Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ3372

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
200804929/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) vastgesteld dat zich op de locatie Boezembocht ongenummerd te Rotterdam twee gevallen van ernstige verontreiniging bevinden en dat spoedige sanering daarvan niet noodzakelijk is. Dit besluit is op 15 mei 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 1
Wet bodembescherming 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2010/5 met annotatie van Flietstra
JOM 2009/730
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/4123

Uitspraak

200804929/1/M2.

Datum uitspraak: 22 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Bodemsanering NS, gevestigd te Utrecht,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) vastgesteld dat zich op de locatie Boezembocht ongenummerd te Rotterdam twee gevallen van ernstige verontreiniging bevinden en dat spoedige sanering daarvan niet noodzakelijk is. Dit besluit is op 15 mei 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft de stichting Stichting Bodemsanering NS (hierna: SBNS) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 17 juli 2008.

SBNS en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2009, waar SBNS, vertegenwoordigd door mr. drs. E.I.P.M. van Bellen-Weijnen en drs. J.R. Russcher, en het college, vertegenwoordigd door mr. K.I. Siem, mr. R. Taams en ir. L.P.M. van den Assem, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling de zaak terugverwezen naar een meervoudige kamer en het onderzoek heropend.

De Afdeling heeft de zaak verder ter zitting behandeld op 25 juni 2009, waar SBNS, vertegenwoordigd door mr. drs. E.I.P.M. van Bellen-Weijnen, mr. drs. B.M. van Galen en drs. J.R. Russcher, en het college, vertegenwoordigd door mr. K.I. Siem en ir. L.P.M. van den Assem, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college stelt dat SBNS niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan worden aangemerkt.

2.1.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.2. Ingevolge artikel 28 van de Wet bodembescherming, voor zover hier van belang, doet degene die voornemens is de bodem te saneren, van dat voornemen melding bij gedeputeerde staten.

SBNS is opgericht met als doel te komen tot het zo spoedig mogelijk saneren van de zogenoemde NS-saneringsgevallen. Zij is verantwoordelijk voor de sanering van al deze gevallen. SBNS heeft, als degene die voornemens is de bodem te saneren, de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende melding op grond van artikel 28 van de Wet bodembescherming gedaan. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de belangen van SBNS rechtstreeks bij het bestreden besluit zijn betrokken en dat zij als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt.

2.2. SBNS stelt dat het college ten onrechte twee gevallen van ernstige verontreiniging heeft vastgesteld. Eén van de vastgestelde gevallen van ernstige verontreiniging betreft een puinlaag. Die puinlaag is volgens SBNS geen geval van verontreiniging, omdat het hier geen bodem maar een verhardingslaag betreft. Gelet hierop is de Wet bodembescherming niet van toepassing, aldus SBNS.

2.2.1. Het college stelt dat de puinlaag geen functie meer heeft als verhardings- of steunlaag omdat de locatie braak ligt en omdat de puinlaag bedekt is met een laag schone grond. In dit verband verwijst het college naar de nota Actief bodem- en bouwstoffenbeheer van de gemeente Rotterdam van 16 april 2002. Volgens het college volgt uit deze nota dat de puinlaag weliswaar niet als grond kan worden beschouwd, omdat het meer dan 50% bodemvreemd materiaal bevat, maar wel als een onderdeel van de bodem moet worden aangemerkt.

2.2.2. Ingevolge artikel 1 van de Wet bodembescherming wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder bodem verstaan: het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen.

2.2.3. In de uitspraak van de Afdeling van 9 januari 2008 in zaak nr. 200700610/1 (www.raadvanstate.nl) is tot uitgangspunt genomen dat een puinlaag, die voor meer dan 50% uit bodemvreemd materiaal bestaat niet als bodem als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming kan worden beschouwd. De Wet bodembescherming is dientengevolge in dat geval niet van toepassing. Naar het oordeel van de Afdeling moet in dit geval ook van dat uitgangspunt worden uitgegaan. Vaststaat dat de puinlaag, die het college als een geval van ernstige verontreiniging heeft aangemerkt, voor meer dan 50% uit bodemvreemd materiaal bestaat. Dat deze puinlaag is bedekt met een laag schone grond leidt er niet toe dat de puinlaag deel uitmaakt van de bodem. De puinlaag kan derhalve niet als bodem in de zin van artikel 1 van de Wet bodembescherming worden beschouwd. Het college heeft de puinlaag ten onrechte als geval van ernstige verontreiniging aangemerkt. De beroepsgrond slaagt.

2.3. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij de puinlaag is aangemerkt als een geval van ernstige verontreiniging. De beroepsgrond dat voor de puinlaag de omvang van het geval van verontreiniging onjuist is vastgesteld, behoeft gelet hierop geen bespreking.

2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 15 mei 2008, kenmerk 20699070, voor zover daarbij de puinlaag is aangemerkt als een geval van ernstige verontreiniging;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij de stichting Stichting Bodemsanering NS in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan de stichting Stichting Bodemsanering NS onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan de stichting Stichting Bodemsanering NS het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2009

492.