Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4034

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
200904094/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 april 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college van gs) aan de stichting Stichting Regionaal Motorsportcircuit Nieuw-Zevenbergen (hierna: het Regionaal Motorsportcircuit Nieuw-Zevenbergen) een veranderingsvergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, alsmede voor het milieucompartiment geluid een deelrevisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor de inrichting aan de Zevenbergseweg 45 te Berghem, gemeente Oss. Dit besluit is op 27 april 2009 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/4108
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/3548

Uitspraak

200904094/2/M1.

Datum uitspraak: 20 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de stichting Stichting De Groene Zone, gevestigd te Oss,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college van gs) aan de stichting Stichting Regionaal Motorsportcircuit Nieuw-Zevenbergen (hierna: het Regionaal Motorsportcircuit Nieuw-Zevenbergen) een veranderingsvergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, alsmede voor het milieucompartiment geluid een deelrevisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor de inrichting aan de Zevenbergseweg 45 te Berghem, gemeente Oss. Dit besluit is op 27 april 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft onder meer de stichting Stichting De Groene Zone (hierna: De Groene Zone) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juni 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juni 2009, heeft De Groene Zone de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 juli 2009, waar De Groene Zone, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college van gs, vertegenwoordigd door M.Th.C.W. Beekmans-Trum, ing. H.M. van 't Hof en ing. G.B.A. Mogot, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting het Regionaal Motorsportcircuit Nieuw-Zevenbergen, vertegenwoordigd door [voorzitter], [bestuurslid], mr. W.A. Poppeliers, juridisch adviseur, H.M. van der Ham en ing. P. Geelen, en het college van burgemeester en wethouders van Oss, vertegenwoordigd door mr. drs. A.M. Bakker en mr. W.J. Bosma, advocaten te Breda, en J.J.A.M. Wingens, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Bij besluit van 13 april 1993 is een vergunning krachtens de Hinderwet verleend voor een motorcrossbaan en een kartbaan. Bij besluiten van 24 juni 2003 en 16 februari 2007 heeft het college van gs meldingen als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geaccepteerd.

De bij het bestreden besluit verleende veranderingsvergunning voorziet in het veranderen van de werking van de inrichting, betreffende de verruiming van de openingsdagen en openingstijden van het terrein, de realisatie van een horecagebouw met opslagruimte, kleedruimte en helmenopslag, de plaatsing van opslagcontainers, de bouw van een romneyloods en het vervangen van de bestaande propaantank door twee nieuwe propaantanks. De bij het bestreden besluit verleende deelrevisievergunning heeft betrekking op het milieucompartiment geluid. Voorts zijn bij het bestreden besluit de aan de vergunning van 13 april 1993 verbonden voorschriften 1.4.2 t/m 1.4.6, 1.9.1 t/m 1.9.8, 3.1.1 t/m 3.2.2 en 6.1.1 ingetrokken.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college van gs een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. De Groene Zone vreest een toename van geluidhinder vanwege de inrichting. In dit kader is door De Groene Zone onder meer betoogd dat in de bij het bestreden besluit verleende vergunning, anders dan in de vergunning van 13 april 1993, geen beperkingen meer worden gesteld aan de openstellingsdagen en -tijden van de crossbaan en de kartbaan en aan het maximale aantal motorcross- en kart-uren gedurende de openstellingstijden. De Groene Zone voert aan dat het college van gs de volgens dit college beschikbare geluidruimte in de geluidzone niet had mogen opvullen, maar - op basis van het in 1993 vergunde gebruik en de geluidemissiegegevens van de huidige beste beschikbare technieken - de geluidruimte had moeten verkleinen. Voorts heeft het college van gs niet onderkend dat in de aanvraag, het daarvan deeluitmakende akoestisch rapport en dientengevolge in het bestreden besluit, niet alle representatieve bedrijfssituaties zijn opgenomen, aldus De Groene Zone.

2.4.1. Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan voortvloeit uit onder meer de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid , 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder.

Ingevolge artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: Ivb) worden als categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, aangewezen de categorieën van inrichtingen die zijn genoemd in bijlage I, onder - onder meer - 19.2.

Onder 19.2 van bijlage I van het Ivb is bepaald dat gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn ten aanzien van inrichtingen, behorende tot categorie 19.1, onder g, 2o, voor zover het betreft terreinen, geen openbare weg zijnde, die bestemd of ingericht zijn voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen, en die daartoe acht uren per week of meer opengesteld zijn.

2.4.2. Ingevolge voorschrift 1.1.2 mogen activiteiten op het onverharde crossterrein uitsluitend plaatsvinden van 09.00 tot 22.00 uur.

Ingevolge voorschrift 1.1.3 mogen activiteiten op het kartcircuit uitsluitend plaatsvinden van 07.00 uur tot 22.00 uur.

