Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ3396

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
200805307/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 mei 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A.M.H.A. Beheer B.V. (hierna: A.M.H.A.) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting voor het accepteren, opbulken, sorteren en afvoeren van asbesthoudende bouw- en sloopafvalstoffen aan de Buitenhaven O.Z. 12 te Almelo. Dit besluit is op 28 mei 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2009/18 met annotatie van D. van der Meijden
JAF 2009/68 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805307/1/M1.

Datum uitspraak: 22 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu, gevestigd te Hengelo,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A.M.H.A. Beheer B.V. (hierna: A.M.H.A.) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting voor het accepteren, opbulken, sorteren en afvoeren van asbesthoudende bouw- en sloopafvalstoffen aan de Buitenhaven O.Z. 12 te Almelo. Dit besluit is op 28 mei 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft de stichting Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu (hierna: Stichting ROM) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 7 augustus 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R. Orie en ing. J.C. Broshuis, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De inrichting van A.M.H.A. is een afvalverwerkingsbedrijf dat gespecialiseerd is in de reiniging van asbesthoudende grond- en puinstromen. Voor de inrichting is op 21 oktober 2003 een oprichtingsvergunning verleend. De inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein. De bij het bestreden besluit vergunde veranderingen bestaan uit de acceptatie en reiniging van niet met astbest verontreinigd bouw - en sloopafval, het plaatsen van een puinbreker en het gedurende 25 dagen per jaar verwerken van afvalstoffen met een mobiele zeefinstallatie. De vergunde capaciteit van de inrichting blijft hetzelfde. De activiteiten vinden inpandig plaats.

2.2. Voor de inrichting is eerder bij besluit van 30 maart 2007 krachtens de Wet milieubeheer een veranderingsvergunning verleend. Dit besluit is door de Afdeling bij uitspraak van 12 december 2007 in zaak nr. 200703122/1 vernietigd naar aanleiding van een beroep van onder meer de Stichting ROM die als belanghebbende bij het besluit van 30 maart 2007 is aangemerkt. Aan dit besluit lag dezelfde aanvraag ten grondslag. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de Stichting ROM een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft en dat zij in zoverre als belanghebbende moet worden aangemerkt.

2.3. Volgens het college heeft de Stichting ROM geen zienswijzen naar voren gebracht over het niet voldoen aan de minimumstandaard van het LAP en het niet eisen van financiële zekerheidsstelling.

2.3.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.3.2. De Stichting ROM heeft geen zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot het doelmatig beheer van afvalstoffen. Nu niet is gebleken dat redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hierover geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.

2.3.3. De beroepsgrond dat ten onrechte geen financiële zekerheid is geëist ziet niet op een besluitonderdeel en kan dus ook eerst in beroep worden aangevoerd.

2.4. De Stichting ROM voert aan dat het toetsingsadvies van de zonebeheerder en de oprichtingsvergunning van 21 oktober 2003 ten onrechte niet ter inzage zijn gelegd.

2.4.1. Het college voert aan dat de oprichtingsvergunning van 21 oktober 2003 niet ter inzage heeft gelegen bij het ontwerpbesluit van 5 februari 2007, maar dat dit bij de terinzagelegging van het ontwerpbesluit van 22 januari 2008 is hersteld en dat geen nieuw toetsingsadvies is gevraagd, zodat dit ook niet ter inzage gelegd kon worden.

2.4.2. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat de oprichtingsvergunning van 21 oktober 2003 weliswaar niet ter inzage heeft gelegen bij het ontwerpbesluit van 5 februari 2007, maar dat dit bij de terinzagelegging van het ontwerpbesluit van 22 januari 2008 is hersteld. Uit het bestreden besluit blijkt dat geen toetsing heeft plaatsgevonden of het aangevraagde geluidniveau acceptabel is op de zonebewakingspunten bij de zonebeheerder, omdat hetgeen is aangevraagd niet leidt tot een verhoging van de totale vergunde geluidemissie. Deze grond mist feitelijke grondslag.

