Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ3048

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
20-07-2009
Zaaknummer
200903451/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / familielid van een burger van de Unie / zelfstandige beoordeling door de staatssecretaris

Uit de overwegingen 24 tot en met 26 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 11 december 2007 in zaak C-291/05 (Eind, JV 2008/1) kan voor dit geval worden afgeleid dat de staatssecretaris, ook al zou de vreemdeling, onderdaan van een derde land, in de lidstaat van ontvangst nog niet als familielid van een burger van de Unie zijn aangemerkt, zelfstandig dient te beoordelen of de vreemdeling als familielid van een burger van de Unie moet worden aangemerkt en aldus een recht van toegang tot en verblijf in Nederland heeft, indien hij zich tegenover de staatssecretaris daarop beroept. Door te volstaan met de vaststelling dat het huwelijk van de vreemdeling nog niet in België is geverifieerd en/of geregistreerd, heeft de rechtbank dat niet onderkend.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/351
RV20090030 met annotatie van Woltjer A.J.Th. Aleidus
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903451/1/V3.

Datum uitspraak: 9 juli 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 6 mei 2009 in zaak nr. 09/14435 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2009 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 mei 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 13 mei 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De vreemdeling klaagt in grief 2 onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn huwelijk, hoewel gelegaliseerd door zowel de Belgische consul in Marokko als de Marokkaanse consul in België, nog niet in België, dat volgens de vreemdeling als gastland moet worden beschouwd, is geverifieerd en/of geregistreerd, zodat hij in dit verband (nog) niet als echtgenoot van een burger van de Unie kan worden aangemerkt.

Daartoe voert de vreemdeling, zakelijk weergegeven, aan dat de rechtbank, door aldus te overwegen, heeft miskend dat op grond van het nationale recht niet aan hem kon worden tegengeworpen dat het huwelijk in België nog niet is geverifieerd en/of geregistreerd.

2.2. Uit de door de vreemdeling overgelegde en in de Franse taal gestelde huwelijksakte van 5 november 2008 volgt dat hij op 4 november 2008 bij volmacht is gehuwd met [de echtgenote] (hierna: de echtgenote). Niet in geschil is dat de echtgenote de Nederlandse nationaliteit heeft. Zij heeft gesteld in Nederland te werken, maar in Antwerpen te wonen. Uit een brief van de gemeente Antwerpen van 13 februari 2009 volgt dat de vreemdeling een aanvraag tot inschrijving op basis van richtlijn 2004/38/EG heeft ingediend en dat deze aanvraag in behandeling is.

Uit het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 22 april 2009 blijkt dat de vreemdeling op 21 april 2009 in het kader van een controle van Mobiel Toezicht Vreemdelingen is staandegehouden. Hij was in het bezit van een geldig, op zijn naam gesteld, Marokkaans paspoort en heeft verklaard dat hij Nederland is binnengereisd om met zijn echtgenote, die ziek is, een arts te bezoeken en een familiebezoek af te leggen.

2.3. Uit de overwegingen 24 tot en met 26 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 11 december 2007 in zaak C-291/05 (Eind, JV 2008/1) kan voor dit geval worden afgeleid dat de staatssecretaris, ook al zou de vreemdeling, onderdaan van een derde land, in de lidstaat van ontvangst nog niet als familielid van een burger van de Unie zijn aangemerkt, zelfstandig dient te beoordelen of de vreemdeling als familielid van een burger van de Unie moet worden aangemerkt en aldus een recht van toegang tot en verblijf in Nederland heeft, indien hij zich tegenover de staatssecretaris daarop beroept.

2.3.1. Door te volstaan met de vaststelling dat het huwelijk van de vreemdeling nog niet in België is geverifieerd en/of geregistreerd, heeft de rechtbank dat niet onderkend. Zij had in het kader van de vraag of de vreemdeling als familielid van een burger van de Unie moet worden aangemerkt en aldus een recht van toegang tot en verblijf in Nederland heeft in haar beoordeling dienen te betrekken of naar Nederlands internationaal privaatrecht sprake is van een geldig huwelijk.

Ingevolge artikel 5, eerste en vierde lid, van de Wet conflictenrecht huwelijk, in onderlinge samenhang gelezen, wordt een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de Staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, als zodanig erkend en wordt het vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.

In zoverre slaagt de grief.

2.4. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Hetgeen voor het overige is aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.5. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 6 mei 2009 in zaak nr. 09/14435;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van de Kolk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2009

347-562.

Verzonden: 9 juli 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak