Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ2664

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
200802097/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2008, kenmerk 08002787/33/10, heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Veere (hierna: de raad) bij besluit van 27 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied, 3e herziening".

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/65
Gst. 2009, 90

Uitspraak

200802097/1/R2.

Datum uitspraak: 15 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], beiden wonend te [woonplaats], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Heksenketel Veere B.V. en de commanditaire vennootschap De Heksenketel Veere C.V., beide gevestigd te Veere,

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2008, kenmerk 08002787/33/10, heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Veere (hierna: de raad) bij besluit van 27 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied, 3e herziening".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2008, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 maart 2008, [appellanten sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2008, en [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Heksenketel Veere B.V. en de commanditaire vennootschap De Heksenketel Veere C.V. (hierna: [appellanten sub 4]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2008, beroep ingesteld. [appellanten sub 3] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 20 mei 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de [maatschap] een nader stuk ingediend. Dit stuk is aan de andere partijen toegezonden.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad, [appellant sub 2] en [appellanten sub 4] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 april 2009, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. W. Krijger, werkzaam bij Krijger Advies, [appellanten sub 3], bijgestaan door [gemachtigde], [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door L. Caljouw, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting als partij gehoord de [maatschap], vertegenwoordigd door mr. M.J. Smaling, werkzaam bij Das Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door P.S. Kluijfhout en L.M. Louwerse, ambtenaren in dienst van de gemeente, en door C.A. Louws, werkzaam bij Adviesbureau RBOI.

2. Overwegingen

Intrekking

2.1. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van [appellanten sub 4] het beroep voor zover dat is ingediend door de besloten vennootschap De Heksenketel Veere B.V. ingetrokken.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.3. Met het plan wordt beoogd het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1999, zoals dat geldt na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Buitengebied, 2e herziening" uit 2006, op onderdelen te herzien. Het betreft met name het regelen van de mogelijkheden uit het Omgevingsplan Zeeland 2006-2012 (hierna: het omgevingsplan) met betrekking tot plattelandstoerisme en het aanpassen van de bestemmingsregeling voor landelijke kampeervormen. Tevens voorziet het plan in een actualisatie in verband met gewijzigd gebruik en verleende vrijstellingen.

Het college heeft het plan goedgekeurd.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.4. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1] te [plaats] en zijn beroep is gericht tegen de in het plan opgenomen bestemmingsregeling voor kleinschalig kamperen. Hij richt zich hierbij specifiek tegen de bestemmingsregeling van het tegenover zijn perceel gelegen perceel [locatie 2], die agrarische bedrijvigheid en kleinschalig kamperen toelaat. [appellant sub 1] voert aan dat deze camping niet voldoet aan de eisen van het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1999 en ook niet aan de eisen die in het plan zijn opgenomen voor nieuwe kleinschalige kampeerterreinen. Hij voert verder aan dat in het plan door de introductie van het begrip standplaats ten onrechte meer kampeermiddelen per kampeerterrein zijn toegestaan dan voorheen. Voorts zijn volgens [appellant sub 1] de voorziene uitbreidingsmogelijkheden onevenredig en is het onduidelijk waar binnen het bestemmingsvlak en op welke afstand van zijn bouwvlak sport- en spelactiviteiten en overige voorzieningen zijn toegestaan. Tevens is ten onrechte slechts voor nieuwe kampeerterreinen voorzien in een regeling voor regulering van overige voorzieningen bij een kleinschalig kampeerterrein. [appellant sub 1] betoogt verder dat de vereveningsbijdrage zou moeten worden gebruikt voor voorzieningen in de directe omgeving.

2.4.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat per kleinschalige camping een uitbreiding tot 25 eenheden mogelijk is wanneer tevens sprake is van een versterking van de omgevingskwaliteit. Een uitbreiding mag niet leiden tot beperkingen voor omliggende bedrijven en het mag niet gaan om permanente kampeermiddelen. Dit is volgens het college in overeenstemming met het omgevingsplan. De gehanteerde begrippen zijn in de planvoorschriften gedefinieerd. Volgens het omgevingsplan dient de vereveningsbijdrage juist te worden ingezet voor een versterking van de omgevingskwaliteiten. De afstand tussen een milieubelastende functie en een woning wordt bepaald ten opzichte van de gevel van de woning, aldus het college.