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.6. De Stichting ROM voert aan dat het gaat om verandering van een inrichting gelegen op een gezoneerd industrieterrein met een vanuit milieuoogpunt overbelaste situatie en dat dientengevolge aan de inrichting niet meer of andere activiteiten kunnen worden vergund. De Stichting ROM voert voorts aan dat de geluidnormen niet toereikend zijn en dat niet wordt voldaan aan de beste beschikbare technieken. De Stichting ROM voert ten slotte aan dat niet is onderzocht of aan de geluidnormen kan worden voldaan.

2.6.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 2.1.1 van de oprichtingsvergunning van 21 oktober 2003 mogen op de in figuur 3-1 van het Akoestisch rapport AMHA Asbest v.o.f. Akoestisch onderzoek in het kader van de Wet milieubeheer, rapportnummer 02-123-02 d.d. 17 oktober 2002 van het Akoestisch buro Tideman te Enschede aangegeven immissiepunten de in dit voorschrift genoemde waarden van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (Lar,lt) vanwege het in werking zijn van de inrichting niet worden overschreden.

Ingevolge vergunningvoorschrift 2.1.2 van de vergunning van 21 oktober 2003 mogen op de in figuur 3-1 van het Akoestisch rapport AMHA Asbest v.o.f. Akoestisch onderzoek in het kader van de Wet milieubeheer, rapportnummer 02-123-02 d.d. 17 oktober 2002 van Akoestisch buro Tideman te Enschede aangegeven immissiepunten de maximale geluidniveaus de daarbij vermelde waarden niet overschrijden.

Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder heeft het college daarnaast in paragraaf 2.2 van de vergunningvoorschriften van de vergunning van 21 oktober 2003 maatregelen en voorzieningen voorgeschreven.

2.6.2. Uit de oprichtingsvergunning vloeit voort dat het materieel en de vrachtwagens wat capaciteit en geluidreducerend vermogen betreft aan de huidige stand der techniek voldoen en dat de gevels uit thermisch geïsoleerde gevels bestaan. Er is geen reden gebleken om te betwijfelen dat een en ander nog onverkort het geval is. Het aanbrengen van aanvullende geluidreducerende maatregelen is erg kostbaar en daardoor niet doelmatig en effectief (blz. 9 van de overwegingen bij de oprichtingsvergunning). Volgens het deskundigenbericht (blz. 14) vinden alle activiteiten inpandig plaats, hetgeen is aan te merken als een doelmatige techniek bij de bron waarmee de geluidemissie kan worden beperkt. De Stichting ROM heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat het deskundigenbericht op dit punt onjuist is.

2.6.3. Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan voortvloeit uit de artikelen 40, 44, tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 54, 65 of 66 van de Wet geluidhinder.

2.6.4. De inrichting ligt op het gezoneerde industrieterrein 'Buitenhaven' te Almelo. Om dit terrein is krachtens de Wet geluidhinder een geluidzone vastgesteld waarbuiten de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag deze grenswaarde in acht. Voor woningen binnen de zone bedraagt de maximaal toelaatbare geluidwaarde in de onderhavige situatie 55 dB(A). Volgens het deskundigenbericht (blz. 9) kan niet worden gesproken van een situatie waarin er als gevolg van de geluidbelasting vanwege het gehele industrieterrein een overschrijding plaatsvindt van de wettelijke grenswaarden op de zonegrens. De Afdeling ziet geen aanleiding het deskundigenbericht op dit punt onjuist te achten. Zoals terecht in het deskundigenbericht is opgemerkt zien de streefwaarden van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening niet op een situatie, waarin de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein.

2.6.5. De door A.M.H.A. en de door het wegverkeer van en naar de inrichting te veroorzaken geluidniveaus in de omgeving zijn vermeld in de bij de aanvraag behorende rapportage van een akoestisch onderzoek (Akoestisch rapport AMHA Asbest v.o.f. Akoestisch onderzoek in het kader van de Wet milieubeheer, rapportnummer 02-123-02 van 17 oktober 2002 van Akoestisch buro Tideman te Enschede), waarin ook de resultaten van geluidmetingen uitgevoerd op het terrein van de inrichtingen, een inschatting van het heersende geluidniveau in de hal en berekeningen op een aantal referentiepunten en zonebewakingspunten zijn opgenomen. Uit de oprichtingsvergunning van 21 oktober 2003 blijkt (blz. 9 van de overwegingen bij deze vergunning) dat door de zonebeheerder een zonetoets is uitgevoerd, op basis waarvan is geconcludeerd dat de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus ten gevolge van de inrichting niet conflicteren met de geluidzonering respectievelijk de MTG-punten. Uit het akoestisch rapport Controlemeting geluidemissie, nummer 05.157.01, van 2 december 2005 van Akoestisch buro Tideman te Enschede (blz. 2) blijkt dat de inschatting van het geluidniveau in de hal in het rapport van 17 oktober 2002 te hoog was, in plaats van de toen geprognosticeerde 85 dB(A), is 76,9 dB(A) gemeten. In de aanvraag voor het thans bestreden besluit is vermeld (blz. 27) dat de nieuwe installatie vergelijkbaar is met de opgestelde machine, zodat het geluidniveau maximaal zal verdubbelen en daarmee zal toenemen tot 80 dB(A). Volgens het deskundigenbericht (blz. 11) is het aannemelijk dat aan de geluidgrenswaarden uit de oprichtingsvergunning kan worden voldaan, zodat kan worden aangenomen dat de bijdrage op de zonegrens niet significant zal wijzigen en de wettelijke grenswaarden in acht genomen worden. De Afdeling ziet geen steekhoudende argumenten voor het oordeel dat het deskundigenbericht op dit punt onjuist is en verenigt zich daarmee.

2.6.6. Mede gezien hetgeen hieromtrent in het deskundigenbericht is gesteld, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergunningvoorschriften 2.1.1 tot en met 2.2.7 van de oprichtingsvergunning toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken.

2.6.7. Volgens het deskundigenbericht (blz. 14) blijkt uit het rapport van 17 oktober 2002 voldoende duidelijk welke bronnen relevant zijn en wat de bronniveaus en de bedrijfsduur zijn. De meting geeft een voldoende indruk van het bestaande bedrijfsniveau. De akoestische gegevens bij de aanvraag en de beoordeling in de considerans zijn volledig en gebaseerd op de juiste uitgangspunten (blz. 15). Volgens het deskundigenbericht (blz. 13) is er geen aanleiding om te veronderstellen dat de grenswaarden niet kunnen worden nageleefd. De Afdeling is niet gebleken van feiten of omstandigheden om daarover anders te oordelen.

2.6.8. Ten aanzien van de stelling van de Stichting ROM dat ten onrechte geen rekening is gehouden met cumulatie van piekgeluiden, overweegt de Afdeling dat de Handleiding meten en rekenen industrielawaai niet voorziet in een beoordeling van die cumulatie.

Ten aanzien van de stelling van de Stichting ROM dat ten onrechte geen rekening is gehouden met cumulatie met de geluidbelasting van gezoneerde wegen en een ander gezoneerd industrieterrein overweegt de Afdeling dat artikel 110f van de Wet geluidhinder er niet toe noopte hiermee bij het bestreden besluit rekening te houden.

Voor zover de Stichting ROM aanvoert dat enige bescherming tegen geluidoverlast had moeten worden geboden voor de omliggende kantoren en andere gebouwen waar personen gedurende langere tijd verblijven, overweegt de Afdeling als volgt. In de voorschriften 2.2.1 tot en met 2.2.7 van de oprichtingsvergunning zijn maatregelen voorgeschreven om vermijdbare geluidhinder te voorkomen. Uit het deskundigenbericht (blz. 15) blijkt dat de dichtstbijzijnde gebouwen zijn gelegen op ruim 200 meter afstand en dat verwacht mag worden dat op een dergelijke afstand geen geluidhinder meer zal optreden als gevolg van de activiteiten van de inrichting. De Afdeling ziet geen aanleiding het deskundigenbericht op dit punt onjuist te achten. In hetgeen de Stichting ROM aanvoert is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gestelde geluidgrenswaarden toereikend zijn.

