Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4064

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
200804942/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2008, kenmerk 2007-020912, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Bronckhorst (hierna: de raad) bij besluit van 8 november 2007 vastgestelde bestemmingsplan

"De Kwekerij" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2009/1071 met annotatie van F.G.M.H.J. Weerts
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804942/1/R2.

Datum uitspraak: 29 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], alle gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2008, kenmerk 2007-020912, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Bronckhorst (hierna: de raad) bij besluit van 8 november 2007 vastgestelde bestemmingsplan

"De Kwekerij" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2008, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad en [appellanten] hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden, met uitzondering van de stukken ten aanzien waarvan de raad heeft verzocht om geheimhouding, als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht

(hierna: Awb). Bij besluit van 11 maart 2009 heeft een enkelvoudige kamer van de Afdeling beslist dat beperking van de kennisneming van de desbetreffende stukken gerechtvaardigd is. De overige partijen is gevraagd om toestemming om mede op de grondslag van de geheim te houden stukken uitspraak te doen. Deze toestemming is verkregen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2009, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. H. Zeilmaker, advocaat te Nijmegen en ing. H.Th. Huisman, werkzaam bij BBN Adviseurs, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Pol, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. A.P.W. Esmeijer, advocaat te Enschede en mr. M. Jolink, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in de bouw van ongeveer 200 woningen op de locatie "De Kwekerij" aan de noordzijde van de kern Hengelo in de gemeente Bronckhorst.

2.3. [appellanten] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij voeren aan dat de mogelijkheden tot verplaatsing van de meubelfabriek en de nadelige gevolgen daarvan onvoldoende zijn onderzocht. Voorts staat er volgens hen een onjuiste passage in de plantoelichting en is het plan volgens hen financieel niet uitvoerbaar. Verder kunnen zij zich er niet mee verenigen dat ten aanzien van de percelen de verwerkelijking van het plan in de naaste toekomst nodig wordt geacht. Zij voeren aan dat de realisering van de bestemming van de percelen niet urgent kan worden geacht.

2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat de raad vanaf 2004 bezig is met de ontwikkeling van de locatie "De Kwekerij" en dat sindsdien overleg is gevoerd met [appellanten] over de verplaatsing van de meubelfabriek. Voorts is volgens het college de plantoelichting naar aanleiding van het bezwaar van [appellanten] dat er een onjuiste passage in stond, aangepast. Het college stelt verder dat het plan financieel uitvoerbaar is. Voorts acht het college het in redelijkheid aanvaardbaar dat ten aanzien van deze percelen toepassing is gegeven aan artikel 13 van de WRO.

2.5. [appellanten] zijn eigenaren onderscheidenlijk huurder en exploitant van de desbetreffende percelen en de daarop aanwezige meubelfabriek. De meubelfabriek, gelegen in het noordwesten van het plangebied, kan ten gevolge van het plan niet op de huidige locatie worden gehandhaafd. De raad is ter verwerving van de gronden van de meubelfabriek begonnen met een onteigeningsprocedure. Ter zitting is gebleken dat het raadsbesluit tot onteigening inmiddels ter inzage heeft gelegen en dat [appellanten] hiertegen bedenkingen naar voren hebben gebracht bij de Kroon.

2.6. De Afdeling merkt op dat de WRO de raad niet de verplichting oplegt om reeds in het kader van de bestemmingsplanprocedure over de mogelijkheden van verplaatsing van bedrijven die ten gevolge van het plan niet kunnen worden gehandhaafd, volledige duidelijkheid te verschaffen. De zorgvuldigheid die dient te worden betracht bij het voorbereiden van besluiten, legt deze verplichting evenmin op.

Blijkens de stukken is sinds 2004 door zowel de projectontwikkelaars als de raad overleg gevoerd met [appellanten] om de gronden van de meubelfabriek minnelijk te verwerven. In deze onderhandelingen zijn tevens vervangende locaties aan de orde gekomen. Dat het minnelijk overleg tot op heden niet tot een overeenkomst heeft geleid doet hier niet aan af.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het geschil zich met name toespitst op de oppervlakte van een vervangende locatie. De raad ging in eerste instantie uit van een vervangende locatie met een oppervlakte van ongeveer 5.000 m², terwijl de oppervlakte van de vervangende locatie volgens [appellanten] minimaal 8.500 m² dient te bedragen. Voorts hebben [appellanten] benadrukt dat de bedrijfsvoering van de meubelfabriek in belangrijke mate afhankelijk is van gespecialiseerde ambachtslieden, die deels thuiswerken. De meubelfabriek is volgens hen derhalve aangewezen op een vervangende locatie in de directe omgeving van de kern Hengelo in de gemeente.