2.4.2. In de schriftelijke uiteenzetting heeft de raad naar voren gebracht dat de beleidsnota 'Kadernota/beleidsnota kleinschalig kamperen c.a. Veere 2008' (hierna: de beleidsnota) is vastgesteld. Het plan is op deze nota gebaseerd. In deze nota is onder meer het beleid vastgelegd voor de overgang van de vóór het jaar 2008 aanwezige minicampings. De mogelijkheid voor een uitbreiding tot 25 standplaatsen is volgens de raad niet onevenredig; ook voor reguliere kampeerterreinen bestaat de mogelijkheid tot een beperkte uitbreiding. Voorzieningen moeten bij voorkeur binnen bestaande bebouwing op het bouwvlak worden ondergebracht. Standplaatsen en spel- en speelvoorzieningen zijn zowel op als in aansluiting op het bouwvlak toegestaan. Bij nieuwvestiging van een minicamping moet een afstand van 50 meter tussen de gevel van een woning en de buitenste grens van het kleinschalig kampeerterrein worden aangehouden, aldus de raad.

2.4.3. De raad heeft bij het opstellen van het plan als uitgangspunt gehanteerd dat bestaande, legale, kleinschalige kampeerterreinen in het plan als zodanig worden bestemd. Hierbij heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de exploitatie van deze kampeerterreinen, gelet op de in het verleden verleende ontheffingen, niet in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1999 kan zijn begonnen. Op basis hiervan heeft de raad voorschriftenlijst 10 opgesteld, waarop alle kampeerterreinen zijn vermeld die met het plan als zodanig worden bestemd. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk. Voor de exploitatie van het kampeerterrein aan de [locatie 2] is tot en met 2007 ontheffing verleend. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat dit kampeerterrein binnen het uitgangspunt van de raad past. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden leiden.

Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat het kampeerterrein aan de [locatie 2] niet voldoet aan de in de het plan opgenomen voorwaarden voor nieuwvestiging van een kleinschalig kampeerterrein, overweegt de Afdeling dat het in dit geval een bestaand kampeerterrein betreft, dat daarom niet aan de voorwaarden voor nieuwvestiging behoeft te voldoen. Dit geldt ook voor de volgens [appellant sub 1] aan te houden afstand van 50 meter tussen de grens van het kampeerterrein en zijn bouwvlak.

Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat uit deze voorwaarde voor nieuwvestiging moet worden afgeleid dat de raad een kleinere afstand dan 50 meter niet aanvaardbaar acht, overweegt de Afdeling het volgende. Ter zitting is komen vast te staan dat een klein deel van het kampeerterrein, met daarop een gedeelte van het toiletgebouw en twee standplaatsen, zich binnen een afstand van 50 meter van de woning van [appellant sub 1] bevindt. Dienaangaande heeft de raad toegelicht dat het toiletgebouw conform een verleende bouwvergunning is opgericht, dat vanwege de nabijheid van de woning van [appellant sub 1] het parkeerterrein naar een verder weg gelegen plek is verplaatst en dat binnen de grenzen van het kampeerterrein een wal is gerealiseerd om hinder te voorkomen. Gelet hierop en op het feit dat het een bestaande situatie betreft, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant sub 1] door een afstand van iets minder dan 50 meter tussen het kampeerterrein en zijn woning niet onevenredig in zijn belangen wordt geschaad.

2.4.4. Het college heeft zich in redelijkheid met de raad op het standpunt kunnen stellen dat het wijzigen van het begrip 'kampeermiddel' in het begrip 'standplaats' een ondergeschikte wijziging van het plan betreft en dat dit niet dermate grote gevolgen voor het aantal op het kampeerterrein aanwezige personen heeft, dat het uitgangspunt van een kleinschalig kampeerterrein wordt verlaten. Hiertoe overweegt de Afdeling dat het plan weliswaar toelaat dat per standplaats drie kampeermiddelen worden geplaatst, maar dat tevens is bepaald dat in dat geval minimaal twee van de drie kampeermiddelen een maximale oppervlakte van zes vierkante meter mogen hebben. Voorts is in de planvoorschriften de maximale hoeveelheid standplaatsen per kleinschalig kampeerterrein vastgelegd.

