Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4073

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
200807962/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2007, voorbereid met toepassing van afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht, heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) aan de Dienst Stadsontwikkeling vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het aanleggen van de aansluiting op de doorgang onder de spoorbaan Utrecht-Woerden op een perceel, gelegen aan het Industrieterrein Lage Weide te Utrecht (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200807962/1/H1.

Datum uitspraak: 29 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht, gevestigd te Utrecht,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 september 2008 in zaak nr. 07/2568 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2007, voorbereid met toepassing van afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht, heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) aan de Dienst Stadsontwikkeling vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het aanleggen van de aansluiting op de doorgang onder de spoorbaan Utrecht-Woerden op een perceel, gelegen aan het Industrieterrein Lage Weide te Utrecht (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 30 september 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door appellante (hierna: de Stichting) daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2008, hoger beroep ingesteld.

De Stichting heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2009, waar de Stichting, vertegenwoordigd door drs. C. van Oosten, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J. Breeman, advocaat te Rotterdam, bijgestaan door drs. A.M.M. Baggen, mr. E. Rooke en A. Keizer, allen ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het project voorziet in de aanleg van een wegvak op het industrieterrein Lage Weide tussen een afslag van de rijksweg A2 en de Verlengde Vleutenseweg en is onderdeel van de Nieuwe Ontsluiting Utrecht West (NOUW2).

2.2. Het project is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het college heeft daarvan met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend.

2.3. De Stichting betoogt dat - samengevat - de rechtbank ten onrechte onvoldoende aanleiding heeft gezien om te twijfelen aan de juistheid van de uitkomsten van het aan de vrijstelling ten grondslag liggende luchtkwaliteitsonderzoek. Volgens haar heeft de rechtbank miskend dat de in dit onderzoek gehanteerde invoergegevens niet inzichtelijk zijn en het college dit onderzoek daarom niet aan het vrijstellingsbesluit ten grondslag mocht leggen. Daartoe voert zij aan dat bij het onderzoek is uitgegaan van verkeersintensiteiten die afwijken van die, vermeld in de ruimtelijke onderbouwing van 17 december 2004 ten behoeve van de verwezenlijking van de NOUW2, terwijl in de bijlage bij het Ontwerp Actieplan Luchtkwaliteit Utrecht "Lucht voor Ambitie" weer andere zijn gehanteerd. Voorts is bij het onderzoek naar de gevolgen van het project voor de luchtkwaliteit uitgegaan van achtergrondconcentraties die door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: het RIVM) zijn berekend, terwijl het college in andere gevallen is uitgegaan van gecorrigeerde achtergrondconcentraties, aldus de Stichting.

2.3.1. Op 15 november 2007 is de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden.

Ingevolge artikel V, voor zover thans van belang, zijn titel 5.2 van de Wet milieubeheer, bijlage 2 van die wet en de op titel 5.2 berustende bepalingen niet van toepassing op een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet met toepassing van artikel 7 van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005) vastgesteld besluit.

Bij het nemen van het besluit van 11 september 2007 heeft het college het Blk 2005 en de Meetregeling luchtkwaliteit 2005 toegepast.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden, dan wel de toepassingen van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 gestelde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, worden onder de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden en toepassingen van wettelijke voorschriften in ieder geval begrepen de bevoegdheden op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.3.2. Aan de vrijstelling heeft het college het rapport "NOUW2 luchtkwaliteitsonderzoek" van 30 mei 2007 (hierna: het rapport) ten grondslag gelegd. Volgens het rapport is de verwezenlijking van NOUW2 niet in strijd met het Blk 2005. De rechtbank heeft terecht door de Stichting niet aannemelijk gemaakt geacht dat dit rapport zodanige gebreken of leemten vertoont, dat het college zich daarop bij het nemen van zijn besluit niet heeft mogen baseren. Voor de door de Stichting gesignaleerde verschillen in verkeersintensiteiten, zoals gehanteerd in de door haar vermelde onderzoeken, heeft het college een aannemelijke verklaring gegeven. Zo is uiteengezet dat in de berekeningen van de luchtkwaliteit in het rapport voor de verkeersintensiteiten is uitgegaan van de gegevens uit het op dat moment actuele model VRU 1.31. UTR 1.13. Aan dit model liggen, naar het college in zoverre onweersproken heeft toegelicht, tellingen van verkeersdeskundigen ten grondslag, die voor de toekomst worden geëxtrapoleerd. Het model wordt elke twee jaren aangepast aan veranderde omstandigheden, waaronder verbeteringen in de rekenmethodiek. Daarbij worden de nieuwe inzichten verwerkt ten aanzien van de ruimtelijke en infrastructurele ontwikkelingen in de stad en in de regio Utrecht. In VRU 1.31. zijn de planning en uitvoering van concrete bouwprojecten verwerkt, zoals het bedrijventerrein Wetering-Zuid en The Wall.

Het college heeft voorts nader toegelicht dat bij de voorspelde intensiteit van 14400 motorvoertuigen per etmaal, zoals beschreven in de ruimtelijke onderbouwing van 17 december 2004 ten behoeve van de verwezenlijking van de NOUW2, is uitgegaan van een directe aansluiting van de NOUW2 op de NOUW1. Als gevolg van de gewijzigde aansluiting van de NOUW2 via de Atoomweg en de Hyperonenweg zullen volgens het college de toekomstige intensiteiten over de NOUW2 lager zijn dan in de situatie waarin er een directe aansluiting is. In het licht van deze op zichzelf niet gemotiveerd weersproken toelichting kan voorts de omstandigheid dat in de bijlage bij het Ontwerp Actieplan Luchtkwaliteit Utrecht "Lucht voor Ambitie" is uitgegaan van een lagere verkeersintensiteit, niet leiden tot het oordeel dat in dit geval is uitgegaan van een te lage verkeersintensiteit.

2.3.3. Voor de vaststelling van de achtergrondwaarden is in het rapport gebruik gemaakt van de Generieke Concentraties Nederland, die zijn aangeleverd door het RIVM. De rechtbank heeft met juistheid, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 7 februari 2008 in zaak nr. 200706308/1 en van 12 maart 2008 in zaak nr. 200604662/1, het gebruik van deze waarden als de standaard voor achtergrondconcentraties aanvaardbaar geacht.

Dat bij het verlenen van vrijstelling voor andere projecten bij de vaststelling van de achtergrondwaarden gebruik is gemaakt van andere waarden, betekent niet dat het college in dit geval niet van de waarden van het RIVM heeft mogen uitgaan. Bij de berekening van de luchtkwaliteit wordt, zo heeft het college ter zitting toegelicht, bij projecten in de binnenstad uitgegaan van gecorrigeerde achtergrondconcentraties om dubbeltelling te voorkomen. Het college heeft in dit geval geen gebruik willen maken van deze gecorrigeerde achtergrondconcentraties, omdat het rekenmodel ADMS-Urban, dat uitgaat van grids van 1 bij 1 km, niet geschikt is voor het gebruik van deze gecorrigeerde achtergrondconcentraties. Voorts heeft het vermeld dat is gekozen voor het ADMS-Urban model, omdat met dit model complexe verkeerssituaties in een groot gebied beter in kaart kunnen worden gebracht, dan met het in andere gevallen gehanteerde CAR II model.

2.3.4. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich bij het nemen van het vrijstellingsbesluit niet op het luchtkwaliteitsonderzoek van 30 mei 2007 heeft mogen baseren. Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W.J. Sloots, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Sloots

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2009

499.