Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ3648

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2009
Datum publicatie
24-07-2009
Zaaknummer
200903913/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / hernieuwde inbewaringstelling / geen belang bij behandeling van beroep

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een eventuele toekomstige maatregel van bewaring niet meer relevant om welke reden de eerdere maatregel van bewaring op 28 april 2009 is opgeheven.

Bij een eventuele toekomstige inbewaringstelling van de vreemdeling kan wel van belang zijn om welke reden de maatregel van 13 mei 2009 is opgeheven. Mocht hij nogmaals in vreemdelingenbewaring worden gesteld en daartegen in beroep gaan en ter zake gronden naar voren brengen, dan dient door de behandelende rechter zelfstandig onderzocht en beoordeeld te worden of, en zo ja in hoeverre het ontbreken van zicht op uitzetting bij de opheffing van de bewaring van 13 mei 2009 een rol heeft gespeeld. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2008 in zaak nr. 200803835/1 en van 8 augustus 2008 in zaak nr. 200803279/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat hij niet is gebonden aan de reden van opheffing die daaraan door de staatssecretaris ten grondslag is gelegd. Nu voorts ongewis is of de vreemdeling in de toekomst nogmaals in bewaring zal worden gesteld, de op 13 mei 2009 opgelegde maatregel is opgeheven en aan hem een volledige schadevergoeding is toegekend, is de rechtbank, zij het niet op juiste gronden, terecht tot het oordeel gekomen dat de vreemdeling geen belang had bij de behandeling van zijn beroep.

De grief faalt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/357

Uitspraak

200903913/1/V3.

Datum uitspraak: 16 juli 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 20 mei 2009 in zaak nr. 09/17562 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2009 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij mondelinge uitspraak van 20 mei 2009, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 26 mei 2009, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet ontvankelijk verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 29 mei 2009, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De inbewaringstelling is, onder toekenning van een volledige schadevergoeding, op 19 mei 2009 door de staatssecretaris opgeheven, met de motivering dat andere belangen prevaleren.

2.2. De vreemdeling klaagt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat zijn belang al is vervuld in de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 28 april 2009, waarin is overwogen dat zicht op uitzetting ontbreekt, om welke uitspraak de staatssecretaris bij een eventuele volgende inbewaringstelling niet heen kan, zodat niet valt in te zien op welke wijze de vreemdeling door een uitspraak in deze zaak in een betere situatie zou kunnen komen. Daartoe betoogt de vreemdeling dat hij belang heeft bij het oordeel van de rechtbank dat de daadwerkelijke reden voor opheffing van de bewaring op 19 mei 2009 het ontbreken van zicht op uitzetting was. Het moment waarop zodanig zicht niet langer bestond is, gelet op het tijdsverloop tussen de opheffing van deze bewaring en een eventueel nadien op te leggen maatregel en de daaruit voortvloeiende wijze van toetsing, van belang voor een volgende inbewaringstelling, aldus de vreemdeling.

2.3. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een eventuele toekomstige maatregel van bewaring niet meer relevant om welke reden de eerdere maatregel van bewaring op 28 april 2009 is opgeheven.

Bij een eventuele toekomstige inbewaringstelling van de vreemdeling kan wel van belang zijn om welke reden de maatregel van 13 mei 2009 is opgeheven. Mocht hij nogmaals in vreemdelingenbewaring worden gesteld en daartegen in beroep gaan en ter zake gronden naar voren brengen, dan dient door de behandelende rechter zelfstandig onderzocht en beoordeeld te worden of, en zo ja in hoeverre het ontbreken van zicht op uitzetting bij de opheffing van de bewaring van 13 mei 2009 een rol heeft gespeeld. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2008 in zaak nr. 200803835/1 en van 8 augustus 2008 in zaak nr. 200803279/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat hij niet is gebonden aan de reden van opheffing die daaraan door de staatssecretaris ten grondslag is gelegd. Nu voorts ongewis is of de vreemdeling in de toekomst nogmaals in bewaring zal worden gesteld, de op 13 mei 2009 opgelegde maatregel is opgeheven en aan hem een volledige schadevergoeding is toegekend, is de rechtbank, zij het niet op juiste gronden, terecht tot het oordeel gekomen dat de vreemdeling geen belang had bij de behandeling van zijn beroep.

De grief faalt.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.5. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Soest-Ahlers

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2009

513.

Verzonden: 16 juli 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak