Op verzoek van het Faunafonds hebben door het fonds aangewezen taxateurs het perceel op 4 en 5 oktober 2005 bezocht. Door de taxateurs is vastgesteld dat de schade voor 98% is veroorzaakt door dassen en voor 2% door reeën. Van deze taxatie is [appellante sub 1] een "Bevestiging taxatie akkerbouw voor grondgebruikers", die is opgemaakt op 5 oktober 2005, uitgereikt. Blijkens een "Rapport bevindingen consulent faunaschade" heeft de consulent van het Faunafonds die het perceel samen met de taxateur op 4 oktober 2005 heeft bezocht, eveneens geconstateerd dat sprake was van schade die voor 90% door dassen en voor 10% door reeën is veroorzaakt. Tevens staat in dat rapport dat op een ander perceel van [appellante sub 1] schade is aangetroffen die gedeeltelijk door emelten (larven van de langpootmug) is veroorzaakt. Vervolgens heeft het Faunafonds het perceel op 14 oktober 2005 in het bijzijn van één van de taxateurs bezocht en is op verzoek van het Faunafonds nogmaals een taxatie uitgevoerd op 19 oktober 2005. [appellante sub 1] is van deze taxatie niet op de hoogte gesteld. Deze taxatie werd uitgevoerd door de taxateurs die ook de taxatie van 5 oktober hadden verricht. Volgens het daarvan opgemaakte taxatierapport van 25 oktober 2005 is daarbij vastgesteld dat de schade voor 65% is veroorzaakt door dassen en voor 35% door emelten. Tegen dit taxatierapport heeft [appellante sub 1] bedenkingen kenbaar gemaakt, wat voor het Faunafonds aanleiding vormde om opdracht te geven tot een derde taxatie door twee verschillende taxatiebureaus op 31 oktober 2005. Bij deze taxatie kon de schade volgens de uitgebrachte rapporten niet worden vastgesteld omdat op een groot deel van het perceel grondbewerking had plaatsgevonden.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding voor haar is om het taxatierapport van 5 oktober 2005 niet als uitgangspunt voor de vaststelling van de omvang van de door [appellante sub 1] geleden schade te nemen.

2.4. Het Faunafonds bestrijdt dit oordeel van de rechtbank. Het voert aan dat de taxateurs op 5 oktober 2005 een rapport hebben opgesteld dat niet is gebaseerd op de feiten en omstandigheden zoals die zich hebben voorgedaan, hetgeen is veroorzaakt door de door [appellante sub 1] verschafte informatie over ontsmetting van het perceel, waardoor emeltenschade onwaarschijnlijk was, en door de tijdsdruk die ontstond doordat [appellante sub 1] had aangegeven eerstdaags te zullen gaan oogsten. Nu voorts uit het rapport van 5 oktober 2005 van de consulent van het Faunafonds blijkt dat deze de schade door emelten op een deel van het perceel niet heeft willen uitsluiten en het volgens het Faunafonds ongebruikelijk is dat dassen zoveel schade aanrichten aan bospeen, waren er voldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan het taxatierapport van 5 oktober 2005 en diende het Faunafonds in het kader van zijn onderzoeksplicht een tweede taxatie te laten verrichten.

2.4.1. Zoals ter zitting is komen vast te staan is door de mededeling van [appellante sub 1] dat zij wilde gaan oogsten tijdsdruk ontstaan in die zin, dat de taxatie zo spoedig mogelijk diende plaats te vinden. Tijdens de taxatie van 5 oktober 2005 was echter geen sprake van tijdsdruk; de taxatie is volgens de normale procedure verlopen. Nu voorts, zoals ter zitting onweersproken is gesteld, emeltenschade in de landbouw vrij veel voorkomt, bij bospenen duidelijk zichtbaar is en tijdens de taxatie van 5 oktober 2005 meerdere penen door de taxateurs zijn bekeken, had deze schade, zo die er was, ondanks de mededeling van [appellante sub 1] over ontsmetting door de taxateurs moeten worden opgemerkt. Voorts blijkt uit het rapport van 5 oktober 2005 van de consulent van het Faunafonds niet dat deze twijfelde aan de vaststelling dat de schade op het perceel voor 90% door dassen en voor 10% door reeën was veroorzaakt. De opmerking dat wellicht ook schade door emelten is veroorzaakt staat in dat rapport vermeld bij een ander perceel van [appellante sub 1] dat door de consulent is bezocht, niet bij het onderhavige perceel. De tijdsdruk, noch de mededeling van [appellante sub 1] over ontsmetting, noch het rapport van de consulent van het Faunafonds kon dus voor het Faunafonds aanleiding vormen om te twijfelen aan het taxatierapport van 5 oktober 2005. Nu de taxatie is uitgevoerd door in overeenstemming met artikel 5, eerste lid, van de beleidsregels door het Faunafonds zelf aangewezen taxateurs, kan voorts niet met succes worden staande gehouden dat de omstandigheid dat het volgens het Faunafonds ongebruikelijk is dat dassen zoveel schade aanrichten aan bospeen voldoende grond vormde om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de taxatie van 5 oktober 2005. Het betoog faalt.

