Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ3424

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
200808896/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 augustus 2006 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum (hierna: het dagelijks bestuur) aan de Dienst Binnenwaterbeheer Amsterdam onder ongegrondverklaring van de tegen het ongedateerde ontwerpbesluit namens [appellanten] ingediende zienswijzen vrijstelling verleend voor het vergroten van de ligplaats voor een woonboot, gelegen in de Prinsengracht ter hoogte van nummer […] te Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200808896/1/H3.

Datum uitspraak: 22 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2008 in zaak nr. 06/4977 in het geding tussen:

appellanten

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2006 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum (hierna: het dagelijks bestuur) aan de Dienst Binnenwaterbeheer Amsterdam onder ongegrondverklaring van de tegen het ongedateerde ontwerpbesluit namens [appellanten] ingediende zienswijzen vrijstelling verleend voor het vergroten van de ligplaats voor een woonboot, gelegen in de Prinsengracht ter hoogte van nummer […] te Amsterdam.

Bij uitspraak van 31 oktober 2008, verzonden op 5 november 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2008, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2009, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [twee van de appellanten], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. H.D. Hosper, werkzaam bij het stadsdeel Centrum, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbenden]), vertegenwoordigd door mr. M.G.J. Maas-Cooymans, advocaat te Rotterdam, en de Dienst Binnenwaterbeheer Amsterdam, vertegenwoordigd door mr. M.J. Drijftholt, werkzaam bij de Dienst Binnenwaterbeheer Amsterdam, als belanghebbenden gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [belanghebbende] heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat [appellant a] geen machtiging heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij gerechtigd is mede namens de anderen hoger beroep in te stellen.

De Afdeling heeft echter bij brief van 5 januari 2009 machtigingen ontvangen van [twee appellanten], waaruit blijkt dat zij [appellant a] machtigen namens hen op te treden in onderhavige zaak.

Voor zover [appellant a] heeft beoogd ook hoger beroep in te stellen namens [16 appellanten], heeft hij de gestelde vertegenwoordiging niet binnen de door de Afdeling gestelde termijn aangetoond. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Het hoger beroep voor zover ingediend namens [16 appellanten] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dat gold ten tijde van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid van dit artikel wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of een intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.3. Het voorgenomen gebruik is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Jordaan 1999". Ten einde dat gebruik mogelijk te maken, heeft het dagelijks bestuur toepassing gegeven aan de bevoegdheid vrijstelling te verlenen ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Het dagelijks bestuur heeft als ruimtelijke onderbouwing gegeven dat de oppervlakte van het schip de Musard past binnen de van toepassing zijnde Richtlijnen bij vervanging van woonboten uit 1996 (hierna: de Richtlijnen), die op hun beurt passen binnen de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht. De Musard is een authentiek schip dat past in het als beschermd stadsgezicht aangewezen gebied. In verband met de vervangingsvergunning voor de Musard is een positief welstandsadvies afgegeven. Voorts is de verkeerssituatie bezien en is geconcludeerd dat de verkeersveiligheid niet nadelig zal worden beïnvloed. Ten slotte is de "Visie op het water van de binnenstad" (hierna: de Visie) betrokken bij de beoordeling.

2.4. [appellant a], [twee appellanten (hierna: [appellanten]) hebben aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur de vrijstelling heeft kunnen verlenen. Zij hebben, samengevat weergegeven, aangevoerd dat een goede ruimtelijke onderbouwing ontbreekt en dat de vrijstelling in strijd is met de Visie. Voorts heeft geen evenwichtige belangenafweging plaatsgevonden en zijn alternatieve ligplaatsen voorhanden, aldus [appellanten].

2.4.1. Bij de vraag of het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing komt het bestuursorgaan beoordelingsruimte toe, nu daarbij inzichten van politieke en bestuurlijke aard een wezenlijke rol speelt. De rechtbank heeft de vraag of de vrijstelling is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing dan ook terecht enigszins terughoudend getoetst. De rechtbank heeft eveneens met juistheid overwogen dat naarmate de inbreuk op de bestaande planologische situatie geringer is, minder zware eisen behoeven te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing. De vrijstelling maakt het mogelijk dat het ligplaatsoppervlak wordt vergroot van 4 bij 10 meter naar 4,55 bij 28,5 meter. De Afdeling is van oordeel dat, gelet op het feit dat in vrijwel het gehele betreffende gedeelte van de gracht woonboten zijn toegestaan en dat het zicht op die woonboten voor een deel wordt onttrokken door de aan weerszijden van de gracht geparkeerde auto's, die vergroting geen grote inbreuk op de bestaande planologische situatie met zich brengt en dat derhalve aan de onderbouwing minder zware eisen hoeven te worden gesteld. In de Visie staat dat het dagelijks bestuur de beleving van het water wil bevorderen en dat het de huidige locaties van de ligplaatsen in grote lijnen wil handhaven. Daarbij is het streven dat de ligplaatsen passen in de ruimtelijke structuur van het water en de omgeving en de doorvaart niet mogen belemmeren. Op de door het dagelijks bestuur overgelegde bij de Visie behorende kaart is ter hoogte van Prinsengracht 278 een ligplaats ingetekend waar de vrijstelling binnen valt. Deze ligplaats bevindt zich meer dan 10 meter vanaf de dichtstbijgelegen brug, zodat niet behoeft te worden gevreesd dat de verkeerssituatie ter plaatse dan wel de doorvaart zal worden belemmerd. Zoals de Afdeling bij uitspraak van heden in zaak nr. 200808964/1 heeft geoordeeld, heeft het dagelijks bestuur de vergunning om de "Westerduin" te vervangen door het authentieke Franse schip de "Lieve" thans "Musard" geheten, met toepassing van de Richtlijnen kunnen verlenen. Gelet hierop heeft de rechtbank in het door [appellanten] aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de vrijstelling niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken dat het dagelijks bestuur de belangen van [appellanten] onvoldoende heeft meegewogen bij de besluitvorming, nu het heeft overwogen dat het water door de aanwezigheid van de "Musard" niet méér aan het zicht wordt onttrokken dan door een andere woonboot en dat het vrije zicht vooral wordt ontnomen door geparkeerde auto's op de grachten. Aan het feit dat de "Musard" inmiddels is verkocht, behoefde het dagelijks bestuur geen doorslaggevend belang toe te kennen bij de besluitvorming, reeds omdat de verkoop heeft plaatsgevonden nadat het besluit op bezwaar is genomen. Het dagelijks bestuur is bij het nemen van een besluit als het onderhavige gehouden op de aanvraag te beslissen zoals deze is ingediend. Als een dergelijk verzoek op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Een dergelijke situatie doet zich in dit geval niet voor. De door [appellanten] genoemde alternatieve ligplaatsen bevinden zich óf niet in dezelfde stedelijke omgeving, óf zijn niet beschikbaar omdat ze zijn gereserveerd voor de verplaatsing van woonboten ten gevolge van de uitbreiding van Artis, óf stuiten op nautische bezwaren.

Gelet op al het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het dagelijks bestuur bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten de gevraagde vrijstelling te verlenen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep voor zover ingediend namens [16 appellanten] niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2009

290.