De raad heeft de kosten van verplaatsing van de meubelfabriek laten taxeren. In dat kader gaat de raad niet langer uit van een vervangende locatie met een oppervlakte van ongeveer 5.000 m², maar van een vervangende locatie met een oppervlakte van minimaal 7.000 m². Een dergelijke locatie kan volgens de raad worden gerealiseerd op een bedrijventerrein dat in Zelhem zal worden aangelegd. Volgens de raad komt hij hiermee tevens tegemoet aan de wens van [appellanten] om een vervangende locatie die ligt in de directe omgeving van de kern Hengelo. Het college heeft ter zitting te kennen gegeven aan de hervestiging van de meubelfabriek op dit bedrijventerrein te willen meewerken. Gelet op het voorgaande wordt in hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat hun belangen onvoldoende in het minnelijk overleg zijn betrokken.

2.7. Voor zover [appellanten] betogen dat in de plantoelichting ten onrechte staat vermeld dat zij ten behoeve van bodemonderzoek en archeologisch onderzoek toestemming voor betreding van de desbetreffende percelen en opstallen hebben geweigerd, overweegt de Afdeling het volgende.

2.7.1. Het college heeft in navolging van de raad aangegeven dat in de toelichting op het ontwerpbestemmingsplan ten onrechte staat vermeld dat de meubelfabriek niet wenste mee te werken aan onderzoeken op het terrein. Van gemeentewege zijn er volgens het college geen onderzoeken geïnitieerd en is derhalve ook niet om betredingstoestemming verzocht. In zoverre is de toelichting bij het vastgestelde bestemmingsplan aangepast, aldus het college.

2.7.2. In de toelichting bij het vastgestelde plan staat vermeld dat de gronden van de meubelfabriek bij het bodemonderzoek en het archeologisch onderzoek niet zijn meegenomen wegens het ontbreken van betredingstoestemming. Wat hier ook van zij, uit artikel 12, tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 volgt dat een toelichting geen deel uitmaakt van een bestemmingsplan. Gelet hierop heeft het college in dit bezwaar van [een van de appellanten] en andere betreffende de plantoelichting geen aanleiding behoeven te zien om goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.8. [appellanten] voeren ten aanzien van hun betoog dat het plan financieel niet uitvoerbaar is aan dat de kosten van verplaatsing van de meubelfabriek te laag zijn getaxeerd. Volgens hen is in de taxatie ten onrechte uitgegaan van een vervangende locatie met een oppervlakte van slechts 5.000 m². Verder is het volgens [appellanten] twijfelachtig of de projectontwikkelaars daadwerkelijk de garantie hebben afgegeven dat zij de kosten van verplaatsing van de meubelfabriek en de schadeloosstelling voor hun rekening zullen nemen. Gelet hierop is volgens [appellanten] ten onrechte geen subsidie aangevraagd voor de verplaatsing van de meubelfabriek.

2.8.1. Volgens het college blijkt uit de samenwerkingsovereenkomst die is gesloten tussen de gemeente en de projectontwikkelaars dat de projectontwikkelaars de grondexploitatie en de vastgoedexploitatie voor eigen rekening en risico realiseren. De kosten die de gemeente maakt worden door de projectontwikkelaars vergoed, inclusief de kosten van de eventuele onteigening van de gronden van [appellanten]. De contante waarde van het berekende voordelige saldo van de grondexploitatie bedraagt volgens het college op 1 januari 2007 ruim één miljoen euro. Het college stelt dat aangenomen mag worden dat de vastgoedexploitatie rendabel is en wijst erop dat gebruikelijk is dat in de gehanteerde stichtingskosten een winstmarge wordt opgenomen. Indien de onteigeningskosten tegenvallen komen deze extra kosten ten laste van de projectontwikkelaars die daarvoor een redelijke marge hebben, aldus het college.