2.4.5. Vaststaat dat het plan met de artikelen 33 tot en met 38 van de planvoorschriften voorziet in een wijziging en aanvulling van artikel 14 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1999 ten behoeve van bestaande kleinschalige kampeerterreinen. Hierbij is onder meer voorzien in het als zodanig bestemmen van de bestaande, legale kleinschalige kampeerterreinen met het feitelijk aanwezige aantal standplaatsen. Op grond van de planvoorschriften geldt voor andere bouwwerken ter plaatse van een kleinschalig kampeerterrein een maximale hoogte van drie meter. Voor sanitair en recreatieruimtes dienen bij voorkeur bestaande gebouwen te worden gebruikt, met een maximale oppervlakte van 100 m². Het oprichten van een nieuw gebouw buiten, maar wel aansluitend aan, het bouwvlak is slechts toegestaan wanneer is aangetoond dat de bestaande bebouwing niet voor deze doelen kan worden gebruikt en dat oprichting van het gebouw binnen het bouwvlak niet mogelijk is. Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bebouwingsmogelijkheden buiten het bouwvlak ten behoeve van bestaande kleinschalige kampeerterreinen in voldoende mate zijn beperkt.

2.4.6. Aangaande de betogen van [appellant sub 1] over de vereveningsbijdragen, de parkeervoorzieningen en de sport- en spelvoorzieningen overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] zich in het beroepschrift op deze punten beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de bedenkingen. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze bedenkingen. [appellant sub 1] heeft in zijn beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.4.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.5. [appellant sub 2] is eigenaar van de woning aan de [locatie 3] te [locatie] en zijn beroep richt zich tegen het plandeel dat betrekking heeft op deze gronden. [appellant sub 2] betoogt dat het plan zou moeten voorzien in de mogelijkheid de woning met nummer [locatie 3] permanent te bewonen. Hij voert hiertoe aan dat zijn ouders de woning met nummer [locatie 4] ook permanent bewonen. Voorts stelt hij dat een bestemmingsplan niet de juiste wijze is om de verschillende soorten bewoning te reguleren. [appellant sub 2] wijst hierbij op het feit dat voor andere delen van de gemeente een gebruiksverordening geldt die deze zaken regelt. [appellant sub 2] voert voorts aan dat een bestemming die alleen recreatief gebruik toelaat, zal leiden tot waardedaling van zijn woning.

2.5.1. Het college heeft met de raad naar voren gebracht dat het vorige plan ook voorzag in een recreatieve bestemming voor de woning van [appellant sub 2]. Voorts is de woning als recreatiewoning in gebruik. De door [appellant sub 2] genoemde gebruiksverordening is van toepassing op de kernen binnen de gemeente en heeft tot doel om de leefbaarheid van de kernen te behouden. Slechts enkele wijken waar van oudsher recreatief gebruik voorkomt, vallen niet onder de werking van de gebruiksverordening, aldus het college.

2.5.2. In de reactie op de zienswijze heeft de raad nog vermeld dat het in de toekomst mogelijk is om met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid de bestemming te wijzigen en permanente bewoning toe te laten. Hierbij dient dan een nadere afweging te worden gemaakt.

2.5.3. De Afdeling overweegt dat de raad op grond van planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen bestemmingen en voorschriften voor gronden kan vaststellen.

Uit artikel 10 van de WRO volgt dat de raad in een bestemmingsplan de bestemming van gronden kan aanwijzen en voorschriften kan geven omtrent het gebruik van deze gronden en de zich daarop bevindende opstallen. Gelet hierop is een bestemmingsplan een geschikte manier om het gebruik van woningen en recreatiewoningen te regelen.

Vaststaat dat de woning aan de [locatie 3] in het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1999 ook was bestemd als recreatiewoning. De raad is bij de voorbereiding van dat plan uitgegaan van de feitelijke situatie. Dit uitgangspunt heeft de raad ook bij onderhavig plan toegepast. Niet in geschil is dat de woning niet permanent wordt bewoond. Het gebruik is in overeenstemming met de huidige en de vorige bestemming. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid met de raad op het standpunt kunnen stellen dat de woning als een recreatiewoning moet worden aangemerkt. Bovendien bevat het plan de mogelijkheid om na afweging van de daarbij betrokken belangen de bestemming naar aanleiding van een verzoek van [appellant sub 2] met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid te wijzigen in een woonbestemming die permanente bewoning toelaat.

