Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ3387

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
200808714/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 mei 2007 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) ten behoeve van [wederpartij] in het rijbewijzenregister voor de duur van vijf jaren een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën A, B en E bij B. Bij besluit van dezelfde datum heeft het CBR geweigerd in dat register ten behoeve van [wederpartij] een verklaring van geschiktheid te registreren voor het besturen van motorrijtuigen uit de categorieën C, D, E bij C en E bij D.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200808714/1/H3.

Datum uitspraak: 22 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2008 in zaak nr. 07/4085 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

appellante.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2007 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) ten behoeve van [wederpartij] in het rijbewijzenregister voor de duur van vijf jaren een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën A, B en E bij B. Bij besluit van dezelfde datum heeft het CBR geweigerd in dat register ten behoeve van [wederpartij] een verklaring van geschiktheid te registreren voor het besturen van motorrijtuigen uit de categorieën C, D, E bij C en E bij D.

Bij besluit van 14 september 2007 heeft het CBR het door [wederpartij] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 oktober 2008, verzonden op 4 november 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 september 2007 vernietigd en bepaald dat het CBR opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 2 december 2008 heeft het CBR opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] besloten. Bij dit besluit heeft het CBR ten behoeve van [wederpartij] in het rijbewijzenregister een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën C, D, E bij C en E bij D geregistreerd tot en met 31 mei 2012.

Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft het CBR bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2008, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

[wederpartij] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juni 2009, waar het CBR, vertegenwoordigd door S.J.W. van de Vorstenbosch-Blom, werkzaam bij het CBR, en [wederpartij], in persoon en bijgestaan door mr. D.W. Giltay Veth, advocaat te Nieuw-Vennep, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG-Verdrag) kan de Raad, onverminderd de andere bepalingen van dit Verdrag, binnen de grenzen van de door dit Verdrag aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, passende maatregelen nemen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van richtlijn 91/439 van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (PbEG L 237 van 24 augustus 1991, zoals nadien gewijzigd; hierna: de richtlijn), voor zover thans van belang, is de afgifte van het rijbewijs onder meer onderworpen aan de voorwaarde dat de aanvrager moet voldoen aan de medische normen van bijlage III.

Onder punt 1 van Bijlage III "minimumnormen inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig", voor zover thans van belang, worden bestuurders in het kader van deze bijlage in twee groepen ingedeeld, namelijk:

1.1 Groep 1: bestuurders van voertuigen van de categorieën A, B en B+E.

1.2 Groep 2: bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D en D+E.

Onder punt 5 is opgenomen dat de Lidstaten voor de afgifte of verlenging van een rijbewijs strengere normen kunnen vaststellen dan de in deze bijlage vervatte normen.

In punt 13 "Psychische aandoeningen", is het volgende bepaald:

Groep 1

13.1 Rijbewijzen mogen niet worden afgegeven of verlengd, indien de aanvrager of bestuurder lijdt aan:

- congenitale of door ziekten, trauma's of neurochirurgische ingrepen ontstane ernstige psychische aandoeningen;

- […];

- […],

tenzij de aanvraag door een officieel medisch advies wordt ondersteund en de betrokkene zo nodig geregeld medisch wordt gecontroleerd.

Groep 2

13.2 De bevoegde medische instantie houdt naar behoren rekening met de extra risico's en gevaren in verband met het besturen van voertuigen die aan de definitie van deze groep beantwoorden.

Ingevolge artikel 111, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover thans van belang, wordt een rijbewijs slechts afgegeven aan degene die blijkens een overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door of vanwege de overheid ingesteld onderzoek, beschikt over een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid.

Ingevolge artikel 122, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, is een rijbewijs, afgegeven aan een aanvrager die de leeftijd van 60 jaren nog niet heeft bereikt, geldig voor de duur van tien achtereenvolgende jaren, gerekend vanaf de in het rijbewijs vermelde datum van afgifte.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, van het Reglement rijbewijzen (Stb. 1996, 277; zoals nadien gewijzigd), wordt in dit besluit verstaan onder verklaring van geschiktheid: verklaring waaruit blijkt dat de aanvrager de lichamelijke en geestelijke geschiktheid bezit tot het besturen van motorrijtuigen van de in de verklaring vermelde rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën.