2.6.9. Deze beroepsgronden falen.

2.7. De Stichting ROM voert aan dat niet is beoordeeld of aan de normen voor luchtkwaliteit kan worden voldaan. Volgens de Stichting ROM worden de normen nu al overschreden. Naar haar mening is niet beoordeeld of er een verslechtering of verbetering optreedt ten opzichte van de vergunning van 21 oktober 2003.

2.7.1. Het college voert aan dat de activiteiten binnen in de verwerkingshal plaatsvinden. De ramen en deuren van deze hal dienen tijdens het in werking zijn van de puinbreker gesloten te zijn. Verder wordt gebruik gemaakt van besproeiing, afzuigen onder onderdruk en stoffilters. Het college acht (nader) onderzoek niet nodig, omdat geen significante toename verwacht wordt en voor overschrijding van de concentratie niet gevreesd hoeft te worden. Er wordt voldaan aan beste beschikbare technieken.

2.7.2. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer kunnen bestuursorganen de in het tweede lid bedoelde bevoegdheden of de daar bedoelde wettelijke voorschriften, waarvan de uitoefening of de toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, uitoefenen dan wel toepassen in gevallen waarin bij een uitoefening of toepassing aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde.

Ingevolge voorschrift 4.1 van bijlage 2 van de Wet milieubeheer gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens: 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie.

Ingevolge voorschrift 2.1, eerste lid, van bijlage 2 van de Wet milieubeheer geldt voor stikstofdioxide de volgende grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens: 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.

2.7.3. De Afdeling overweegt dat in het bestreden besluit (blz. 13) is vermeld dat de jaargemiddelde achtergrondwaarde voor PM10 23 microgram per m3 en voor NO2 20 microgram per m3 is. De hoeveelheid te accepteren materiaal neemt met de aangevraagde vergunning niet toe. Ook het aantal vergunde vrachtwagenbewegingen neemt niet toe. Op grond van de aangevraagde vergunning mag niet met asbest vervuild puin gebroken en gezeefd worden. Wat er zijn mag van de stelling dat deze activiteiten kunnen leiden tot een toename van zwevende deeltjes, de vergunde installaties staan inpandig opgesteld in de bedrijfshal. Bij het verwerken worden deuren en ramen gesloten gehouden. Binnen de hal is een sproeisysteem aanwezig dat de installaties en opslag bevochtigt. Gelet hierop is het volgens het deskundigenbericht (blz. 18) aannemelijk dat de vergunde veranderingen geen negatieve gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit ten opzichte van de vergunde situatie. De Afdeling ziet geen aanleiding het deskundigenbericht op dit punt onjuist te achten. Deze beroepsgrond faalt.

2.8. De Stichting ROM voert aan dat onvoldoende bekend is over trillingen en dat ten onrechte geen voorschriften zijn gesteld over trillinghinder.

2.8.1. Volgens het college behoeft niet gevreesd te worden voor trillinghinder, hetgeen ook uit de aanvraag blijkt, zodat het niet noodzakelijk is daarvoor voorschriften op te nemen.

2.8.2. Volgens het deskundigenbericht (blz. 16) is de afstand tussen gevoelige objecten en de inrichting zodanig groot dat het uitgesloten is dat daar trillinghinder als gevolg van de inrichting kan optreden, zodat het niet nodig is trillingvoorschriften op te nemen. De Afdeling ziet geen aanleiding het deskundigenbericht op dit punt onjuist te achten. Deze beroepsgrond faalt.

2.9. De Stichting ROM voert aan dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is voorgeschreven dat financiële zekerheid moet worden gesteld. Volgens haar is ondanks het toezicht op de naleving van de vergunning bij een andere inrichting schade ontstaan.