2.5.4. Ten aanzien van de door [appellant sub 2] gemaakte vergelijking met de woning aan de [locatie 4], die door zijn ouders permanent wordt bewoond, overweegt de Afdeling dat het plan voor die woning, net als voor de woning van [appellant sub 2], in een bestemming als recreatiewoning voorziet. Gelet hierop kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.

2.5.5. Aangaande het betoog van [appellant sub 2] dat het plan tot waardedaling van zijn woning zal leiden, overweegt de Afdeling dat het plan voor de woning van [appellant sub 2] geen waardedaling tot gevolg heeft, omdat het plan op dit punt in dezelfde bestemming voorziet als het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1999.

2.5.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 3]

2.6. [appellanten sub 3] wonen aan de [locatie 5] te [plaats]. Zij richten zich in beroep tegen het plandeel dat betrekking heeft op deze gronden. Zij voeren hiertoe aan dat de feitelijke situatie ten onrechte niet geheel als zodanig is bestemd. Voorts voeren zij aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de door hen gewenste mogelijkheden voor het omzetten van het agrarische bedrijf in een recreatiebedrijf. [appellanten sub 3] willen meer zomerwoningen en meer campingplaatsen realiseren. De gewenste ontwikkelingen passen volgens [appellanten sub 3] binnen het provinciaal beleid. Zij wijzen hierbij op het feit dat in het omgevingsplan twee beleidslijnen zijn vermeld voor ontwikkeling van verblijfsrecreatie in de kustzone. Eén van die beleidslijnen is gericht op de ontwikkelingsmogelijkheden voor bestaande recreatieve bedrijven, zoals dat van [appellanten sub 3]. Voorts ligt het perceel van [appellanten sub 3] in een recreatief concentratiegebied, waarop de tweede beleidslijn zich richt. Ook zijn er geen ruimtelijke bezwaren en zou er geen sprake zijn van nieuwvestiging omdat op het perceel al jaren een recreatiebedrijf wordt geëxploiteerd, aldus [appellanten sub 3].

2.6.1. De raad heeft naar voren gebracht dat in het kader van de tweede herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied" is toegezegd dat de ten tijde van de vaststelling van de tweede herziening aanwezige recreatieve bebouwing bij de derde herziening als zodanig zal worden bestemd. Op dat moment waren, blijkens informatie van henzelf, op het perceel van [appellanten sub 3] zeven appartementen aanwezig. Het realiseren van extra zomerwoningen bij een woning is volgens de raad in strijd met gemeentelijk en provinciaal beleid. Voor het realiseren van extra campingplaatsen zijn in het plan nadere voorwaarden opgenomen. Tevens is in de omgeving geen sprake van een gebiedsgerichte aanpak. Een bestemmingswijziging zoals verzocht door [appellanten sub 3], zou dan ook in strijd zijn met het omgevingsplan, aldus de raad.

2.6.2. Het bedrijf van [appellanten sub 3] ligt aan de [locatie 5] te [plaats]. Zij exploiteren een gemengd bedrijf, bestaande uit landbouw, een minicamping, verhuur van appartementen in de schuur en exploitatie van een parkeerplaats.

2.6.3. Op pagina 127 van het omgevingsplan is vermeld dat voor de verblijfsrecreatieve ontwikkeling in de kustzone twee beleidslijnen worden onderscheiden waarlangs de geschetste knelpunten via het ruimtelijke spoor kunnen worden aangepakt en ontwikkelingsmogelijkheden kunnen worden geboden:

1. plannen en initiatieven van bestaande ondernemers;

2. integrale projectmatige aanpak van complexe gebieden.

In de paragraaf 'Aanpak complexe gebieden' is vermeld dat in enkele kustgebieden niet kan worden volstaan met het stimuleren van bestaande bedrijven omdat de situatie daarvoor te complex is. In deze gebieden staat de provincie een integrale aanpak voor. Als onderdeel van de totaalaanpak is er ruimte voor nieuwe ondernemers, nieuwe initiatieven en nieuwe vormen van verblijfsrecreatie. Nieuwvestiging van recreatiebedrijven in de kustzone is dus alleen mogelijk als onderdeel van een integrale aanpak en indien deze bijdraagt aan het vernieuwingsproces en een versterking van het toeristische product ter plaatse.

