Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ3429

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
200807721/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 september 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oss (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Prorail B.V. (hierna: Prorail) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een spoorwegemplacement gelegen op het perceel aan de Spoorlaan te Oss. Dit besluit is op 11 september 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/944
Module Ruimtelijke ordening 2009/2026

Uitspraak

200807721/1/M1.

Datum uitspraak: 22 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Prorail B.V., gevestigd te Utrecht,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oss,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oss (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Prorail B.V. (hierna: Prorail) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een spoorwegemplacement gelegen op het perceel aan de Spoorlaan te Oss. Dit besluit is op 11 september 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft Prorail bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2008, beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2009, waar Prorail, vertegenwoordigd door A.E.A. van den Heijkant, bijgestaan door mr. B.A. Soerel en J.W.A. Sontrop, en het college, vertegenwoordigd door J.J.A.M. Wingens en J.A. Janssen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Prorail betoogt dat het college bij het bestreden besluit ten onrechte heeft bepaald dat het ten behoeve van de vergunningaanvraag opgestelde akoestisch rapport van maart 2008 deel uitmaakt van de vergunning, ondanks het uitdrukkelijk verzoek van Prorail zulks niet te doen. De flexibiliteit van de bedrijfsvoering wordt daardoor onnodig beperkt. Dienstregelingen zijn onderhevig aan wijzigingen waardoor het kan voorkomen dat een andere trein op een ander tijdstip de in het akoestisch rapport beschreven activiteiten uitvoert. Om te voorkomen dat daardoor geluidvoorschriften worden overtreden maakt Prorail gebruik van een railbeheersysteem.

Bovendien is het niet noodzakelijk om het akoestisch rapport deel te laten uitmaken van de vergunning. De geluidniveaus op de meest belaste punten, zoals berekend in het akoestisch rapport, zijn overgenomen in de aanvraag. Aangezien ingevolge het bestreden besluit de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning, bevat de vergunning de gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van het in werking zijn van de inrichting.

Ten slotte brengt Prorail naar voren dat het beleid van het college niet consistent is, nu in het ontwerpbesluit op de aanvraag van Prorail om een vergunning voor een ander spoorwegemplacement dan het onderhavige niet is opgenomen dat het ten behoeve van die aanvraag opgestelde akoestisch rapport deel uitmaakt van de vergunning.

2.1.1. Het college stelt dat de bij het bestreden besluit gestelde geluidniveaus onder het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid liggen, waardoor het uitvoeren van geluidmetingen bij het in werking zijn van de inrichting niet goed mogelijk is. Van de zijde van het college is er in dit verband ter zitting op gewezen dat in de directe omgeving meerdere geluidgevoelige objecten, te weten woningen, gelegen zijn. Omwille van de handhaafbaarheid acht het college het noodzakelijk dat de aangevraagde representatieve bedrijfssituatie vastligt door de gehele aanvraag, inclusief het akoestisch rapport, deel te laten uitmaken van de vergunning.

Van de door het college in het vooroverleg geopperde mogelijkheden om verschillende scenario's op te nemen in het akoestisch rapport en om te variƫren in het detailniveau van de representatieve bedrijfssituatie is door Prorail geen gebruik gemaakt. Bovendien biedt artikel 8.19 van de Wet milieubeheer de mogelijkheid om veranderingen te melden, waardoor een flexibele bedrijfsvoering kan worden bereikt, aldus het college.

2.1.2. Artikel 8.11, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat in een vergunning duidelijk wordt aangegeven waarop zij betrekking heeft. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling houdt dit verband met enerzijds de rechtszekerheid voor de vergunninghouder en anderzijds de handhaafbaarheid (Kamerstukken II, 1988/89, 21 087, nr. 3, p. 74).

De tweede volzin van deze bepaling, te weten dat de aanvraag deel kan uitmaken van de vergunning, is bij wijziging van de Wet milieubeheer per 1 december 2005 geschrapt. Volgens de memorie van toelichting is het onwenselijk dat door grote delen van de aanvraag in de vergunning te incorporeren de handelingsvrijheid van bedrijven wordt beperkt en lenen veel beschrijvingen in de aanvraag zich niet om in een juridisch bindend document te worden opgenomen (Kamerstukken II, 2003/04, 29 711, nr. 3, p. 31).

2.1.3. In paragraaf 2.1 van het akoestisch rapport van maart 2008 is vermeld dat de beschreven representatieve bedrijfssituatie betrekking heeft op een modelsituatie, maar dat in de praktijk verschuivingen kunnen optreden die geen relevante invloed hebben op de totale geluidsituatie. Uit dit voorbehoud volgt dat verschuivingen ten opzichte van de in het rapport gehanteerde modelsituatie onder voorwaarden zijn toegestaan waarmee Prorail de nodige flexibiliteit in haar bedrijfsvoering kan betrachten.

Nu op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet aannemelijk is geworden dat het opnemen van het akoestisch rapport in de vergunning Prorail onnodig in haar handelingsvrijheid beperkt of dit rapport zich niet voor opname leent, ziet de Afdeling in hetgeen Prorail heeft betoogd geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het opnemen van het akoestisch rapport in de vergunning in verband met de handhaafbaarheid nodig is om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken. Voor zover van de zijde van Prorail is gewezen op haar eigen railbeheersysteem zij opgemerkt dat, nu dit systeem geen deel uitmaakt van de aanvraag, het college er bij het bestreden besluit geen rekening mee heeft kunnen houden.

Dat het college ten aanzien van een ander spoorwegemplacement niet heeft bepaald dat het akoestisch rapport deel uitmaakt van de vergunning, doet hier niet aan af, reeds omdat, zoals ter zitting is gebleken, de omstandigheden van dat geval verschillen van die van het onderhavige. Dat andere spoorwegemplacement is gelegen op een gezoneerd industrieterrein zonder woningen in de directe omgeving.

De beroepsgrond faalt.

2.2. Het beroep is ongegrond.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

Het lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen. w.g. Melse

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2009

159/191-579.