Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ3430

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
200901303/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lisse (hierna: het college) [appellante] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleesverwerkend bedrijf op het perceel [locatie] te Lisse. Dit besluit is op 9 januari 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/740
JAF 2009/69 met annotatie van Van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/2643

Uitspraak

200901303/1/M1.

Datum uitspraak: 22 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Lisse,

en

het college van burgemeester en wethouders van Lisse,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lisse (hierna: het college) [appellante] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleesverwerkend bedrijf op het perceel [locatie] te Lisse. Dit besluit is op 9 januari 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Door [appellante] zijn nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door ing. R. Terlouw en R. Schoon, en het college, vertegenwoordigd door D.A. Baars, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepaling komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.2. [appellante] betoogt dat voorschrift C.3.1, inhoudende dat huishoudelijk afvalwater en niet-verontreinigd hemelwater niet via de zuiveringstechnische voorzieningen mogen worden geloosd, ten onrechte aan de vergunning is verbonden. Daartoe beroept [appellante] zich op het vertrouwensbeginsel en wordt door [appellante] aangevoerd dat aan dit voorschrift geen termijn is verbonden om de huidige situatie te wijzigen, dat het milieurendement van de wijziging zeer gering is, dat de met de door te voeren wijziging gepaard gaande investeringen onacceptabel hoog zijn en dat in de bestaande situatie geen negatieve gevolgen zijn opgetreden. [appellante] verzoekt om in plaats van het betreffende voorschrift de verplichting in de vergunning op te nemen om onderzoek te doen naar het afkoppelen van hemelwaterafvoeren.

2.2.1. Het college stelt dat geen toezeggingen zijn gedaan op grond waarvan [appellante] erop kon vertrouwen dat geen voorschrift met een strekking als die van voorschrift C.3.1 aan de vergunning zou worden verbonden. Het verbinden van een termijn aan betreffend voorschrift acht het college niet nodig, nu reeds ingevolge het besluit van 20 juli 1999 huishoudelijk afvalwater en niet-verontreinigd hemelwater niet via de zuiveringstechnische voorzieningen mochten worden geloosd. Het college acht de investering in relatie tot het te behalen milieurendement niet te hoog. Dat in de bestaande situatie geen negatieve gevolgen in de vorm van vetafzetting in het gemeentelijk riool zijn geconstateerd komt volgens het college juist door het spoelen van de zuiveringsvoorziening en het riool bij regenbuien. Het opnemen van een onderzoeksverplichting in plaats van betreffend voorschrift acht het college ten slotte te vrijblijvend.

2.2.2. Voor zover [appellante] een beroep doet op toezeggingen overweegt de Afdeling dat de aanvraag dient te worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer. Het honoreren van door mededelingen of toezeggingen gewekte verwachtingen kan dan ook slechts plaatsvinden voor zover daardoor geen strijd ontstaat met het in deze artikelen neergelegde beoordelingskader.

Van toezeggingen omtrent het niet aan de vergunning verbinden van een voorschrift met een strekking als die van voorschrift C.3.1 is evenwel niet gebleken.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.2.3. Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift C.3.1 mogen het afvalwater van huishoudelijke aard en niet-verontreinigd hemelwater de zuiveringstechnische voorziening(en) en eventuele controlevoorziening(en) niet doorlopen, maar moeten rechtstreeks, of via de afvoerleiding van deze voorziening(en), naar een openbaar riool worden afgevoerd.

2.2.4. Bij de beoordeling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken heeft het college rekening gehouden met het BREF-document Reference Document on Best Available Techniques in the Food, Drink and Milk Industry (hierna: BREF Voedingsmiddelen, dranken en zuivel). In paragraaf 4.5.2.2 van het BREF Voedingsmiddelen, dranken en zuivel wordt ten aanzien van vetafscheiders verwezen naar in voorbereiding zijnde Europese normen, hier te lande inmiddels vastgelegd als NEN-EN 1825-1 en -2. Volgens onderdeel 7.1 van NEN-EN 1825-2 mogen sanitair afvalwater en hemelwater niet via een vetafscheider worden geloosd.

Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verbinden van voorschrift C.3.1 aan de vergunning nodig is om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken te voorkomen, dan wel zo veel mogelijk te beperken.

Deze beroepsgrond faalt.

2.3. [appellante] betoogt dat de termijn van zes maanden na het van kracht worden van de vergunning die in voorschrift E.2 is gesteld aan het realiseren van de in voorschrift E.1 bedoelde schoorsteen te kort is. Daartoe voert [appellante] aan dat voor het realiseren van de schoorsteen een bouwvergunning is vereist waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Vanwege het risico dat de bouwvergunning wordt vernietigd zal [appellante] eerst na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning opdracht geven voor de feitelijke bouw van de schoorsteen. De tijd voor het onherroepelijk worden van de bouwvergunning opgeteld bij de tijd benodigd voor het feitelijk bouwen van de schoorsteen, die door [appellante] op minimaal 20 weken wordt ingeschat, is meer dan de in voorschift E.2 gegunde termijn. [appellante] verzoekt om de termijn van zes maanden te laten ingaan op het moment dat de voor de schoorsteen vereiste bouwvergunning onherroepelijk is geworden.

2.3.1. Het college stelt dat een termijn van zes maanden na het van kracht worden van de vergunning voldoende is voor het realiseren van de vereiste schoorsteen. Met de bouw van de schoorsteen kan worden begonnen zodra de bouwvergunning door toezending aan [appellante] in werking is getreden.

2.4. Ingevolge artikel 20.8 van de Wet milieubeheer treedt een vergunning die betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een inrichting, dat tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet niet eerder in werking dan nadat de betrokken bouwvergunning is verleend.

Hieruit volgt dat de termijn gesteld in voorschrift E.2 eerst gaat lopen nadat de voor de bouw van de schoorsteen benodigde vergunning is verleend. Ervan uitgaande dat, zoals [appellante] stelt, de termijn benodigd voor de bouw van de schoorsteen in de orde van twintig weken ligt, is de in voorschrift E.2 gestelde termijn in beginsel voldoende voor het realiseren van de vereiste voorziening.

De mogelijkheid dat de vergunning voor de bouw van de schoorsteen wordt vernietigd kan in het kader van de toetsing van het bestreden besluit geen rol spelen. Overigens is ter zitting gebleken dat de verleende bouwvergunning inmiddels onherroepelijk is geworden.

Gelet op het vorenstaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gestelde termijn toereikend is voor het realiseren van de vereiste schoorsteen.

De beroepsgrond faalt.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

Het lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

is verhinderd de uitspraak w.g. Melse

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2009

159/191-579.