2.6.4. [appellanten sub 3] exploiteren een agrarisch bedrijf met nevenactiviteiten. Niet in geschil is dat de gebouwen die ten tijde van het vaststellingsbesluit van de tweede herziening op 26 oktober 2006 op het perceel aanwezig waren en de bedrijfsonderdelen die op dat moment werden geëxploiteerd, in het plan als zodanig zijn bestemd. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het in het plan opnemen van de bestemming "Recreatie (R)" planologisch en feitelijk zou leiden tot nieuwvestiging van een zelfstandig recreatiebedrijf. De eerste beleidslijn uit het omgevingsplan is derhalve niet van toepassing. In aanmerking genomen dat van een integrale aanpak in de zin van voormelde tweede beleidslijn van het omgevingsplan geen sprake is en dat het omgevingsplan, zoals samengevat weergegeven onder 2.6.3., nieuwvestiging van een recreatiebedrijf in de kustzone slechts toelaat in het kader van een integrale aanpak, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat een recreatieve bestemming in strijd zou zijn met het omgevingsplan.

2.6.5. Volgens paragraaf 2.2. van de plantoelichting is op grond van het gemeentelijk beleid een aantal van zes appartementen acceptabel. Deze beleidsregel is ook vastgelegd in de planvoorschriften. De raad heeft in afwijking van dit beleid ten aanzien van de maximaal toegestane hoeveelheid appartementen en op grond van de toezegging aan en de verkregen informatie van [appellanten sub 3], ter plaatse van het perceel [locatie 5] zeven appartementen als zodanig in het plan bestemd. De Afdeling is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hiermee recht is gedaan aan de toezegging. Het gebruik van een gedeelte van de bedrijfswoning als recreatiewoning maakte geen onderdeel uit van deze toezegging en behoefde, mede gelet op het beleid, in redelijkheid niet als zodanig in het plan te worden bestemd.

2.6.6. Aangaande de door [appellanten sub 3] gewenste uitbreiding van het aantal standplaatsen voor de minicamping, overweegt de Afdeling dat het plan daartoe voldoende mogelijkheid biedt. Op grond van een concreet plan tot uitbreiding, waarbij aan de in het plan opgenomen voorwaarden zal moeten worden voldaan, heeft het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid een vergroting van de hoeveelheid standplaatsen toe te laten.

2.6.7. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 3] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 4]

2.7. De raad heeft ter zitting gesteld dat de beroepsgronden vermeld in het nader ingekomen stuk van [appellanten sub 4] van 16 april 2009 gedeeltelijk niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Hiertoe voert de raad aan dat in de onderbouwing gronden naar voren worden gebracht die niet eerder zijn aangevoerd. Voorts heeft het college ter zitting gesteld dat de beroepsgronden vermeld in het nader ingekomen stuk van [appellanten sub 4] van 16 april 2009 geheel buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat het late tijdstip van inzending van de nadere onderbouwing in strijd is met een goede procesorde. Dienaangaande overweegt de Afdeling het volgende.

[appellant sub 4A] en De Heksenketel C.V. hebben onder meer zienswijzen en bedenkingen ingebracht ten aanzien van het plan voor zover dat voorziet in een regeling voor nevenactiviteiten voor agrarische bedrijven. Het beroep van [appellanten sub 4] heeft onder meer betrekking op deze planologische regeling. Nadere argumenten ter onderbouwing van wat in de zienswijzen en bedenkingen naar voren is gebracht inzake de bestreden plandelen, voorschriften of aanduidingen kunnen in iedere fase van de procedure naar voren worden gebracht, tenzij een goede procesorde met zich brengt dat deze buiten beschouwing moeten worden gelaten. Voor dit laatste ziet de Afdeling in dit concrete geval geen aanleiding, nu de inhoud van de nadere onderbouwing niet dusdanig van aard is dat het voor de andere partijen onmogelijk is geweest daarop inhoudelijk te reageren.

Het beroep is dan ook geheel ontvankelijk.

2.8. [appellant sub 4A], de commanditaire vennootschap De Heksenketel Veere C.V. (hierna: De Heksenketel C.V.) en [appellant sub 4B] hebben in hun beroepschrift verwezen naar de inhoud van hun bedenkingen. In hun bedenkingen richten [appellant sub 4A] en De Heksenketel C.V. zich voornamelijk tegen de bestemming van het plandeel dat betrekking heeft op de [locatie 6] te [plaats]. Voorts voeren zij nog een aantal algemene beroepsgronden aan. [appellant sub 4B] stelt ook nog dat het plan had moeten voorzien in een plandeel dat betrekking heeft op de woningen aan de [locatie 7] en [locatie 8].

