Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4049

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
200900433/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 augustus 2007 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200900433/1/H3.

Datum uitspraak: 29 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 december 2008 in zaak nr. 07/8920 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2007 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Bij besluit van 12 oktober 2007 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 december 2008, verzonden op 4 december 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 januari 2009, hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Biemond, advocaat te Den Haag, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 131, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994), voor zover thans van belang, legt het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op om zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, is degene die zich ingevolge het in artikel 131, eerste lid, bedoelde besluit dient te onderwerpen aan een onderzoek, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen. Gelijke verplichting bestaat voor degene die zich ingevolge artikel 131, vierde lid, of artikel 134, vierde lid, dient te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, besluit het CBR, bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking, onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. Het CBR bepaalt daarbij op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, de ongeldigverklaring betrekking heeft.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement) worden, voor zover thans van belang, het tijdstip waarop en de plaats waar betrokkene de hem opgelegde educatieve maatregelen, bedoeld in artikel 131, vijfde lid (lees: vierde lid), van de wet dient te ondergaan, door het CBR vastgesteld.

Ingevolge het tweede lid worden, indien betrokkene niet op de vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, tijd en plaats waarop betrokkene de hem opgelegde educatieve maatregelen dient te ondergaan, door het CBR opnieuw vastgesteld, tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van een geldige reden van verhindering.

2.2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 9 augustus 2007 heeft het CBR ten grondslag gelegd dat [appellant] op 6 juni 2007 zonder geldige reden van verhindering niet is verschenen op het voorgesprek van de hem bij besluit van 26 januari 2007 opgelegde Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA).

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij er alles aan heeft gedaan om op 6 juni 2007 op tijd te komen. Doordat hij die ochtend in de file terechtkwam is volgens hem een situatie van overmacht ontstaan. Voorts betoogt hij dat de rechtbank eraan is voorbijgegaan dat het gevolg van het niet tijdig op de afspraak komen voor hem buitenproportioneel is, nu hij opnieuw de kosten voor de EMA moet betalen.

2.4. Vaststaat dat [appellant] niet op 6 juni 2007 om 11.30 uur is verschenen bij het individuele voorgesprek op de cursuslocatie het psycho-medisch centrum Parnassia te Leiden. Met de rechtbank wordt overwogen dat, gelet op de in artikel 132 van de WVW 1994 neergelegde medewerkingsverplichting, het op de weg van [appellant] lag om aannemelijk te maken dat hij een geldige reden van verhindering had voor het voorgesprek van 6 juni 2007. De omstandigheid dat [appellant] in een file terecht kwam heeft de rechtbank terecht niet als een zodanige reden aangemerkt. Met juistheid heeft de rechtbank gewicht toegekend aan de omstandigheid dat [appellant] uitdrukkelijk is gewezen op de consequenties van te laat komen. Bij aangetekende brief van 11 april 2007, waarbij [appellant] is opgeroepen voor de EMA, is hem nadrukkelijk medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig wordt verklaard indien hij te laat op het individuele voorgesprek zou verschijnen en bij brief van 21 mei 2007 is hij hieraan herinnerd. Onder deze omstandigheden moet het voor het risico van [appellant] blijven dat hij er niet in is geslaagd om tijdig bij het voorgesprek aanwezig te zijn. Terecht heeft de rechtbank derhalve overwogen dat van overmacht niet is gebleken.

De rechtbank heeft voorts terecht niet onredelijk geacht dat [appellant] nogmaals de kosten voor de EMA moet voldoen, nu onweersproken is gesteld dat voor hem op diverse data een plaats in de cursus is gereserveerd en deze niet door een andere cursist wordt opgevuld.

Terecht en op goede gronden heeft de rechtbank derhalve geoordeeld dat het CBR heeft mogen concluderen dat [appellant] niet de vereiste medewerking aan de EMA heeft verleend en dat het ingevolge artikel 132, tweede lid, van de WVW 1994 gehouden was om onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van [appellant] over te gaan.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2009

312-497.