Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ3427

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
200805695/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juni 2008, kenmerk PZH-2008-456754, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Oegstgeest (hierna: de raad) bij besluit van 30 oktober 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Oudenhof en Clinckenburgh" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200805695/1/R1.

Datum uitspraak: 22 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1A en sub 1B], beiden wonend te Oegstgeest,

2. [appellant sub 2], wonend te Oegstgeest,

3. [appellante sub 3], gevestigd te Oegstgeest,

4. [appellant sub 4], wonend te Oegstgeest,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2008, kenmerk PZH-2008-456754, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Oegstgeest (hierna: de raad) bij besluit van 30 oktober 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Oudenhof en Clinckenburgh" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2008, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2008, [appellante sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2008, en [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2008, beroep ingesteld. [appellant sub 1A] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 3 september 2008, waarbij onder meer is vermeld dat het beroep mede is ingesteld door [appellant sub 1B]. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 22 september 2008. [appellant sub 4] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 29 september 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 3] en [appellanten sub 1] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 1] en [appellant sub 4] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2009, waar

[appellanten sub 1], bij monde van [appellant sub 1], bijgestaan door mr. W.J.E. van der Werf, advocaat te Den Haag, [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. H.A.M. Lamers, [appellant sub 4], in persoon en bijgestaan door mr. W.J.E. van der Werf, voornoemd, en het college, vertegenwoordigd door ing. J.J. Zuiderwijk, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door M.J. de Jongh LL.B., ambtenaar in dienst van de gemeente, [partij A] in persoon en bijgestaan door mr. L. Tielenius, advocaat te Schiphol-Rijk, en [partij B] in persoon.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. [appellant sub 1] betoogt onder meer dat op zijn perceel [locatie] de aanduiding 'voorgevellijn' ten onrechte verder van de weg is gelegd dan in het voorheen geldende plan.

2.1.1. Het beroep van [appellant sub 1] steunt op dit punt niet op een tijdig bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan tijdig bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door [appellant sub 1] gestelde omstandigheid dat hij niet in kennis is gesteld van het verleggen van de voorgevellijn, nu daartoe geen wettelijke verplichting bestaat.

2.1.2. Ter zitting hebben [appellant sub 4] en [appellant sub 1] gesteld dat hun bezwaren tegen de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" en de aanduiding 'bouwmogelijkheid max. 1 extra woning' en de aanduiding 'maximum aantal toegestane woningen 2' die betrekking hebben op de percelen [locatie A] en [locatie B], moeten worden opgevat als mede te zijn gericht tegen de goedkeuring van de bij de bestemming "Woondoeleinden (W)" behorende planvoorschriften, voor zover daarbij niet is voorzien in een maximaal bebouwingspercentage van 25 en een minimale kavelbreedte van 30 meter.

2.1.3. De beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 1] steunen op dit punt niet op bij de raad naar voren gebrachte zienswijzen, noch op bij het college ingebrachte bedenkingen.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de stadsdeelraad naar voren gebrachte zienswijze en in tegen het vastgestelde plan bij het college ingebrachte bedenkingen heeft bestreden.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze en bedenkingen naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

2.2. De beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 1] zijn niet-ontvankelijk, behoudens voor zover deze zijn gericht tegen de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" en de aanduiding 'bouwmogelijkheid max. 1 extra woning' en de aanduiding 'maximum aantal toegestane woningen 2' die betrekking hebben op de percelen [locatie A] en [locatie B].

Toetsingskader

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 1], voor zover ontvankelijk

2.4. [appellant sub 4] en [appellant sub 1] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" en de aanduiding 'bouwmogelijkheid max. 1 extra woning' en de aanduiding 'maximum aantal toegestane woningen 2' voor zover het betreft de percelen [locatie A] en [locatie B] (hierna ook: de percelen). Zij voeren daartoe aan dat hier ten onrechte de bouw van een extra woning mogelijk wordt gemaakt, hetgeen een ongewenste verdichting van de bebouwing in de wijk, een waardedaling van de omliggende woningen en een aantasting van het karakter van de wijk met zich zal brengen. Zij voeren aan dat de toegestane bouwmogelijkheid op deze percelen in strijd is met de gemeentelijke Structuurvisie Oegstgeest 2005-2020 (hierna: de structuurvisie) en dat geen redenen bestaan voor afwijking hiervan. [appellant sub 4] en [appellant sub 1] bestrijden het standpunt van de raad dat voor de desbetreffende percelen sprake is van concrete bouwplannen waarover het gemeentebestuur reeds ten tijde van de vaststelling van het plan in overleg zou zijn met de initiatiefnemers.