Algemene beroepsgronden

2.9. [appellant sub 4A] en De Heksenketel C.V. betogen dat het plan niet op juiste wijze ter inzage heeft gelegen, omdat de in de planvoorschriften voorgeschreven privaatrechtelijke overeenkomst niet met het plan ter inzage is gelegd. Voorts stellen zij dat het plan niet is opgesteld ter bevordering van een goede ruimtelijke ordening maar ter regulering van concurrentieverhoudingen en dat het plan daarom in strijd is met artikel 10 van de WRO. Hierbij wijzen [appellant sub 4A] en De Heksenketel C.V. op het feit dat de economische activiteiten die op grond van het plan kunnen worden ontplooid, feitelijk slechts door (voormalige) agrariërs kunnen worden gerealiseerd. Ook achten zij het onterecht dat bepaalde activiteiten slechts bedrijfsmatig mogen worden ontplooid.

2.9.1. Het college heeft zich aangesloten bij de beantwoording van de zienswijze door de raad en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de raad de mogelijkheden voor zogenoemde Nieuwe Economische Dragers terecht heeft gekoppeld aan agrarische bedrijven. In het omgevingsplan is het uitgangspunt voor dit beleid namelijk het versterken van de economische basis van het platteland, door agrarische ondernemers mogelijkheden te bieden hun bedrijf te verbreden, aldus het college.

2.9.2. De raad heeft naar voren gebracht dat het doel van de Nieuwe Economische Dragers is het versterken van de economische vitaliteit in combinatie met een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Investeren in omgevingskwaliteit is een eis die bij nieuwvestiging en uitbreiding gesteld moet worden. Deze eis wordt vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten, aldus de raad.

2.9.3. Over het betoog dat ten onrechte aan bepaalde ontwikkelingen die door middel van wijzigings- en vrijstellingsbevoegdheden mogelijk worden gemaakt, eisen zijn gesteld waaraan moet worden voldaan, waaronder het sluiten van een privaatrechtelijke overeenkomst, overweegt de Afdeling dat de WRO zich niet tegen die handelwijze verzet. Een dergelijke overeenkomst maakt geen onderdeel uit van het plan of de onderliggende stukken en wordt pas opgesteld bij de toepassing van een wijzigings- of vrijstellingsbevoegdheid. Hieruit volgt tevens dat een dergelijke overeenkomst niet met het plan ter inzage kan worden gelegd.

2.9.4. Volgens de plantoelichting heeft het plan onder meer tot doel het regelen van de mogelijkheden uit het omgevingsplan met betrekking tot plattelandstoerisme en het aanpassen van de bestemmingsregeling voor landelijke kampeervormen. Over de verblijfsrecreatieve Nieuwe Economische Dragers (hierna: NED's) is vermeld dat in het omgevingsplan ontwikkelingsmogelijkheden voor verscheidene kleinschalige vormen van verblijfsrecreatie zijn opgenomen. Gemeenten mogen ook andere functies als NED toelaten, wanneer de desbetreffende functie naar aard, schaal en gevolgen voor de omgeving vergelijkbaar is met de op de lijst genoemde functies. Bij plattelandstoerisme is het een voorwaarde dat ten behoeve van nieuwe initiatieven als tegenprestatie een investering moet worden gedaan in omgevingskwaliteit. Bij verblijfsrecreatieve NED's zal bedrijfsmatige exploitatie gegarandeerd moeten zijn. Hierbij zal de exploitant verantwoordelijk zijn voor het voorkomen van permanente bewoning. Deze beleidsregels uit het omgevingsplan zijn omgezet en in de wijzigings- en vrijstellingsbevoegdheden in het plan opgenomen.

2.9.5. De raad heeft uitgebreid uiteengezet, zoals samengevat weergegeven onder 2.9.4., wat het doel is van het plan. De Afdeling is van oordeel dat de raad voldoende heeft onderbouwd dat het plan is gebaseerd op ruimtelijke overwegingen en waarom bepaalde voorschriften zijn opgenomen. Hierbij heeft hij van belang kunnen achten dat het een plan voor het buitengebied van de gemeente betreft en dat zich in het buitengebied in het algemeen voornamelijk agrarische bedrijven bevinden. Dat het plan nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven mogelijk maakt ter ondersteuning van de economie in het buitengebied, heeft het college in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten. [appellant sub 4A] en De Heksenketel C.V. hebben niet aannemelijk gemaakt dat het plan is vastgesteld met het oogmerk concurrentieverhoudingen te reguleren. De stelling dat het plan in strijd is met het recht van de Europese Unie, hebben zij niet nader onderbouwd.

