Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4061

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
200901943/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Westland bij besluit van 27 mei 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Ontsluitingsweg Wateringveldsche Polder".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200901943/2/R2.

Datum uitspraak: 23 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], gevestigd te [plaats], en anderen,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Westland bij besluit van 27 mei 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Ontsluitingsweg Wateringveldsche Polder".

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker] en anderen (hierna: de Kwekerij en anderen) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2009, beroep ingesteld. De Kwekerij en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 24 maart 2009.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juli 2009, hebben de Kwekerij en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 juli 2009, waar de Kwekerij en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan mr. drs. B.J.P.M. Zwinkels, advocaat te Honselersdijk, en het college, vertegenwoordigd door ing. J.J. Zuiderwijk, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad van de gemeente Westland, vertegenwoordigd door N. Brouwers, J. den Heijer en R. van Dijk, allen ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan heeft als doel het formeel vastleggen in een bestemmingsplan van de verbindingsweg Wateringveldsche Polder. Ter verbetering van het glastuinbouwgebied en de herstructurering daarvan wordt binnen de gehele gemeente nieuwe infrastructuur gerealiseerd om de ontsluiting van de glastuinbouwgebieden te verbeteren. Het wegtracé dat in het bestemmingsplan wordt ingepast maakt onderdeel uit van deze nieuwe infrastructuur en heeft als doel het glastuinbouwgebied van de Wateringveldsche Polder en het bedrijventerrein van Kwintsheul aan de Bovendijk beter te ontsluiten en de kern Kwintsheul te ontlasten.

2.3. De Kwekerij en anderen betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij beogen met hun verzoek onomkeerbare gevolgen te voorkomen nu reeds met de werkzaamheden aan de weg een aanvang is gemaakt. Zij voeren hiertoe onder meer aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de bedrijfsbelangen en dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet is verzekerd.

2.4. Het college heeft het plan goedgekeurd. Hierbij heeft het zich, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat niet wordt verwacht dat het bedrijf na het afbreken van een deel van de kassen niet meer levensvatbaar is en dat het plan financieel uitvoerbaar is.

2.5. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat reeds een aanvang is gemaakt met de aanleg dan wel reconstructie van de weg, waaronder het deel dat toegang verschaft tot het bedrijf van de Kwekerij en anderen in het westelijk deel van het plangebied en de aanleg van een rotonde in het oostelijk deel van het plangebied. Gelet hierop acht de voorzitter, anders dan het college ter zitting heeft betoogd, onomkeerbare gevolgen van de verdere uitvoering van het plan niet uitgesloten. Nu een spoedeisend belang aanwezig is, zal in het navolgende worden onderzocht of er aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6. De Kwekerij en anderen exploiteren op het perceel [locatie] te [plaats] een potplantenbedrijf. [gemachtigden] wonen tevens op voornoemd perceel. Voor de realisering van het plan zal ongeveer 10% van de glasopstanden en de woning van [gemachtigden] dienen te worden afgebroken.

2.7. De Kwekerij en anderen hebben onder meer aangevoerd dat het bedrijf na het afbreken van de kassen niet meer levensvatbaar zal zijn, omdat de winst van het bedrijf geminimaliseerd zal worden. Ter ondersteuning van deze beroepsgrond is in opdracht van de Kwekerij en anderen door Flynth Adviseurs en Accountants een bedrijfsplan en een reactie op het standpunt van het college in het bestreden besluit opgesteld. Het college heeft deze rapporten niet deugdelijk gemotiveerd betwist. Zoals ter zitting is erkend, is het standpunt van het college dat niet wordt verwacht dat het bedrijf na het afbreken van een deel van de kassen niet meer levensvatbaar is, slechts gebaseerd op een aanname die op generlei wijze wordt gesteund door een deskundig onderzoek. Nu op voorhand eveneens niet is gebleken dat voornoemde rapporten van Flynth Adviseurs en Accountants gebreken of leemten in kennis vertonen, dient van de juistheid van deze rapporten te worden uitgegaan. Gelet hierop sluit de voorzitter niet uit dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat in onderhavig geval onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de Kwekerij en anderen. In dit verband overweegt de voorzitter voorts dat op voorhand niet is uitgesloten dat voor de realisering van het plan het gehele bedrijf en het woonperceel van de Kwekerij en anderen dient te worden aangekocht. Uit een door de Kwekerij en anderen overgelegde brief van 20 maart 2008 komt echter naar voren dat van de zijde van de gemeente is aangegeven dat voor de aankoop van het gehele bedrijf geen financiële middelen voorhanden zijn. Gelet hierop sluit de voorzitter eveneens niet uit dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet is verzekerd. De enkele verwijzing naar vertrouwelijke stukken waaruit zou blijken dat de financiële uitvoerbaarheid thans wel is gewaarborgd acht de voorzitter in het licht van voornoemde brief niet voldoende.

2.8. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter aanleiding om het bestreden besluit te schorsen.

2.9. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De door de Kwekerij en anderen gestelde kosten voor door deskundigen uitgebrachte rapporten komen naar het oordeel van de voorzitter niet op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking nu niet is gebleken dat deze rapporten in verband met de behandeling van het voorliggende verzoek en de daarmee verband houdende bodemprocedure zijn opgesteld dan wel omdat daaraan geen betekenis toekomt voor de beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening.

In het sedert 1 juli 2009 geldende vierde lid van artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat de vermogensrechtelijke gevolgen van een handeling van een bestuursorgaan de rechtspersoon treffen waartoe het bestuursorgaan behoort. Tegelijk is het derde lid van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht komen te vervallen. In verband hiermee is het niet meer nodig dat de voorzitter in geval zij het bestuursorgaan in de kosten veroordeelt, de rechtspersoon aanwijst die de kosten moet vergoeden. Welke rechtspersoon daartoe is gehouden, volgt thans rechtstreeks uit de wet.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 20 januari 2009, kenmerk PZH-2009-3689;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van [verzoeker] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan [verzoeker] en anderen het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2009

533.