Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ3386

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
200808386/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 september 2007 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) het rijbewijs van [wederpartij] met ingang van 12 september 2007 voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200808386/1/H3.

Datum uitspraak: 22 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 oktober 2008 in zaak nr. 08/178 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

appellante.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2007 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) het rijbewijs van [wederpartij] met ingang van 12 september 2007 voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Bij besluit van 4 december 2007 heeft het CBR het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 oktober 2008, verzonden op 9 oktober 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 december 2007 vernietigd en bepaald dat het CBR opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het CBR bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 november 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 17 december 2008.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

[wederpartij] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan het CBR toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juni 2009, waar het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, werkzaam bij het CBR, en [wederpartij], in persoon en bijgestaan door mr. L.P. Kabel, advocaat te Eindhoven, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), is bepaald dat, indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen het vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling doen aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, voor zover thans van belang, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge het tweede lid, bepaalt het CBR de aard van het onderzoek en door welke deskundige of deskundigen het onderzoek zal worden verricht.

Ingevolge artikel 134, eerste lid, voor zover thans van belang, stelt het CBR zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast. Van deze uitslag doet het CBR mededeling aan betrokkene.

Ingevolge het tweede lid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (Stcr. 2006, 170), besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde (lees: tweede) lid, van de wet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (Stcr. 2004, 106), worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In die bijlage is in paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring op basis van een specialistisch rapport geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2.2. De rechtbank heeft het in beroep bestreden besluit vernietigd. Hiertoe heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, overwogen dat het CBR het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van [wederpartij], niet heeft mogen doen steunen op het door zenuwarts P.J.M. Raedts (hierna: Raedts) opgestelde medische rapport van 17 augustus 2007. Volgens de rechtbank is dit rapport niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.

2.3. [wederpartij] heeft zich in hoger beroep in een nader stuk, gedateerd 18 juni 2009, op het standpunt gesteld dat het in bezwaar gehandhaafde besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, nu hij door Raedts niet is gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van het in artikel 7:464, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde blokkeringsrecht. Ter zitting hebben partijen hun opvattingen over de mogelijkheid tot het inroepen van dit blokkeringsrecht kenbaar gemaakt.

Anders dan [wederpartij] en het CBR kennelijk menen, kan uit de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2009 (zaak nr. 200803362/1) niet worden afgeleid dat het blokkeringsrecht alsnog in hoger beroep kan worden ingeroepen door de partij die geen hoger beroep heeft ingesteld. Reeds de omstandigheid dat niet [wederpartij] maar het CBR tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep is gekomen, brengt daarom mee dat het inroepen van het blokkeringsrecht door [wederpartij] hier onbesproken blijft.

2.4. Het CBR betoogt dat het rapport van Raedts voldoende basis biedt voor het in bezwaar gehandhaafde besluit. Volgens het CBR heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat uit dit rapport niet volgt of rekening is gehouden met de door [wederpartij] gestelde bijzondere omstandigheid dat hij, ondanks bovenmatig gebruik van alcohol, op 7 oktober 2006 met een auto naar zijn vader op weg was omdat hij zich zorgen maakte over diens gezondheidstoestand. Met die overweging heeft de rechtbank miskend dat de reden waarom iemand onder invloed van alcohol een motorrijtuig heeft bestuurd, geen rol speelt bij de beoordeling of sprake is van alcoholmisbruik, aldus het CBR.

Subsidiair betoogt het CBR dat, zo aan bedoelde stelling van [wederpartij] al gewicht zou toekomen, de rechtbank deze stelling ten onrechte als juist heeft aanvaard. De stelling van [wederpartij] is volgens het CBR niet geloofwaardig, nu hij tijdens het verhoor na zijn aanhouding op 7 oktober 2006 op geen enkele wijze kenbaar heeft gemaakt dat en waarom hij op weg was naar zijn vader.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 april 2007 in zaak nr. 200606675/1), bestaat in een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld, slechts aanleiding de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet in stand te laten indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

2.4.2. Het rapport van Raedts omvat de resultaten van een lichamelijk onderzoek, een laboratoriumonderzoek en een psychiatrisch onderzoek aan de hand van de zogeheten DSM-IV-TR criteria. Op grond van de met deze onderzoeken verkregen gegevens stelt Raedts vast dat [wederpartij] ten tijde van zijn aanhouding op 7 oktober 2006 een verhoogde alcoholtolerantie had, nu hij bij gebruik van dezelfde hoeveelheid alcohol hiervan een verminderd effect ervoer en in staat bleek met een alcoholpromillage van 1,886 met de auto een aanzienlijke afstand af te leggen. Raedts constateert verder persistentie in het alcoholgebruik van [wederpartij], nu hij grote hoeveelheden alcohol per week nuttigt, terwijl hij tijdens een eerder opgelegde Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (hierna: EMA) op de schadelijke gevolgen hiervan is gewezen en hij ermee bekend is dat alcoholgebruik in combinatie met door hem gebruikte medicijnen wordt afgeraden. Op basis van het totaal van de verkregen gegevens stelt Raedts de diagnose alcoholmisbruik, waarmee blijkens de in het rapport gegeven toelichting alcoholmisbruik in ruime zin wordt bedoeld.

2.4.3. Gelet op de onder 2.4.2 weergegeven inhoud van het rapport van Raedts, kan de rechtbank niet worden gevolgd in haar overweging dat dit rapport de indruk wekt dat de gestelde diagnose in belangrijke mate is gebaseerd op de omstandigheid dat [wederpartij] in verband met bovenmatig alcoholgebruik is aangehouden, nadat hem reeds eerder een EMA was opgelegd. Met die overweging heeft de rechtbank niet onderkend dat bedoelde omstandigheid weliswaar heeft bijgedragen aan de conclusie van Raedts dat bij [wederpartij] sprake is van voortdurend gebruik van alcohol, maar dat die conclusie slechts één van de ondersteunende elementen vormt voor de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin.

De rechtbank kan evenmin worden gevolgd waar zij overweegt dat Raedts onvoldoende rekening heeft gehouden met de stelling van [wederpartij] dat hij ten tijde van zijn aanhouding met een auto aan het verkeer deelnam omdat hij zich ernstig zorgen maakte over de gezondheidstoestand van zijn vader. Geen grond bestaat voor het oordeel dat Raedts aan die stelling, wat daarvan ook zij, een zodanig gewicht diende toe te kennen dat hij niet tot de gestelde diagnose heeft mogen komen. In de omstandigheid dat Raedts in zijn rapport niet afzonderlijk heeft toegelicht in welke mate hij deze stelling van [wederpartij] in zijn beoordeling heeft betrokken, heeft het CBR geen aanleiding behoeven te zien te twijfelen aan de juistheid van de diagnose.

2.4.4. Het voorgaande leidt ertoe dat het CBR, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, het rapport van Raedts aan het in bezwaar gehandhaafde besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Gelet op de door Raedts gestelde diagnose en op artikel 134, tweede lid, van de WVW 1994, heeft het CBR zich terecht gehouden geacht het rijbewijs van [wederpartij] ongeldig te verklaren.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van het CBR van 4 december 2007 alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 oktober 2008 in zaak nr. 08/178;

III. verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. de Winter, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. De Winter

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2009

546.