2.5. Zoals de rechtbank eveneens met juistheid heeft overwogen brengt dit mee dat het Faunafonds niet kan worden gevolgd in het standpunt dat de schade op twee hectare van het perceel eerder is ontstaan dan de schade op de rest van het perceel, nu ook deze constatering pas is gedaan bij de taxatie van 19 oktober 2005.

2.6. Het hoger beroep van het Faunafonds is ongegrond.

2.7. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat zij het door het Faunafonds bij de berekening van de tegemoetkoming gehanteerde opbrengstbedrag van € 0,34 per bos bospeen niet onredelijk acht.

2.8. [appellante sub 1] bestrijdt dit oordeel. Zij voert aan dat de bospeen zou worden geleverd aan één afnemer waarmee een contractprijs van € 0,68 per bos was overeengekomen. Dat deze prijs gehanteerd dient te worden blijkt ook uit het taxatierapport van Ceelen.

2.8.1. Blijkens het besluit van 12 maart 2007 houdt het Faunafonds bij de schadeberekening in beginsel de KWIN-prijs aan en is dat slechts anders als de grondgebruiker een contract overlegt waaruit een vooraf vastgestelde prijs blijkt. In dat geval wordt de gecontracteerde prijs voor het gewas gehanteerd. Nu de KWIN-prijs voor bospeen op € 0,34 per bos is gesteld, is het Faunafonds van dat bedrag uitgegaan, omdat [appellante sub 1] weliswaar een overeenkomst heeft overgelegd waaruit een prijs van € 0,68 blijkt, maar uit die overeenkomst niet blijkt dat die betrekking heeft op het onderhavige perceel. Bovendien is die contractprijs volgens het Faunafonds opmerkelijk hoog en heeft [appellante sub 1] haar stelling, ondanks een schriftelijk verzoek van het Faunafonds, niet nader onderbouwd.

2.8.2. Met juistheid heeft de rechtbank evenwel overwogen dat het niet onredelijk is te achten dat het Faunafonds bij het bepalen van de opbrengst van een gewas in beginsel uitgaat van de zogeheten KWIN-cijfers, die een voortschrijdend vijfjarig gemiddelde behelzen van de opbrengsten en prijzen van een gewas. Ook dat het Faunafonds van dit uitgangspunt slechts afwijkt als de grondgebruiker een contract overlegt waaruit een vooraf vastgestelde, andere prijs blijkt, acht de Afdeling niet onredelijk. Met het oog hierop heeft [appellante sub 1] in bezwaar een contract overgelegd waarin een prijs van € 0,68 is overeengekomen. Het Faunafonds heeft zich echter, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, op goede gronden op het standpunt gesteld dat uit dit contract niet blijkt dat de overeenkomst betrekking heeft op het schadeperceel, hoewel het Faunafonds in diens brief van 20 februari 2007 had aangegeven, dat het van belang was, dat [appellante sub 1] zou aantonen, dat de overeenkomst betrekking had op het schadeperceel. Nu het Faunafonds [appellante sub 1] hierop tijdens de bezwaarfase expliciet heeft gewezen en haar toen schriftelijk om een nadere onderbouwing heeft verzocht, waarbij wordt opgemerkt dat deze stukken ook bij de rechtbank niet zijn ingebracht, vormt de eerst in hoger beroep door [appellante sub 1] overgelegde verklaring van 11 december 2008 van haar afnemer die haar stelling onderbouwt dat voor het schadeperceel een contractprijs van € 0,68 was overeengekomen, onvoldoende grond voor de conclusie dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld, dat het Faunafonds van de KWIN-cijfers heeft mogen uitgaan. Het betoog faalt.

