Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4069

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
200807502/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 augustus 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren bij besluit van 2 januari 2007 vastgestelde wijzigingsplan "Woning Dorpstraat/Slekkerstraat, Pey" (hierna: het plan).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Burgerlijk Wetboek Boek 5
Burgerlijk Wetboek Boek 5 38
Burgerlijk Wetboek Boek 5 39
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2009/1357
Module Ruimtelijke ordening 2009/4941
JM 2009/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807502/1/R2.

Datum uitspraak: 29 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren bij besluit van 2 januari 2007 vastgestelde wijzigingsplan "Woning Dorpstraat/Slekkerstraat, Pey" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 10 november 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het StAB-advies). [appellanten] en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juli 2009, waar [appellanten], bijgestaan door mr. B. Baan, advocaat te Etten-Leur, en ing. R.M.L. de Koning, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren, vertegenwoordigd door mr. C. Scheepers en M. Eijpe, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, alsmede [belanghebbenden].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij het besluit omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient het college te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op het college de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in de bouw van een woning op het perceel dat is gelegen op de hoek van de Dorpstraat en de Slekkerstraat (hierna: het perceel), direct naast de woning van [appellanten] aan de [locatie]. Het college heeft het plan op 6 maart 2007 goedgekeurd, welk besluit door de Afdeling bij uitspraak van 30 januari 2008, no. 200702861/1 is vernietigd. Hiertoe heeft de Afdeling het volgende overwogen:

"2.4.3. Wat betreft de vrees van appellanten dat zij op hun perceel wateroverlast zullen ondervinden, heeft verweerder zijn standpunt ter zitting aldus toegelicht dat ten aanzien van de afvoer van hemelwater door Envicon Solutions een infiltratieonderzoek is verricht op grond waarvan de conclusie is getrokken dat door de bouw van de nieuwe woning op het perceel wat betreft de waterhuishouding geen knelpunten zullen ontstaan.

In hun beroepschrift en ter zitting hebben appellanten naar voren gebracht dat het perceel in verband met de voorgenomen bouw van de woning zal worden opgehoogd. De vertegenwoordiger van het gemeentebestuur heeft dit ter zitting bevestigd en heeft te kennen gegeven dat het perceel zal worden opgehoogd tot het niveau van de Dorpstraat.

Onbestreden is dat het perceel van appellanten lager ligt dan de naburige gronden die grenzen aan de zuidelijke en westelijke zijde en ook lager dan de Slekkerstraat die aan de oostzijde van het perceel van appellanten ligt en waarop het perceel van appellanten is ontsloten. Bij overvloedige regenval doet zich de mogelijkheid voor dat de riolering het water niet voldoende kan afvoeren. Het perceel van appellanten stroomt thans af via het perceel aan de noordelijke zijde waarop het voorliggende wijzigingsplan betrekking heeft. Buiten geschil is dat deze afvoermogelijkheid komt te vervallen in het geval het perceel in verband met de voorziene bebouwing wordt opgehoogd tot evenbedoeld niveau. Het is niet uitgesloten dat hierdoor op het perceel van appellanten wateroverlast ontstaat. Genoemd onderzoek van Envicon biedt hieromtrent geen duidelijkheid, omdat het uitsluitend betrekking heeft op het perceel waarop de nieuwe woning is voorzien. In verband met het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder in zijn besluit onvoldoende aandacht heeft besteed aan bedoeld bezwaar van appellanten en dit bezwaar onvoldoende heeft weerlegd."

2.3. Met het oog op het nemen van het bestreden besluit heeft het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren door Oranjewoud onderzoek laten verrichten naar mogelijke maatregelen om de wateroverlast die zal worden veroorzaakt door het ophogen van het plangebied op te heffen. In het onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 28 mei 2008, wordt voorgesteld om een afzonderlijk hemelwaterriool te realiseren ter plaatse van het plangebied. Daarnaast worden twee varianten van maatregelen beschreven ter voorkoming van uittredend afvalwater uit de straatkolk voor de woning van [appellanten]. Variant A houdt in dat de straatkolk wordt afgekoppeld van het bestaande transportriool. Variant B houdt in dat meerdere kolken van het transportriool worden afgekoppeld, waardoor een groter deel aan verhard oppervlak wordt onttrokken aan het transportriool.