Ingevolge voorschrift 2.1.1 mogen ter plaatse van de op de bijlage "Geluidimmissiepunten" aangegeven immissiepunten de in de tabel genoemde waarden van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege het in werking zijn van de inrichting niet worden overschreden.

Ingevolge voorschrift 2.1.2 mogen ter plaatse van de op de bijlage "Geluidimmissiepunten" aangegeven monitoringspost de in de tabel genoemde waarden van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege het in werking zijn van de inrichting tijdens de daar genoemde bedrijfssituaties RBS1 tot en met RBS7 niet worden overschreden.

Ingevolge voorschrift 2.1.3 mogen de maximale geluidniveaus ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen, veroorzaakt door geluidbronnen binnen de inrichting niet meer bedragen dan de daar genoemde waarden.

Ingevolge voorschrift 2.2.1, voor zover hier van belang, mag in verband met motorcross- en/of kartwedstrijden maximaal zes dagen per jaar worden afgeweken van de voorschriften 1.1.2 en 1.1.3 alsmede het gestelde ten aanzien van de geluidnormen in de voorschriften 2.1.1 en 2.1.3. Op bedoelde wedstrijddagen mogen in geen geval kart- of motorcrossactiviteiten plaatsvinden vóór 10.00 uur en na 19.00 uur.

2.4.3. De inrichting is als solitair bedrijf gelegen op het industrieterrein "MC-terrein Nieuw-Zevenbergen", waaromheen krachtens de Wet geluidhinder een geluidzone is vastgesteld waarbuiten de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Bij besluit van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 17 november 1999 zijn voor een aantal binnen de zone gelegen woningen maximaal toelaatbare geluidgrenswaarden vastgesteld.

2.4.4. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting begrijpt de voorzitter het bestreden besluit aldus dat het college heeft beoogd een veranderingsvergunning te verlenen, voor de hiervóór onder 2.2 genoemde veranderingen, alsmede de geluidvoorschriften van de vergunning van 13 april 1993 te wijzigen. Daargelaten of het college van gs voor het wijzigen van de geluidvoorschriften van de vergunning van 13 april 1993 gebruik kon maken van het instrument van de deelrevisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer, overweegt de voorzitter als volgt.

Uit de stukken alsmede het verhandelde ter zitting blijkt dat het college zich op het standpunt stelt dat de wedstrijddagen in voorschrift 2.2.1 geen deel uitmaken van de aanvraag maar van de vergunning van 13 april 1993 en dat de milieuhygiënische aanvaardbaarheid hiervan dientengevolge in het kader van het bestreden besluit niet ter beoordeling staat. Voorschrift 2.2.1 is volgens het college van gs opgenomen, omdat in het corresponderende voorschrift 1.9.7 van de vergunning van 13 april 1993 verwijzingen naar in te trekken voorschriften waren vermeld. In voorschrift 2.2.1 is dit bestaande voorschrift opgenomen met de juiste verwijzing, aldus het college van gs.

Nu het bestreden besluit strekt tot wijziging van de geluidvoorschriften van de onderliggende vergunning, dienen naar het oordeel van de voorzitter bij de vaststelling van de geluidvoorschriften echter niet alleen de gewijzigde activiteiten, maar ook de eerder vergunde activiteiten te worden betrokken.

Alsdan heeft naar het oordeel van de voorzitter het volgende te gelden. De wedstrijden voldoen op zichzelf aan de omschrijving van categorie 19.2 van bijlage I van het Ivb. Door bij de vaststelling van de geluidvoorschriften activiteiten als deze niet aan de zonegrenswaarde en de ten hoogste toelaatbare waarden van de geluidbelasting vanwege de inrichting te toetsen wordt, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 4 oktober 2006 in zaak nr. 200509908/1, 21 februari 2007 in zaak nr. 200600350/1 en 4 juni 2008 in zaak nr. 200705399/1), het wettelijk systeem doorkruist.

Op grond hiervan is de voorzitter voorshands van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer.

2.5. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.6. Het college van gs dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

In het sedert 1 juli 2009 geldende vierde lid van artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de vermogensrechtelijke rechtsgevolgen van een handeling van een bestuursorgaan de rechtspersoon treffen waartoe het bestuursorgaan behoort. Tegelijk is het derde lid van artikel 8:75 van de Awb komen te vervallen. In verband hiermee is het niet meer nodig dat de voorzitter in geval hij het bestuursorgaan in de kosten veroordeelt, de rechtspersoon aanwijst die de kosten moet vergoeden. Welke rechtspersoon daartoe is gehouden, volgt thans rechtstreeks uit de wet.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 17 april 2009, kenmerk 1528173;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de stichting Stichting De Groene Zone in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 33,99 (zegge: drieëndertig euro en negenennegentig cent);

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan de stichting Stichting De Groene Zone het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2009

271-489.