Ingevolge artikel 97, eerste lid, worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. Het CBR doet van deze registratie mededeling aan de aanvrager.

Ingevolge artikel 101, eerste lid, voor zover thans van belang, is het CBR bevoegd te vorderen dat de aanvrager zich op eigen kosten laat keuren door een of meer door het CBR aangewezen artsen of andere deskundigen, indien:

a. de door de aanvrager overgelegde eigen verklaring dan wel, indien een geneeskundig verslag wordt vereist, het geneeskundig verslag daartoe aanleiding geeft;

b. het CBR beschikt over gegevens met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de aanvrager, die het vermoeden rechtvaardigen dat de aanvrager niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft;

c. […].

Ingevolge artikel 102 wordt door de aangewezen arts of artsen aan het CBR schriftelijk medegedeeld voor welke rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën de aanvrager naar zijn of naar hun oordeel voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid en voor welke rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën hij aan die eisen niet voldoet.

In het tweede lid is bepaald dat, indien naar het oordeel van de aangewezen arts of artsen redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de aanvrager slechts aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voldoet voor een daarbij te bepalen termijn die korter is dan de in artikel 122, eerste lid, van de wet voorziene geldigheidsduur, zulks door hem of door hen schriftelijk wordt medegedeeld aan het CBR onder vermelding van de termijn waarvoor de aanvrager naar zijn of naar hun oordeel aan die eisen voldoet.

In artikel 103, eerste lid, is bepaald dat, indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, het CBR ten behoeve van de aanvrager voor die rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën een verklaring van geschiktheid registreert.

In het tweede lid is bepaald dat, indien naar het oordeel van het CBR redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de aanvrager slechts aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voldoet voor een daarbij te bepalen termijn die korter is dan de in artikel 122, eerste lid, van de wet voorziene geldigheidsduur, het CBR die termijn in het rijbewijzenregister registreert.

Ingevolge artikel 1 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (Stcr. 2000, 99; zoals nadien gewijzigd), wordt in deze regeling verstaan onder:

a. groep 1: bestuurders van motorrijtuigen van de categorieën A, B en B+E;

b. groep 2: bestuurders van motorrijtuigen van de categorieën C, C+E, D en D+E.

Ingevolge artikel 2 worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage (hierna: de Bijlage).

In de Bijlage is in hoofdstuk 8 "Psychiatrische stoornissen" in paragraaf 8.2 "Psychosen" onder 8.2.1 "Schizofrenie en andere psychotische stoornissen" bepaald dat psychotische episoden de betrokkene ongeschikt maken voor elk rijbewijs. Als er sprake is van een geslaagde behandeling (twee jaar recidiefvrij, een zekere mate van ziekte-inzicht) en de defecttoestand hooguit licht van aard is, hoeft er geen reden te zijn om de keurling zonder meer ongeschikt te verklaren voor het rijbewijs. Wel is dan steeds een specialistisch rapport vereist. Bij een gunstig rapport bedraagt de maximale geschiktheidstermijn vijf jaar; deze personen zullen alleen geschikt zijn voor rijbewijzen van groep 1. Personen die voor de behandeling van hun aandoening een hoge dosering neuroleptica nodig hebben, zijn ongeschikt voor het rijbewijs.

2.2. Vaststaat dat bij [wederpartij] schizofrenie is geconstateerd. In de in bezwaar gehandhaafde besluiten van 7 mei 2007 heeft het CBR zich op het standpunt gesteld dat, gelet op paragraaf 8.2.1 van de Bijlage, die omstandigheid er aan in de weg staat dat ten behoeve van [wederpartij] voor de rijbewijscategorieën C, D, E bij C en E bij D (hierna: groep 2) in het rijbewijzenregister een verklaring van geschiktheid wordt ingeschreven. Uit diezelfde paragraaf volgt volgens het CBR dat ten behoeve van [wederpartij] voor de rijbewijscategorieën A, B en E bij B (hierna: groep 1) voor ten hoogste vijf jaren een verklaring van geschiktheid in het rijbewijzenregister kan worden ingeschreven.

2.3. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd omdat dit naar haar oordeel niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. De rechtbank heeft beoordeeld of het CBR de richtlijn correct heeft geïmplementeerd. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de richtlijn dat ook personen bij wie een psychotische aandoening is geconstateerd, onder de in punten 13.1 en 13.2 van Bijlage III bij de richtlijn gestelde voorwaarden voor een rijbewijs voor groep 2 in aanmerking komen. Derhalve zijn in paragraaf 8.2.1 van de Bijlage punten 13.1 en 13.2 van Bijlage III bij de richtlijn onjuist geïmplementeerd en heeft het CBR de in bezwaar gehandhaafde besluiten ten onrechte op paragraaf 8.2.1 van de Bijlage gebaseerd, aldus de rechtbank.

De rechtbank overweegt vervolgens dat ingevolge punt 5 van Bijlage III bij de richtlijn de opgenomen normen minimumnormen zijn en dat de nationale wetgever voor de afgifte of verlenging van een rijbewijs strengere normen voor de medische keuring mag vaststellen dan de in deze bijlage vervatte normen. De rechtbank verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 26 juni 2008 in de gevoegde zaken C-334/06 tot en met C-336/06, Zerche, Jur. 2008, p. I-04691. Uit dit arrest van het Hof blijkt dat een lidstaat voor iedere afgifte van een rijbewijs een strenger medisch onderzoek kan verlangen dan die in Bijlage III bij de richtlijn zijn vermeld. Die bevoegdheid gaat naar het oordeel van de rechtbank echter niet zó ver dat door de nationale wetgever kan worden bepaald dat aan personen met deze aandoening steeds afgifte van het rijbewijs voor groep 2 wordt geweigerd, ongeacht de uitkomst van het (strengere) medische onderzoek. De door de Nederlandse wetgever opgenomen strengere norm, waarbij mensen met een psychische handicap zoals die van [wederpartij], ondanks een voor hem gunstige medische keuring van een rijbewijs voor groep 2 worden uigesloten, acht de rechtbank niet in overeenstemming met het systeem van de richtlijn.

De rechtbank overweegt verder dat paragraaf 8.2.1 van de Bijlage zich niet verdraagt met het in artikel 13, eerste lid, van het EG-Verdrag neergelegde non-discriminatiebeginsel. In strijd met dit artikel houdt paragraaf 8.2.1 van de Bijlage volgens de rechtbank ten aanzien van personen bij wie een psychotische aandoening is geconstateerd, een verdergaande beperking in dan gelet op het doel van de richtlijn noodzakelijk is.

2.4. Het CBR voert op de eerste plaats aan dat [wederpartij] pas ter zitting bij de rechtbank het standpunt heeft ingenomen dat paragraaf 8.2.1 van de Bijlage een onjuiste implementatie van Bijlage III bij de richtlijn vormt. Volgens het CBR heeft de rechtbank haar ten onrechte niet de gelegenheid geboden op dit standpunt van [wederpartij] te reageren.

2.4.1. Voor zover het CBR heeft willen betogen dat de rechtbank het standpunt van [wederpartij] dat paragraaf 8.2.1 van de Bijlage een onjuiste implementatie van Bijlage III bij de richtlijn vormt, ten onrechte in de beoordeling van het aan haar voorgelegde geschil heeft betrokken, faalt dit betoog. Het standpunt van [wederpartij] impliceert dat de Nederlandse regelgeving wegens strijd met het EG-recht buiten toepassing moet blijven. Ingevolge artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dient de rechter binnen de omvang van het geding ambtshalve vast te stellen welk recht van toepassing is. [wederpartij] heeft bovendien in zijn bezwaar- en beroepschrift, zij het op andere gronden, reeds het standpunt ingenomen dat paragraaf 8.2.1 van de Bijlage onverbindend is.

Het CBR is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting bij de rechtbank verschenen. Het heeft daarom niet kunnen reageren op het door [wederpartij] eerst ter zitting gehouden betoog dat voormelde paragraaf een onjuiste implementatie van Bijlage III bij de richtlijn vormt. Dit komt voor rekening en risico van het CBR.

2.5. Voorts betoogt het CBR dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat paragraaf 8.2.1 van de Bijlage een onjuiste implementatie vormt van punten 13.1 en 13.2 van Bijlage III bij de richtlijn en zich niet verhoudt met artikel 13, eerste lid, van het EG-Verdrag.

2.5.1. Anders dan de rechtbank overweegt, is Bijlage III bij de richtlijn, voor zover thans van belang, in de Regeling eisen geschiktheid 2000 geïmplementeerd door de minister van Verkeer en Waterstaat en niet door het CBR. Uit punt 5 van Bijlage III bij de richtlijn volgt dat de in deze bijlage opgenomen medische normen minimumnormen zijn. Dit brengt mee dat de bevoegde nationale regelgevende instantie, in dit geval de minister van Verkeer en Waterstaat, strengere normen mag stellen, die betrekking hebben op personen die in Nederland een rijbewijs, dan wel de verlenging ervan aanvragen. Zoals het Hof heeft vastgesteld in het arrest van 19 oktober 1995 (zaak C-128/94, Hönig, Jur. 1995, p. I-03389, overweging 17), kan dat ertoe leiden dat personen in de ene lidstaat ongunstiger behandeld worden dan in de andere lidstaat en dat bepaalde ongelijke concurrentievoorwaarden dus blijven bestaan. Deze gevolgen vloeien echter voort uit het harmonisatieniveau dat in de betrokken bepalingen, houdende de minimumnormen, is voorzien, aldus het Hof.

Geen grond bestaat voor het oordeel dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, uit het systeem van de richtlijn voortvloeit dat deze strengere normen niet mogen inhouden dat personen bij wie een psychotische stoornis is geconstateerd, ongeacht de uitkomsten van een medisch onderzoek, in geen enkel geval voor een verklaring van geschiktheid voor een rijbewijs voor groep 2 in aanmerking komen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de richtlijn ertoe strekt de lidstaten te verplichten rijbewijzen die in een andere lidstaat in overeenstemming met de bepalingen van de richtlijn zijn afgegeven, zonder enige formaliteit te erkennen. Onder meer met het oog op het verzekeren van de verkeersveiligheid, zijn in Bijlage III bij de richtlijn minimumvoorwaarden inzake de geschiktheid van de aanvrager van een rijbewijs opgenomen, waarin is bepaald in welke gevallen een rijbewijs niet mag worden afgegeven of verlengd. Aldus is de erkennende lidstaat ervan verzekerd dat de houder van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs, tenminste aan deze minimumvoorwaarden voldoet. De verplichting tot erkenning van rijbewijzen die met inachtneming van de richtlijn in een andere lidstaat zijn afgegeven, laat evenwel onverlet dat in de Nederlandse regelgeving ten aanzien van personen die in Nederland hun gewone verblijfplaats hebben en hier een verklaring van geschiktheid aanvragen, strengere eisen mogen worden gesteld dan de in Bijlage III bij de richtlijn neergelegde minimumvoorwaarden.