2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat de in het rapport van Oranjewoud voorgestelde maatregelen in adequate oplossingen voorzien om mogelijke wateroverlast te voorkomen. Het college neemt daarbij in aanmerking dat het waterschap Roer en Overmaas met de maatregelen instemt. De uitvoering van de maatregelen wordt gewaarborgd door het afsluiten van een privaatrechtelijke overeenkomst met de initiatiefnemer, die de kosten van de uitvoering op zijn terrein draagt. De gemeente draagt de kosten van de uit te voeren werkzaamheden in de openbare ruimte.

2.5. [appellanten] stellen zich op het standpunt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij betogen dat geen bevoegdheid bestaat tot het vaststellen van het plan, aangezien de bevoegdheid enkel geldt voor percelen waar een bouwvlak is ingetekend en op onderhavige locatie een bouwvlak ontbreekt. Voorts stellen [appellanten] dat uit twee, in opdracht van henzelf opgestelde, deskundigenrapporten van PRC en Grontmij blijkt dat de door Oranjewoud voorgestelde maatregelen niet afdoende zijn, aangezien de maatregelen enkel zijn gericht op het voorkomen van wateroverlast die ontstaat ten gevolge van het neerslagwater dat vanaf de openbare weg op het perceel van [appellanten] stroomt. De maatregelen voorzien niet in de afvoer van het hemelwater dat op het perceel zelf valt en na een ophoging van het plangebied niet meer vrij kan afstromen richting de Roterbeek. Volgens [appellanten] gaat het onderzoek van Oranjewoud ten onrechte uit van een ophoging van het plangebied tot een hoger bouwpeil dan [locatie], en is niet gekeken naar de mogelijkheid om het bouwpeil gelijk te leggen aan dat van [locatie], waardoor geen wateroverlast ontstaat. De geplande verhoging van het bouwpeil heeft voorts tot gevolg dat de burenrechten van [appellanten], ingevolge de artikelen 5:38 en 5:39 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), worden geschonden. Daarnaast voeren [appellanten] aan dat ontkoppeling van de kolk van het transportriool geen oplossing biedt voor de overbelasting voor de overige kolken, zodat verdund rioolwater elders haar uitweg zoekt. Bovendien verdient het de voorkeur om de molgoot te vervangen door een lijngoot. Voorts betogen zij dat het college onjuiste informatie heeft verstrekt over de infiltratiekoffer, die, naar nu blijkt, een overloop naar het publieke riool krijgt. Ook is de grootte van de infiltratiekoffer onvoldoende om de neerslag van alle verharding van het plangebied op te vangen.

2.6. De Afdeling stelt vast dat het perceel in het bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan 'Kern Pey'- ex artikel 30 WRO/Actualisering" (hierna: herziening bestemmingsplan Kern Pey) is bestemd voor "Woondoeleinden W" en dat het perceel in zijn geheel is voorzien van de aanduiding 'locatie waarvoor wijzigingsbevoegdheid art. 2.01 lid 7 geldt'. Ingevolge artikel 2.01, zevende lid, van de planvoorschriften behorende bij de herziening bestemmingsplan Kern Pey, voor zover van belang, zijn burgemeester en wethouders, voor zover het gronden betreft welke zijn gelegen buiten het bouwvlak, bevoegd de bestemming "Woondoeleinden W" te wijzigen in dezelfde bestemming, voorzien van de aanduidingen "bouwgrens nieuw te bouwen woningen toegestaan" en "maximaal aantal woningen". De wijzigingsbevoegdheid begrijpt de Afdeling aldus, dat burgemeester en wethouders de bevoegdheid hebben om percelen zonder bouwvlak van een bouwmogelijkheid te voorzien. Uit artikel 2.01, zevende lid, volgt niet dat voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid is vereist dat op de plankaart behorende bij de herziening bestemmingsplan Kern Pey een bouwvlak is ingetekend ter plaatse van het perceel waarop de wijzigingsbevoegdheid rust.

2.7. Verder is niet in geschil dat het plan aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid, zoals geformuleerd in artikel 2.01, zevende lid, van de planvoorschriften van de herziening bestemmingsplan Kern Pey, voldoet. Dit laat onverlet dat een belangenafweging dient plaats te vinden, waarbij, gelet op de onder 2.2. genoemde uitspraak van de Afdeling, de vraag aan de orde is of er dusdanige wateroverlast ten gevolge van het plan ontstaat op het perceel van [appellanten], dat het plan in strijd moet worden geacht met een goede ruimtelijke ordening.

2.7.1. De Afdeling stelt vast dat het plan geen bouwpeil of bepalingen omtrent het ophogen van het plangebied bevat. Anderzijds staan de bepalingen van het plan aan het ophogen van het perceel niet in de weg. Het perceel heeft een afwaterende functie ten behoeve van het hoger gelegen perceel van [appellanten], zowel voor de afwatering van het perceel van [appellanten] zelf, als voor de afvoer van het water dat het hoofdriool tijdens hevige neerslag niet kan verwerken wegens onvoldoende capaciteit en dat terugstroomt uit de kolk die is gelegen naast het perceel van [appellanten]. Buiten geschil is dat bij een ophoging van het perceel deze afwaterende functie niet langer kan worden vervuld, wat leidt tot negatieve hydrologische gevolgen voor de afwatering van het perceel van [appellanten].

2.7.2. De Afdeling overweegt dat geen wateroverlast op het perceel van [appellanten] ontstaat ten gevolge van het plan indien het plangebied niet wordt opgehoogd. Indien het plangebied wel wordt opgehoogd, kunnen volgens het rapport van Oranjewoud technische maatregelen worden getroffen om de negatieve hydrologische gevolgen van het ophogen op te heffen. Uit de deskundigenrapporten van PRC, van 28 november 2008, en Grontmij, van 16 oktober 2008, volgt eveneens dat het mogelijk is om dergelijke maatregelen te treffen. Eenzelfde conclusie wordt getrokken in het StAB-advies over de hydrologische situatie, waarin voornoemde deskundigenrapporten zijn betrokken. Deze conclusie wordt niet bestreden in de zienswijzen die naar voren zijn gebracht door [appellanten] en het college. Naar het oordeel van de Afdeling is gelet op de deskundigenrapporten die door partijen zijn overgelegd en het StAB-advies aannemelijk dat technische maatregelen kunnen worden getroffen om de negatieve hydrologische gevolgen van de ophoging van het plangebied op te heffen. De vraag welke maatregelen de voorkeur verdienen en op welke wijze deze maatregelen dienen te worden uitgevoerd, kunnen niet in deze procedure aan de orde komen. De Afdeling wijst in dit verband op de afzonderlijke procedure die van toepassing is bij de aanvraag van een bouwvergunning voor een concreet bouwplan.

2.8. Over het betoog van [appellanten] dat de ophoging van het bouwpeil tot gevolg heeft dat hun burenrechten, ingevolge de artikelen 5:38 en 5:39 van het BW, worden geschonden, overweegt de Afdeling dat in deze procedure niet kan worden getreden in de uitleg van bepalingen van het burgerlijk recht, ter zake waarvan de burgerlijke rechter bevoegd is. De Afdeling is, gelet op het beroep op dit punt, wel gehouden na te gaan of genoemde bepalingen aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan. Gelet op hetgeen onder 2.7.2. is overwogen, omtrent de hydrologische maatregelen die kunnen worden getroffen, staan genoemde bepalingen niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van het plan.

2.9. Gelet op het voorgaande heeft het college op juiste wijze gevolg gegeven aan de onder 2.2. genoemde uitspraak van de Afdeling.

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Broekman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2009

12-618.