2.9. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de door [appellante sub 1] gemaakte kosten voor het inschakelen van een deskundige slechts voor vergoeding in aanmerking komen voor zover ze zijn gemaakt voor het inschakelen van Ceelen tot een bedrag van € 822,90.

2.10. [appellante sub 1] bestrijdt ook dit oordeel. Zij voert aan dat de kosten voor het inschakelen van Ceelen volledig dienen te worden vergoed en dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de kosten die zij heeft gemaakt door het inschakelen van [v.o.f]. en van Helena Accountancy B.V. niet voor vergoeding in aanmerking komen.

2.10.1. In lijn met de jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 30 juli 2003 in zaak nr. 200300728/1) heeft de rechtbank overwogen dat de kosten voor een ingebracht deskundigenrapport op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking kunnen komen als het inroepen van die deskundige redelijk was en de kosten van het opstellen van het deskundigenrapport redelijk zijn. Of het inroepen van een niet-juridische deskundige, zoals hier aan de orde, redelijk was, is mede afhankelijk van het antwoord op de vraag of degene die deze deskundigheid heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van de inroeping, ervan uit mocht gaan dat de deskundige een bijdrage zou kunnen leveren aan een voor hem gunstigere beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil relevante vraag. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat [appellante sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [voorzitter] in zijn hoedanigheid van voorzitter van de ZLTO dan wel als eigenaar van het schadeperceel over specifieke deskundigheid met betrekking tot de in geschil zijnde vragen beschikt. Ook het oordeel van de rechtbank dat de door Helena Accountancy gedeclareerde kosten geen verband houden met de vaststelling van de schade of de omvang daarvan is juist. Nu voorts artikel 8:75 betrekking heeft op kosten die in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank zijn gemaakt, heeft de rechtbank een deel van de door Ceelen aan [appellante sub 1] in rekening gebrachte uren buiten beschouwing kunnen laten omdat een deel van die uren betrekking heeft op de op 21 september 2005 door Ceelen verrichte taxatie. Het uurtarief voor het opmaken van een deskundigenrapport wordt ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 geldt voor werkzaamheden waarvoor geen speciaal tarief is bepaald, naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijk bijzondere aard zijn een tarief van ten hoogste € 81,23 per uur. De aard van de door Ceelen verrichte werkzaamheden in aanmerking genomen, kan dan ook niet worden geoordeeld dat de rechtbank niet in redelijkheid een van een uurtarief van € 53,09 heeft kunnen uitgaan. Het betoog faalt.

2.11. De hoger beroepen van het Faunafonds en van [appellante sub 1] zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het Faunafonds dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellante sub 1] te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de rechtbank.

2.12. Het Faunafonds dient op de navolgende wijze in de proceskosten van [appellante sub 1] te worden veroordeeld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de door [appellante sub 1] meegebrachte getuige en deskundige ter zitting niet zijn gehoord en dat in hoger beroep geen deskundigenrapport is overgelegd.

In het sedert 1 juli 2009 geldende vierde lid van artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de vermogensrechtelijke rechtsgevolgen van een handeling van een bestuursorgaan de rechtspersoon treffen waartoe het bestuursorgaan behoort. Tegelijk is het derde lid van artikel 8:75 van de Awb komen te vervallen. In verband hiermee is het niet meer nodig dat de Afdeling in geval zij het bestuursorgaan in de kosten veroordeelt, de rechtspersoon aanwijst die de kosten moet vergoeden. Welke rechtspersoon daartoe is gehouden, volgt thans rechtstreeks uit de wet.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevallen;

II. veroordeelt het bestuur van het Faunafonds tot vergoeding van bij [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 724,79 (zegge: zevenhonderdvierentwintig euro en negenenzeventig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van het bestuur van het Faunafonds griffierecht ten bedrage van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) heft.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Mathot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2009

413.