2.9.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4A] en De Heksenketel C.V. op dit punt hebben aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep [appellanten sub 4] is in zoverre ongegrond.

[locatie 6]

2.10. [appellant sub 4A] en De Heksenketel C.V. stellen dat ten onrechte alleen het bouwvlak voor de theetuin is bestemd in plaats van het gehele perceel. Voorts worden de bestaande exploitatiemogelijkheden door de aanduiding theetuin beperkt. Daarnaast zijn de bestaande bijgebouwen ten onrechte niet voor recreatiedoeleinden bestemd, aldus [appellant sub 4A] en De Heksenketel C.V..

2.10.1. Het college heeft zich aangesloten bij de beantwoording van de zienswijze door de raad en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de bestaande theeschenkerij in het plan als zodanig is bestemd. De nadere aanduiding is terecht alleen aan het bouwvlak toegekend, omdat buiten het bouwvlak geen gebouwen kunnen worden opgericht, aldus het college.

2.10.1.1. Wat betreft de bijgebouwen verwijst de raad naar de gevolgde procedure voor de tweede herziening. Uit het uitgevoerde onderzoek is toen gebleken dat drie bijgebouwen in gebruik waren als zomerhuis. Voor dit gebruik is geen vergunning verleend en het is in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied". De raad is voornemens het strijdige gebruik te beëindigen en heeft daarom de bijgebouwen niet voor verblijfsrecreatie bestemd. Voorts is het plan niet bedoeld om alle feitelijk aanwezige zomerhuizen als zodanig te bestemmen, aldus de raad.

2.10.1.2. Bij besluit van 26 juni 2007 heeft het college goedkeuring onthouden aan het gedeelte van het plandeel dat ziet op het bebouwingsvlak van het perceel [locatie 6]. Hierbij heeft het college geconstateerd dat voor het exploiteren van een theeschenkerij een vergunning op grond van de APV is verleend. Het exploiteren van een theeschenkerij was op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1999 toegestaan als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf. In de exploitatievergunning is opgenomen dat de theeschenkerij past in het bestemmingsplan. In de tweede herziening is een theeschenkerij niet meer direct toegestaan als neventak bij een agrarisch bedrijf. Omdat het een bestaande activiteit betreft die met het vorige plan in overeenstemming was, had deze volgens het college als zodanig moeten worden bestemd.

2.10.1.3. Het plan voorziet voor het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 6] in een plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" met de subbestemming 'landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwetenschappelijke waarden (ln)' en de nadere aanwijzing 'theeschenkerij (th)'.

Op grond van artikel 1, lid 53, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is een theeschenkerij een nieuwe economische drager waar uitsluitend niet-alcoholische dranken en daarbij behorende etenswaren mogen worden verstrekt.

Op grond van artikel 14, eerste lid, onder x, van de planvoorschriften, mag het totale oppervlak voor bezoekers van de theeschenkerij maximaal 150 m² op een bouwperceel bedragen.

2.10.1.4. Vaststaat dat de theeschenkerij een activiteit in de open lucht betreft waarvoor een terras is aangelegd. Dit terras bevindt zich geheel binnen het bouwvlak. Wat betreft de maximale oppervlakte van 150 m² heeft de raad aangesloten bij de regeling voor NED's. Ter zitting is gebleken dat het bouwvlak voldoende ruimte biedt voor een theeschenkerij van 150 m². Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan alleen voor het bouwvlak in een nadere aanduiding voor de theeschenkerij behoefde te voorzien en dat door de beperking van de oppervlakte tot 150 m² [appellant sub 4A] en De Heksenketel C.V. niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Voor de stelling van [appellant sub 4A] en De Heksenketel C.V. dat zij, hoewel het een bestaande activiteit betreft, nu ook aan alle overige eisen voor NED's moeten voldoen, ziet de Afdeling in het plan geen aanknopingspunten.