Nu [wederpartij], zoals hij ter zitting heeft bevestigd, zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft en hier een verklaring van geschiktheid heeft aangevraagd, zijn op hem de in de Nederlandse regelgeving opgenomen strengere normen van toepassing. In zoverre verschilt de situatie van [wederpartij] van die welke aan de orde was in het door de rechtbank aangehaalde en hiervoor al genoemde arrest van het Hof in gevoegde zaken C-334/06 tot en met C-336/06. Die zaken hadden betrekking op personen die hun gewone verblijfplaats in Duitsland hadden en daar erkenning wensten van hun in Tsjechië afgegeven rijbewijs, terwijl in Tsjechië voor het afgeven van het rijbewijs niet dezelfde normen golden als in Duitsland. Anders dan het voorliggende geval, betroffen die zaken dus geen louter interne situatie van een lidstaat.

Het betoog van het CBR slaagt.

2.5.2. De rechtbank kan evenmin worden gevolgd in haar oordeel dat paragraaf 8.2.1 van de Bijlage zich niet verdraagt met artikel 13, eerste lid, van het EG-Verdrag. Dit artikel bevat geen afdwingbaar verbod van discriminatie, maar biedt de rechtsgrondslag voor door de Raad te nemen maatregelen om discriminatie te bestrijden. Uit de jurisprudentie van het Hof blijkt dat bepalingen die louter rechtsgrondslagen bevatten zich niet lenen voor rechtstreekse werking (arrest van 7 maart 1996 in zaak C-192/94, El Corte Inglés, Jur. 1996, p. I-01281, overwegingen 19 en 20). Dit geldt ook voor artikel 13 van het EG-Verdrag, naar wordt bevestigd in het arrest van het Hof van 11 juli 2006 in zaak C-13/05, Chacón Navas, Jur. 2006, p. I-06467, overwegingen 54 en 55 en expliciet in de conclusie van advocaat-generaal Sharpston van 22 mei 2008 in zaak C-427/06, Bartsch, punt 73. De rechtbank heeft [wederpartij] derhalve ten onrechte gevolgd in diens betoog dat Bijlage III van de richtlijn zich niet verdraagt met artikel 13, eerste lid, van het EG-Verdrag.

2.6. Ter zitting bij de Afdeling heeft [wederpartij] argumenten aangevoerd ten betoge dat het in bezwaar gehandhaafde besluit strijdig is met de artikelen 10, 14, 15, 16 en 19 van de Grondwet. Verder heeft hij betoogd dat paragraaf 8.2.1 uit de Bijlage ten onrechte strenger is geformuleerd dan enkele bepalingen uit de Verkeersregeling Defensie. Nu [wederpartij] niet in hoger beroep is gekomen en hij overigens deze argumenten niet bij de rechtbank heeft aangevoerd, zal de Afdeling deze onbesproken laten.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de bij de rechtbank door [wederpartij] aangedragen beroepsgronden beoordelen, voor zover dat in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen noodzakelijk is.

2.8. In beroep heeft [wederpartij] betoogd dat paragraaf 8.2.1 van de Bijlage wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel, zoals verankerd in artikel 1 van de Grondwet, onverbindend is. [wederpartij] heeft hiertoe aangevoerd dat deze paragraaf er ten onrechte toe strekt dat personen bij wie een psychotische stoornis is vastgesteld in geen enkel geval voor een rijbewijs voor groep 2 in aanmerking komen, terwijl het inschrijven van een verklaring van geschiktheid ten behoeve van personen bij wie een andere in hoofdstuk 8 van de Bijlage genoemde psychiatrische stoornis is geconstateerd, niet in alle gevallen is uitgesloten.

2.8.1. Dit betoog faalt. In hoofdstuk 8 van de Bijlage wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende psychiatrische stoornissen en wordt bij elke stoornis vermeld of en onder welke voorwaarden een persoon bij wie deze stoornis is vastgesteld, geschikt is voor het besturen van motorrijtuigen. Hierbij is onder meer rekening gehouden met de ernst van de stoornis, de kans op herhaling en de mogelijke gevolgen voor de verkeersveiligheid indien de persoon bij wie een stoornis is geconstateerd met een motorrijtuig aan het verkeer deelneemt. Reeds omdat de overige paragrafen van Hoofdstuk 8 van de Bijlage betrekking hebben op andere psychiatrische stoornissen dan paragraaf 8.2.1, kan niet worden gesproken van gelijke gevallen. Dat paragraaf 8.2.1 van de Bijlage het verlenen van een rijbewijs voor groep 2 uitsluit ten aanzien van de daar bedoelde personen, is derhalve niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

2.9. [wederpartij] betoogt verder dat het CBR had moeten meewegen dat hij ruim twintig jaar over een rijbewijs voor groep 2 heeft beschikt en gedurende die periode schadevrij heeft gereden.

2.9.1. Ook dit betoog faalt. Dat [wederpartij] ook na zijn psychotische episoden in 1991 en 1998 voor een rijbewijs voor groep 2 geschikt is bevonden, is te wijten aan de omstandigheid dat hij het CBR eerst in 2007 van zijn psychiatrische voorgeschiedenis op de hoogte heeft gesteld. Dat [wederpartij] aldus door eigen nalaten sinds zijn eerste psychotische episode ten onrechte over een rijbewijs voor groep 2 heeft beschikt, brengt niet met zich dat het CBR, in strijd met de artikelen 97, eerste lid en 103, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen, ten behoeve van [wederpartij] de gevraagde verklaring van geschiktheid in het rijbewijzenregister dient in te schrijven.

2.10. [wederpartij] wijst voorts op het advies van psychiater Peterse (hierna: Peterse), die hem naar aanleiding van zijn aanvraag voor een verklaring van geschiktheid heeft gekeurd. Volgens [wederpartij] heeft het CBR de aanbeveling van Peterse om hem, ondanks de bij hem geconstateerde schizofrenie, voor een periode van vijf jaar geschikt te achten voor een rijbewijs voor groep 2, ten onrechte niet overgenomen.

2.10.1. Dit betoog faalt eveneens. Het overnemen van deze aanbeveling van Peterse, zou ertoe leiden dat in strijd met de toepasselijke voorschriften uit het Reglement rijbewijzen, een verklaring van geschiktheid wordt ingeschreven ten behoeve van een persoon die niet voldoet aan de in paragraaf 8.2.1 van de Bijlage gestelde eisen. Het CBR is reeds om die reden terecht aan de aanbeveling van Peterse voorbijgegaan.

2.11. Voor zover [wederpartij] heeft gewezen op de in zijn geval onredelijke uitwerking van paragraaf 8.2.1 van de Bijlage, wordt onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 20 juni 2007 in zaak nr. 200608543/1) overwogen dat het de rechter niet vrijstaat te treden in de billijkheid van de regelgeving en dat het de taak van de wetgever is om te beoordelen of veranderende medische inzichten tot aanpassing van de regelgeving moeten leiden.

2.12. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het CBR aan de in bezwaar gehandhaafde besluiten terecht paragraaf 8.2.1 van de Bijlage ten grondslag heeft gelegd. Gelet op het imperatieve karakter van deze bepaling, heeft het CBR zich ten aanzien van [wederpartij] terecht gehouden geacht tot weigering van de inschrijving in het rijbewijzenregister van een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen uit groep 2. Het CBR was voorts gehouden de duur van de inschrijving van de verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen uit groep 1, tot ten hoogste vijf jaren te beperken.

2.13. Het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep is ongegrond.

2.14. Het besluit van het CBR van 2 december 2008 is een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling zal dit besluit op grond van artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, in de beoordeling betrekken.

2.15. Met de vernietiging van de aangevallen uitspraak is de grondslag aan het besluit van 2 december 2008 komen te ontvallen. Het beroep tegen dit besluit is gegrond. De Afdeling zal dit besluit vernietigen.

2.16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2008 in zaak nr. 07/4085;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 2 december 2008 gegrond;

V. vernietigt het besluit van de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 2 december 2008 met kenmerk EV/51102714.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. de Winter, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. De Winter

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2009

546.