2.9.1. Ingevolge artikel 3 van het Besluit financiële zekerheid milieubeheer kan het bevoegd gezag in een geval als het onderhavige aan de vergunning voorschriften verbinden, die voor degene die de inrichting drijft de verplichting inhouden tot het stellen van financiële zekerheid.

2.9.2. Het college heeft afgezien van het voorschrijven van een financiële zekerheidstelling, omdat de financiële (milieu)risico's worden beperkt doordat de maximale opslagcapaciteit en aard van de afvalstoffen in de aanvraag, die deel uitmaakt van de vergunning, worden genormeerd, de afvalstoffen nuttig toepasbaar zijn, in de vergunning voorschriften zijn opgenomen met betrekking tot de opslagtermijn en bodembescherming en het college zal toezien op de naleving van de vergunning.

De Stichting ROM heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college in redelijkheid niet van het voorschrijven van een financiële zekerheidstelling heeft kunnen afzien. Dat, naar de Stichting ROM stelt, het toezicht op de naleving van de vergunning bij een andere inrichting niet zou hebben gewerkt, maakt dit niet anders, reeds omdat bedoelde andere inrichting wat betreft bedrijfsactiviteiten niet of onvoldoende vergelijkbaar is met de onderhavige inrichting.

Deze beroepsgrond faalt.

2.10. De Stichting ROM voert aan dat er onvoldoende maatregelen zijn getroffen tegen de verspreiding van asbeststof en kwartsstof en dat daarbij is afgeweken van de Nederlandse emissierichtlijn Lucht (hierna: de NeR).

2.10.1. Het college voert aan dat de door A.M.H.A. genomen maatregelen, zoals vermeld in het stofbestrijdingsplan dat deel uitmaakt van de aanvraag, en de voorschriften van de oprichtingsvergunning van 21 oktober 2003 voldoende zijn om stof- en asbestverspreiding vanuit de inrichting te voorkomen dan wel te beperken. Het college voert aan dat de aanvraagde veranderingen geen betrekking hebben op asbesthoudend of kwartshoudend materiaal. Het stofbestrijdingsplan dat deel uitmaakt van de vergunning voldoet aan de NeR.

2.10.2. De maatregelen die in het stofbestrijdingsplan zijn opgenomen zijn in overeenstemming met de NeR. Volgens het deskundigenbericht (blz. 19) wordt door het treffen van deze maatregelen ook de verspreiding van kwartsstof dat kan vrijkomen bij de bewerking van steenachtige materialen voorkomen. Het feit dat de verwerking inpandig plaatsvindt, is volgens dit rapport een extra waarborg dat stofverspreiding wordt voorkomen. De aangevraagde vergunning ziet niet op asbesthoudend afval, zodat voor de verspreiding van asbest niet gevreesd behoeft te worden. De Afdeling ziet geen aanleiding het deskundigenbericht op dit punt onjuist te achten. Deze beroepsgrond faalt.

2.11. De stichting ROM voert aan dat onvoldoende bekend is over de proefprojecten.

2.11.1. Volgens het college ziet de aanvraag niet op asbesthoudend materiaal. Voorschrift 2.1.2. van het bestreden besluit bepaalt dat toestemming voor proefprojecten slechts wordt verleend als is aangetoond dat ten gevolge van de proefneming de ingevolge deze vergunning geldende milieuhygiënische randvoorwaarden niet worden overschreden. Vergunningvoorschrift 2.1.3 vermeldt de gegevens die bij het verzoek om toestemming moeten worden overgelegd. Ingevolge vergunningvoorschrift 2.1.4 kan het college de duur van de proefneming en de hoeveelheid van de te be- of verwerken afvalstof beperken en nadere milieuhygiënische randvoorwaarden stellen aan de wijze waarop de proefneming plaats zal vinden. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het met deze voorschriften over voldoende informatie beschikt over de proefprojecten en dat de milieugevolgen ervan met deze voorschriften voldoende worden beperkt. Deze beroepsgrond faalt.

2.12. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dit betrekking heeft op het doelmatig beheer van afvalstoffen;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2009

433.