Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ2665

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
200807290/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 februari 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (thans de minister van Justitie; hierna: de minister) een verzoek van [verzoeker] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200807290/1/V6.

Datum uitspraak: 15 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 augustus 2008 in zaak nr. 07/1436 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (thans de minister van Justitie; hierna: de minister) een verzoek van [verzoeker] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 26 juli 2007 heeft de minister het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 augustus 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 27 oktober 2008.

[verzoeker] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De minister klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de regelgeving en het ter zake vigerende beleid niet expliciet blijkt dat een verklaring van een psychiater vereist is om aan te tonen dat [verzoeker], vanwege de door hem gestelde posttraumatische stressstoornis (hierna: ptss), in aanmerking komt voor ontheffing van de naturalisatietoets. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat uit het advies dat in de aanvraagfase van de naturalisatieprocedure door de gemeente Maastricht is verstrekt en uit hetgeen tijdens de hoorzitting in het kader van de bezwaarprocedure is medegedeeld evenmin blijkt dat een verklaring van een psychiater of psycholoog een dwingend vereiste is om de gevraagde ontheffing te verlenen, aldus de minister. De minister betoogt hiertoe dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (hierna: de Handleiding) duidelijk blijkt dat in een geval als dat van [verzoeker] een verklaring van een psycholoog of psychiater dient te worden overgelegd ter staving van de stelling dat sprake is van een geestelijke belemmering die eraan in de weg staat de naturalisatietoets binnen vijf jaar af te leggen.

2.1.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, voor zover thans van belang, komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker die in de Nederlandse samenleving als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal, alsmede van de Nederlandse staatsinrichting en maatschappij, en hij zich ook overigens in de Nederlandse samenleving heeft doen opnemen.

Ingevolge artikel 10, voor zover thans van belang, kan de Kroon, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van het bepaalde in voormeld artikellid (hierna: de hardheidsclausule).

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit naturalisatietoets, voor zover thans van belang, beschikt een verzoeker over voldoende kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN, indien hij beschikt over een zodanige mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij, dat hij zelfstandig in de Nederlandse samenleving kan functioneren.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, wordt vastgesteld aan de hand van een door de minister op te stellen naturalisatietoets, of hij beschikt over de mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij, bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 4, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, is de verzoeker die kan aantonen door een belemmering niet in staat te zijn een of meer van de toetsonderdelen, genoemd in artikel 2, derde lid, en het toetsonderdeel staatsinrichting en maatschappij af te leggen, ontheven van de verplichting om het desbetreffende toetsonderdeel af te leggen.

Volgens de Handleiding, zoals deze gold ten tijde van belang, is de verzoeker, indien hij een ernstige lichamelijke en/of geestelijke belemmering heeft, ontheven van de naturalisatietoets of één of meer onderdelen daarvan. Betrokkene dient zelf door middel van één of meer verklaringen aan te tonen dat hij in aanmerking komt voor gehele of gedeeltelijke ontheffing. Betrokkene dient de belemmering aan te tonen door middel van het overleggen van één of meer verklaringen van een arts of een deskundige. In beginsel is een verklaring van de eigen huisarts voldoende. Echter, dit geldt niet in een geval waarin sprake is van een psychische stoornis, zoals bijvoorbeeld duurzame ernstige depressies, trauma’s en/of concentratiestoornissen. Beoordeling daarvan dient te geschieden door een deskundige op het gebied van psychische ziektebeelden. In die gevallen dient de verklaring afkomstig te zijn van een psychiater of een psycholoog, aldus de Handleiding.

2.1.2. [verzoeker] heeft in het kader van zijn beroep op ontheffing van de naturalisatietoets wegens een geestelijke belemmering de modelverklaring 2.27 overgelegd, welke is ingevuld en ondertekend door L.M.A. van Nijst, huisarts (hierna: de huisarts). Deze verklaring houdt in dat [verzoeker] bekend is met ptss met wisselende depressieve kenmerken (oorlogsverleden), slaap- en concentratieproblemen, psychosociale problematiek en een voorgeschiedenis heeft van legionella pneumonie en rugklachten, waardoor hij niet lang kan zitten. In verband hiermee zal [verzoeker] naar alle waarschijnlijkheid niet in staat zijn om binnen vijf jaar de naturalisatietoets op de te onderscheiden onderdelen af te leggen, aldus de verklaring.

2.1.3. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit de in 2.1.1 weergegeven regelgeving over ontheffing van de naturalisatietoets en het ter zake vigerende beleid wel degelijk dat indien sprake is van aangevoerde geestelijke belemmeringen, zoals in het geval van [verzoeker], de beoordeling daarvan dient te geschieden door een deskundige op het gebied van psychische ziektebeelden, alsmede dat in een zodanig geval de daarop betrekking hebbende verklaring afkomstig dient te zijn van een psychiater of een psycholoog. Reeds hierom heeft de minister zich, anders dan de rechtbank heeft overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat [verzoeker], met de door hem overgelegde verklaring van de huisarts, onvoldoende heeft gestaafd dat hij wegens geestelijk belemmeringen niet binnen vijf jaar in staat zal zijn de naturalisatietoets af te leggen.

De klacht slaagt.

2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.

2.3. [verzoeker] betoogt in zijn beroepschrift dat hij ten tijde van zijn verzoek om naturalisatie onjuist is voorgelicht door de gemeente Maastricht over de vereiste, door hem over te leggen, verklaring om aan te tonen dat hij in aanmerking komt voor gehele of gedeeltelijke ontheffing van de naturalisatietoets.

2.3.1. Op het door de gemeente Maastricht, in het kader van het verzoek van [verzoeker] om hem het Nederlanderschap te verlenen, opgestelde adviesblad naturalisatie staat dat hem is geadviseerd om naar een psycholoog te gaan, doch dat hij daaraan geen medewerking verleende. Voorts volgt uit een brief van [verzoeker] van 31 januari 2006 dat hem van de kant van de gemeente Maastricht eind mei 2005 telefonisch is medegedeeld dat de door hem overgelegde modelverklaring 2.27 niet in orde was en hij in verband met zijn psychische situatie een nieuwe verklaring diende over te leggen. In het licht van deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat [verzoeker] in de aanvraagfase onjuist is voorgelicht door de gemeente Maastricht over de vereiste, door hem over te leggen, verklaring om aan te tonen dat hij in aanmerking komt voor gehele of gedeeltelijke ontheffing van de naturalisatietoets.

2.3.2. [verzoeker] betoogt in zijn beroepschrift voorts zonder succes dat de minister toepassing had dienen te geven aan de hardheidsclausule van artikel 10 van de RWN. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 juli 2003 in zaak nr. 200204721/1), heeft de minister bij de toepassing van artikel 10 van de RWN beoordelingsvrijheid waarvan de invulling primair tot zijn verantwoordelijkheid behoort. De enkele omstandigheid dat de echtgenote van [verzoeker] reeds geruime tijd in het bezit is van een Nederlands nationaal paspoort en hij naar Bosnië wil gaan om aldaar zijn traumatische ervaringen te verwerken, maakt niet dat de minister een bijzonder geval als bedoeld in artikel 10 van de RWN aanwezig had dienen te achten.

2.4. Gelet op het voorgaande wordt het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van 26 juli 2007 alsnog ongegrond verklaard.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 augustus 2008 in zaak nr. 07/1436;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Groeneweg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009

32-523.