2.4.1. Voor de percelen is in het plan, anders dan in de directe omgeving daarvan, een bouwmogelijkheid voor een extra woning opgenomen. Ter motivering van de inpasbaarheid van een extra woning heeft het college er op gewezen dat de planvoorschriften waarborgen dat tussen een hoofdgebouw en de zijdelingse perceelsgrens een afstand van vijf meter dient te worden aangehouden, zodat de afstand tussen hoofdgebouwen op naast elkaar gelegen percelen minimaal tien meter bedraagt. Hiermee wordt aangesloten op het ruim opgezette karakter van de wijk, aldus het college. Het college acht daarbij van belang dat splitsing van de percelen niet leidt tot een toename van de bouwmassa. De raad heeft op 30 oktober 2007 een toelichting op de structuurvisie vastgesteld om een te enge interpretatie van de structuurvisie te voorkomen. Blijkens het bestreden besluit heeft het college met deze toelichting ingestemd.

2.4.2. In de structuurvisie staat dat dit document een kader biedt voor de toekomstige ontwikkelingen van Oegstgeest en dat de visie geen volledig uitgewerkt plan, maar een sturingskader op hoofdlijnen is. In de structuurvisie zijn de belangrijkste ontwikkelingen per deelgebied weergegeven, waarbij de extra bouwmogelijkheden op de percelen niet zijn genoemd. Volgens de structuurvisie zijn inbreidingslocaties plaatsen waar zich geen bebouwing bevindt en waar mogelijk plannen voor bebouwing worden ontwikkeld. Herstructureringslocaties zijn gedefinieerd als plaatsen waar zich bebouwing bevindt en waar mogelijk nieuwe bebouwing wordt ontwikkeld onder voorwaarden.

In de toelichting bij de structuurvisie staat dat herstructurering betekent: hervorming van de fysieke structuur van de locatie met zijn bestaande bebouwing. Hervorming betekent het anders inrichten, veranderen en verbeteren, wat een andere bestemming van de locatie met zich kan brengen. Daarnaast vermeldt de toelichting dat de opsomming van de belangrijkste ontwikkelingen per deelgebied geen limitatieve opsomming is en dat er dus meer potentiële herstructureringslocaties kunnen bestaan die ten tijde van de vaststelling van de structuurvisie niet als zodanig zijn herkend of benoemd. Het uitgangspunt bij de structuurvisie is geen inbreiding.

2.4.2.1. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de mogelijkheid tot het bouwen van extra woningen op de percelen moet worden gezien als herstructurering, nu het reeds bebouwde percelen betreft. Gelet hierop en nu uit de structuurvisie en de toelichting daarop volgt dat, anders dan [appellant sub 4] en [appellant sub 1] betogen, geen uitputtende opsomming van herstructureringslocaties bestaat, geeft hetgeen zij hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de percelen niet in redelijkheid kunnen worden aangemerkt als herstructureringslocaties.

2.4.3. Voor het bouwen op herstructureringslocaties gelden volgens de structuurvisie de volgende voorwaarden:

1. De bouw dient het karakter van de omgeving intact te laten;

2. De hoogte van de herstructureringsbebouwing zowel als de verhouding tussen bebouwd en onbebouwd oppervlak is in beginsel gelijk [aan] of lager dan de bebouwing in de omgeving;

3. De functie van de voorgestelde herstructureringsbebouwing is passend bij de omgeving;

4. De herstructureringsbebouwing levert een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering in de directe omgeving.

2.4.3.1. Niet in geschil is dat met het toekennen van de extra bouwmogelijkheden voor een woning voldaan wordt aan de voorwaarde dat de functie van de voorgestelde herstructureringsbebouwing past bij de omgeving.

De Afdeling stelt vast dat voor het bouwen van hoofdgebouwen op gronden met de bestemming "Woondoeleinden (W)" en de nadere aanwijzing 'vrijstaand' geldt dat, afgezien van een aan te houden afstand tot de zijdelingse perceelsgrens van vijf meter, de plandelen de mogelijkheid bieden om deze gronden te bebouwen ten behoeve van een hoofdgebouw.

Gelet op de voor hoofdgebouwen aan te houden afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen maken de plandelen op de percelen weliswaar twee woningen mogelijk binnen de bestemming "Woondoeleinden (W)" met de aanduiding 'bouwmogelijkheid max. 1 extra woning', maar dienen de hoofdgebouwen op een afstand van minimaal tien meter van elkaar te worden gebouwd in het geval dat de percelen ten behoeve van een extra woning worden gesplitst. Indien de percelen niet worden gesplitst ten behoeve van de bouw van een extra woning is daarop weliswaar slechts één woning toegestaan, maar mag het hoofdgebouw wel worden gebouwd op de gronden die bij splitsing niet mogen worden bebouwd met een hoofdgebouw. Het opnemen van de aanduiding 'bouwmogelijkheid max. 1 extra woning' leidt dan ook niet tot het toestaan van meer bouwmassa dan het geval zou zijn geweest zonder die aanduiding. De mogelijkheid dat in de wijk een verdichting van de bebouwing optreedt, is daarom in zoverre geen gevolg van de mogelijkheid om op de percelen een tweede woning te realiseren. Voorts bedraagt de maximale bouwhoogte op de percelen zeven meter, waarmee deze gelijk is aan of lager is dan is toegestaan in de directe omgeving van de [locatie A] en [locatie B]. Gebleken is dat met het bouwen van de woningen aan de [locatie A] en [locatie B] is beoogd een kwaliteitsverbetering te realiseren ten opzichte van de daar thans aanwezige en verouderde bebouwing.

Gelet op het voorgaande is het standpunt van het college juist dat in de directe omgeving van de [locatie A] en [locatie B] op een te splitsen perceel minder bouwmassa mogelijk is dan op andere percelen. Nu hoofdgebouwen op de [locatie A] en [locatie B] daarnaast vrijstaand dienen te worden gerealiseerd, hetgeen eveneens geldt voor de woningen in de directe omgeving van de [locatie A] en [locatie B], geeft hetgeen [appellant sub 4] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de extra bouwmogelijkheid op de percelen niet leidt tot een aantasting van het specifieke karakter van de wijk. Gelet op de met de bouw van de woningen beoogde kwaliteitsverbetering geeft het aangevoerde ook op dit punt geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de structuurvisie niet in de weg staat aan de bouw van een tweede woning op de percelen zoals het plan dat mogelijk maakt.

Nu geen sprake is van strijd met de structuurvisie is niet van belang in hoeverre eventuele gewekte verwachtingen bij [partij B] en [partij A], de eigenaren van onderscheidenlijk de percelen [locatie A] en [locatie B], aanleiding hadden kunnen geven voor afwijking van de structuurvisie.

2.4.4. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen nabij de percelen [locatie A] en [locatie B] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die zijn gediend met het mogelijk maken van een tweede woning op deze percelen.

2.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" en de aanduiding 'bouwmogelijkheid max. 1 extra woning' en de aanduiding 'maximum aantal toegestane woningen 2' die betrekking hebben op de [locatie A] en [locatie B] niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 1] zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.6. [appellant sub 2] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Garages en bergplaatsen (G)", "Verkeersdoeleinden (V)" en "Tuinen (T)" die betrekking hebben op de meest oostelijke van zijn twee garageboxen aan de [laan] en de daarvoor gelegen gronden en op de uitbouw bij zijn woning.

Daartoe voert hij aan dat de gronden voor zijn meest oostelijke garagebox in overeenstemming met het voorheen geldende bestemmingsplan zijn ingericht als tuin. [appellant sub 2] betoogt daarnaast dat niet is gemotiveerd waarom het in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening om de uitbouw te legaliseren. Evenmin is volgens hem gemotiveerd waarom het gebruik van zijn meest oostelijke garagebox als hobbyruimte in ruimtelijk opzicht ongewenst wordt geacht.

2.6.1. Ter zitting heeft [appellant sub 2] aan de hand van fotomateriaal aangetoond dat de gronden met de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" voor de meest oostelijke garagebox van [appellant sub 2] zijn ingericht als tuin. Tussen partijen is niet in geschil dat het gebruik van deze gronden als tuin in overeenstemming is met het voorheen geldende bestemmingsplan.

Gelet hierop moet het gebruik door [appellant sub 2] van de gronden voor zijn meest oostelijke garagebox als tuin worden aangemerkt als bestaand legaal gebruik, dat in beginsel dienovereenkomstig dient te worden bestemd.

Niet is gebleken dat de raad of het college zich voorafgaand aan de vaststelling van het plan en het besluit omtrent goedkeuring daarvan hebben vergewist van deze situatie. De besluitvorming over de bestemming van de gronden van [appellant sub 2] voor zijn meest oostelijke garagebox is dan ook onzorgvuldig geweest.

2.6.2. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant sub 2] in 2001 op gronden met de bestemming "Tuinen (T)" in strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan een uitbouw van zijn woning heeft opgericht. Evenmin is in geschil dat [appellant sub 2] zijn meest oostelijke garagebox in strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan gebruikt als hobbyruimte.

2.6.2.1. Ter zitting heeft de raad verklaard dat niet erg voortvarend is gehandeld bij het handhavend optreden tegen het mogelijk illegaal gebruik en dat, voor zover hiervan sprake is, nader zal moeten worden bekeken of handhavend optreden nog tot de reële mogelijkheden behoort. Het college heeft verklaard zich te kunnen verenigen met dit standpunt van de raad. Voor zover derhalve sprake is van gebruik dat niet als zodanig is bestemd, is onvoldoende duidelijk of dit binnen de planperiode zal worden beëindigd. Voorts hebben de raad noch het college naar voren gebracht waarom het gebruik door [appellant sub 2] van zijn garagebox als hobbyruimte en de door hem gerealiseerde uitbouw in ruimtelijk opzicht niet wenselijk zou zijn.

Gelet hierop is de besluitvorming over de aan de hier besproken gronden van [appellant sub 2] toe te kennen bestemmingen eveneens onzorgvuldig geweest.

2.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat de plandelen met de bestemmingen "Verkeersdoeleinden (V)", "Garages en bergplaatsen (G)" en "Tuinen (T)" die betrekking hebben op zijn meest oostelijke garagebox en de daarvoor gelegen gronden en op de uitbouw bij zijn woning, zijn vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door deze plandelen niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Aanleiding bestaat om goedkeuring te onthouden aan voormelde plandelen, die zijn weergegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1.

Het beroep van [appellante sub 3]

2.8. [appellante sub 3] voert aan dat het college heeft nagelaten het plandeel dat betrekking heeft op een deel van het perceel [locatie C] met de bestemming "Tuinen (T)" rood te omlijnen en op die manier daaraan goedkeuring te onthouden, hoewel het college haar bedenkingen op dit punt gegrond heeft verklaard.

2.8.1. Het college heeft in zijn verweerschrift erkend dat onbedoeld het deel van het perceel van [appellante sub 3] waarvoor een bouwvergunning is verleend niet rood is omlijnd op de plankaart.

2.8.2. In het dictum van het bestreden besluit, voor zover thans van belang, is bepaald dat goedkeuring aan het plan wordt onthouden wat betreft de rood omlijnde delen van de plankaart. Het college heeft het in geding zijnde plandeel op de plankaart per abuis niet voorzien van een rode omlijning. De overwegingen van het besluit strekken evenwel tot het gegrond verklaren van de bedenkingen van [appellante sub 3] op dit punt. De Afdeling is van oordeel dat het dictum van het besluit, als beslissend deel van het besluit, bij de vaststelling van de bedoeling van het college in een geval als dit vanuit een oogpunt van rechtszekerheid doorslaggevend dient te zijn. Aan het in geding zijnde plandeel is derhalve onbedoeld goedkeuring verleend, terwijl de overwegingen van het besluit strekken tot de conclusie dat aan het plandeel goedkeuring zal worden onthouden. Het bestreden besluit is in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen.

2.8.3. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Tuinen (T)" dat betrekking heeft op gronden aan het [locatie C], zoals weergegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 2. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

In dit geval bestaat aanleiding om goedkeuring te onthouden aan voornoemd plandeel.

Proceskosten

2.9. Het college dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het beroep van [appellante sub 3] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Wat betreft het beroep van [appellant sub 4] en [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

In het sedert 1 juli 2009 geldende vierde lid van artikel 1:1 van de Awb is bepaald dat de vermogensrechtelijke rechtsgevolgen van een handeling van een bestuursorgaan de rechtspersoon treffen waartoe het bestuursorgaan behoort. Tegelijk is het derde lid van artikel 8:75 van de Awb komen te vervallen. In verband hiermee is het niet meer nodig dat de Afdeling in geval zij het bestuursorgaan in de kosten veroordeelt, de rechtspersoon aanwijst die de kosten moet vergoeden. Welke rechtspersoon daartoe is gehouden, volgt thans rechtstreeks uit de wet.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 4] niet-ontvankelijk, behoudens voor zover deze zijn gericht tegen de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" en de aanduiding 'bouwmogelijkheid max. 1 extra woning' en de aanduiding 'maximum aantal toegestane woningen 2' die betrekking hebben op de percelen [locatie A] en [locatie B];

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 3] gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 17 juni 2008, kenmerk PZH-2008-456754, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

a. de plandelen met de bestemmingen "Verkeersdoeleinden (V)", "Garages en bergplaatsen (G)" en "Tuinen (T)" die betrekking hebben op gronden van [appellant sub 2], zoals weergegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

b. het plandeel met de bestemming "Tuinen (T)" dat betrekking heeft op gronden aan het Jaagpad 3, zoals weergegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 2;

IV. onthoudt goedkeuring aan de onder III.a en II.b bedoelde plandelen;

V. bepaalt dat deze uitspraak wat betreft het onder IV. gestelde in de plaats treedt van het besluit van 17 juni 2008;

VI. verklaart de beroepen van[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 4], voor zover ontvankelijk, ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan [appellant sub 2] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 3] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellant sub 2] en € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 3] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Kegge

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2009

371-459-528.