Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ3399

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
200807421/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel (hierna: het college) aan Stichting Dorpscentrum De Balstien te Noardburgum vergunning verleend voor het uitoefenen van het horecabedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2009/893

Uitspraak

200807421/1/H3.

Datum uitspraak: 22 juli 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de afdeling Midden Friesland van het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland, gevestigd te Menaldumadeel,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 4 september 2008 in zaak nr. 07/2325 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel (hierna: het college) aan Stichting Dorpscentrum De Balstien te Noardburgum vergunning verleend voor het uitoefenen van het horecabedrijf.

Bij brief van 21 juni 2007 heeft appellante (hierna: KHN) daartegen bezwaar gemaakt en het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep op de administratieve rechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Het college heeft ingestemd met dat verzoek en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden naar de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank).

Bij uitspraak van 4 september 2008, verzonden op 5 september 2008, heeft de rechtbank het door KHN ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft KHN bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

KHN heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 mei 2009, waar KHN, vertegenwoordigd door mr. H.M.E. Tuijnman, medewerker van het Bureau Eerlijke Mededinging, en het college, vertegenwoordigd door H.O. Hoekstra, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet (hierna: de DHW) is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, verbinden burgemeester en wethouders aan een vergunning, die krachtens artikel 3 aan een rechtspersoon, niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt, wordt verleend een of meer voorschriften of beperkingen die, gelet op de plaatselijke of regionale omstandigheden, nodig zijn ter voorkoming van mededinging door het verstrekken van alcoholhoudende drank, die uit een oogpunt van ordelijk economisch verkeer als onwenselijk moet worden beschouwd.

Ingevolge het tweede lid kunnen de in het eerste lid bedoelde voorschriften of beperkingen op geen andere onderwerpen betrekking hebben dan:

a. in de inrichting te houden bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen;

b. het openlijk aanprijzen van de mogelijkheid tot het houden van bijeenkomsten als bedoeld onder a;

c. de tijden gedurende welke in de betrokken inrichting alcoholhoudende drank wordt verstrekt.

2.2. De verleende vergunning betreft de activiteiten in het dorpshuis van Noardburgum.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat het in alle gevallen hanteren van eenzelfde afstandscriterium, als betoogd door KHN, zich niet met het voorschrift in artikel 4, eerste lid, van de DHW dat bij het aan een vergunning verbinden van voorschriften of beperkingen de plaatselijke of regionale omstandigheden in aanmerking dienen te worden genomen verdraagt en in het door KHN aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat het college het onderzoek naar de vraag of het nodig is aan de verleende vergunningen voorschriften of beperkingen te verbinden, niet in redelijkheid heeft kunnen beperken tot Noardburgum.

2.4. KHN voert aan dat de rechtbank aldus heeft miskend dat bij het in aanmerking nemen van de plaatselijke of regionale omstandigheden, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de DHW, naar uit de geschiedenis van de totstandkoming van de wet en de vaste jurisprudentie valt af te leiden, acht moet worden geslagen op het aantal reguliere horecaondernemers binnen een straal van 10 tot 15 kilometer rond de betrokken paracommerciële inrichting, hetgeen het college - naar niet in geschil is - niet heeft gedaan.

2.4.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4, eerste lid, van de DHW valt af te leiden dat de omstandigheden, waarop in deze bepaling wordt gedoeld, in het bijzonder betrekking hebben op het aantal in de omgeving van de desbetreffende instelling aanwezige reguliere horecaondernemingen en de mate waarin deze aan de bestaande vraag naar horecadiensten kunnen voldoen (Kamerstukken II 1988/89, 21 128, nr. 3, blz. 7). Uit die geschiedenis valt geen in aanmerking te nemen afstandscriterium af te leiden. In de uitspraak van 4 juli 2007 in zaak nr. 200609363/1, waar KHN naar verwijst, heeft de Afdeling overwogen dat niet kon worden geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal niet in redelijkheid tot het in aanmerking nemen van een straal van 10 tot 15 kilometer, waarbinnen voldoende reguliere horeca aanwezig moet zijn, heeft kunnen besluiten en geen zodanig bijzondere omstandigheden waren gesteld, dat dat college in dat geval niet onverkort aan die afstand heeft mogen vasthouden. Hierin, noch in de andere door KHN aangehaalde rechterlijke uitspraken, is voldoende steun te vinden voor het oordeel dat bij het in aanmerking nemen van plaatselijke of regionale omstandigheden in alle gevallen een straal van 10 tot 15 km gebruikt moet worden. Het betoog faalt.

2.4.2. Het college heeft gemotiveerd uiteengezet, waarom het zijn onderzoek heeft beperkt tot Noardburgum. Het heeft deze beperking volgens het besluit van 22 mei 2007 aangebracht, omdat de tot de gemeente behorende dorpen op zichzelf gerichte kernen zijn die verspreid liggen met een aanzienlijke onderlinge afstand. Voorts heeft het in aanmerking genomen dat in het dorpshuis slechts een klein aantal bijeenkomsten van persoonlijke aard worden gehouden, dat het dorpshuis niet over adequate accommodatie voor bruiloften beschikt en dat in het dorp één regulier horecabedrijf aanwezig is dat over een zaal voor grote gezelschappen beschikt. Op basis van de uit de besluitvormingsprocedure verkregen gegevens heeft het college zich op het standpunt gesteld dat deze plaatselijke omstandigheden niet zodanig zijn, dat het nodig is beperkende voorschriften ten aanzien van het houden van bijeenkomsten van persoonlijke aard in het dorpshuis aan de vergunning te verbinden ter voorkoming van mededinging die uit een oogpunt van ordelijk economisch verkeer als onwenselijk moet worden beschouwd, zolang de omvang en frequentie van de activiteiten van persoonlijke aard beperkt blijven. De rechtbank heeft terecht door KHN niet aannemelijk gemaakt geacht dat zich in het door het college in aanmerking genomen gebied zaal- en feestruimtes bevinden, waarvan de belangen bij de besluitvorming niet in aanmerking zijn genomen. Evenzeer terecht heeft zij door KHN niet aannemelijk gemaakt geacht dat het college is uitgegaan van onjuiste gegevens over aard, omvang en frequentie van de in het dorpshuis van Noardburgum te houden bijeenkomsten van persoonlijke aard en met juistheid overwogen dat het college voldoende heeft onderzocht of de reguliere horecaondernemers in Noardburgum reële dreiging ondervinden van de concurrentie van het dorpshuis en het college geen aanleiding hoefde te vinden om ter voorkoming van onwenselijke mededinging aan de vergunning voorschriften of beperkingen te verbinden.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2009.

413.