2.8.2. In de plantoelichting is volstaan met de mededeling dat voor de gemeente aan de planontwikkeling geen risico's zijn verbonden en dat in de samenwerkingsovereenkomst met de projectontwikkelaars afspraken zijn vastgelegd over de kostenverdeling van nog te verwerven gronden. De raad stelt in de zienswijzennota dat dit geenszins betekent dat geen inzicht bestaat in de financiële haalbaarheid van het plan. Voorafgaande aan de keuze van de raad van de voormalige gemeente Hengelo voor "De Kwekerij" als nieuw uitleggebied, is door Tauw B.V. onderzoek gedaan naar de financiële haalbaarheid van vier potentiële woningbouwlocaties. Uit dit onderzoek is gebleken dat alle vier locaties financieel uitvoerbaar waren. Dit onderzoek is geactualiseerd in het onderzoeksrapport van 10 oktober 2007 van Tauw B.V. "Actualisatie financiële haalbaarheid De Kwekerij te Hengelo GLD".

2.8.3. De Afdeling heeft kennis genomen van de samenwerkingsovereenkomst van 21 december 2004 en het onderzoeksrapport van 10 oktober 2007. Gebleken is dat de projectontwikkelaars de kosten van verplaatsing van de meubelfabriek en de schadeloosstelling voor hun rekening nemen. Voorts is niet aannemelijk dat de kosten van verplaatsing van de meubelfabriek dermate hoog zullen zijn dat de projectontwikkelaars deze kosten niet meer kunnen dragen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd is.

2.9. [appellanten] voeren aan dat de realisering van de bestemming van de desbetreffende percelen niet urgent is omdat in de plantoelichting staat dat bij de fasering van de woningbouw rekening is gehouden met het feit dat de gronden behorend tot de meubelfabriek niet als eerste tot ontwikkeling kunnen worden gebracht.

2.9.1. Het college heeft zich in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat de noodzaak van een spoedige realisering voldoende is aangetoond. Om binnen de planperiode aan de behoefte aan woningbouw voor de kern Hengelo te kunnen voldoen, zal de gemeente volgens het college moeten kunnen beschikken over onder meer de percelen van [appellanten]. Het college acht het in redelijkheid aanvaardbaar dat ten aanzien van deze percelen toepassing is gegeven aan artikel 13 van de WRO omdat onzeker is of de percelen op minnelijke wijze verworven kunnen worden.

2.9.2. Het plan voorziet ten aanzien van de desbetreffende percelen in de aanduiding "verwerkelijking in naaste toekomst". Ingevolge artikel 14 van de planvoorschriften is de verwerkelijking van gronden met deze aanduiding in de naaste toekomst noodzakelijk.

2.9.3. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de WRO kunnen bij een bestemmingsplan, voor zover het gronden betreft waarvan het gebruik afwijkt van het plan, een of meer onderdelen worden aangewezen ten aanzien waarvan de verwerkelijking van het plan in de naaste toekomst nodig wordt geacht. Een dergelijke aanwijzing maakt het mogelijk dat, in het geval tot onteigening zal worden besloten, de verkorte procedure op grond van artikel 85 van de Onteigeningswet kan worden gevolgd.

2.9.4. De Afdeling stelt voorop dat de toepassing van artikel 13 van de WRO in beginsel tot de beleidsvrijheid van de raad behoort. Dit neemt echter niet weg dat in de bestemmingsplanprocedure ter beoordeling staat of de verwezenlijking van de toegekende bestemmingen uit planologisch oogpunt bezien urgent moet worden geacht.

2.9.5. De raad heeft nader uiteengezet dat naast het feit dat op de percelen waarop de meubelfabriek is gevestigd, woningen zijn voorzien, de percelen spoedig verworven dienen te worden omdat de meubelfabriek een hindercirkel van 100 meter heeft die aan het realiseren van woningen binnen die hindercirkel in de weg staat.

2.9.6. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten] naar voren hebben gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verwerkelijking van de bestemming van de desbetreffende gronden voldoende urgent moet worden geacht om met betrekking tot deze gronden toepassing te geven aan artikel 13 van de WRO.

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op bedoelde onderdelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Kegge

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2009

177-599.