Over de verkoop van (zwak-)alcoholische dranken bij de theeschenkerij overweegt de Afdeling dat aan de raad in beginsel de bevoegdheid toekomt in een bestemmingsplan het gebruik van gronden en gebouwen te reguleren. Deze bevoegdheid dient te worden uitgeoefend ter behartiging van het belang van een goede ruimtelijke ordening en dient derhalve gestoeld te zijn op ruimtelijk relevante overwegingen en criteria. Nu het plan voorziet in de mogelijkheid op het betrokken perceel een theeschenkerij te exploiteren, valt naar het oordeel van de Afdeling niet in te zien welk onderscheid daarbij vanuit ruimtelijk oogpunt bestaat tussen het schenken van alcoholische dranken en het schenken van niet-alcoholische dranken.

De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4A] en De Heksenketel C.V. hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de zinsneden 'uitsluitend niet-alcoholische' en 'daarbij behorende' in artikel 1, lid 53, van de planvoorschriften in zoverre niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 4A] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient op dit punt te worden vernietigd.

Voorts ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan de zinsneden 'uitsluitend niet-alcoholische' en 'daarbij behorende' in artikel 1, lid 53, van de planvoorschriften.

2.10.2. De Afdeling stelt met betrekking tot de bijgebouwen vast dat het college bij zijn besluit van 26 juni 2007 omtrent het bestemmingsplan "Buitengebied, 2e herziening" goedkeuring heeft onthouden aan artikel 13C van de planvoorschriften, omdat het planvoorschrift de verwezenlijking van zomerhuizen mogelijk maakt op plaatsen waar op grond van het provinciale beleid geen nieuwbouw van reguliere woningen mogelijk is. Het planvoorschrift voorzag in de mogelijkheid om per bouwperceel één bijgebouw voor recreatief nachtverblijf aan te merken.

2.10.2.1. In haar uitspraak van 8 oktober 2008, in zaak no. 200706103/1, heeft de Afdeling het volgende overwogen:

"2.24.6. Dienaangaande stelt de Afdeling vast dat het college goedkeuring heeft onthouden aan artikel 13C van de planvoorschriften wegens strijd met het rijksbeleid in samenhang met het provinciale beleid. In het door [appellant sub 4A] en De Heksenketel Veere C.V. aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college het bestaande gebruik van drie bijgebouwen als zomerhuis op het perceel [locatie 6] had dienen uit te zonderen van de onthouding van goedkeuring. […]"

2.10.2.2. Ter zitting is komen vast te staan dat de drie in geschil zijnde gebouwen legaal zijn opgericht voor gebruik als garage en/of berging. De raad heeft onweersproken gesteld dat deze bijgebouwen zonder vergunning zijn verbouwd ten behoeve van het gebruik als recreatiewoning. [appellant sub 4A] en De Heksenketel C.V. zijn volgens de raad door middel van een aanschrijving op de hoogte gesteld van het feit dat de interne verbouwingen van de bijgebouwen en het gebruik als recreatiewoning in strijd zijn met het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1999. Gelet hierop en op het feit dat volgens de raad het college van burgemeester en wethouders het voornemen heeft de strijdige situatie binnen de planperiode te beëindigen, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de op het perceel aanwezige bijgebouwen niet als recreatiewoning behoefden te worden bestemd.

Het beroep van [appellanten sub 4] is in zoverre ongegrond.

2.10.3. Tevens stellen [appellant sub 4A] en De Heksenketel C.V. dat de op het perceel aanwezige minicamping ten onrechte van voorschriftenlijst 10 is verwijderd, omdat over deze minicamping nog diverse juridische procedures aanhangig zijn. Het wordt door het plan onmogelijk om in de toekomst de minicamping weer op te starten, omdat dit afhankelijk is gemaakt van de aanwezigheid van een reëel agrarisch bedrijf en minimaal 1 hectare aangrenzende agrarische gronden, aldus [appellant sub 4A] en De Heksenketel C.V..

2.10.3.1. Het college stelt dat de raad naar voren heeft gebracht dat de desbetreffende minicamping niet aan de eisen voldoet en het gebruik als zodanig derhalve zal worden beëindigd. Gelet hierop behoefde de raad de minicamping niet als zodanig te bestemmen, aldus het college.

2.10.3.2. Over de minicamping heeft de raad vermeld dat deze niet op voorschriftenlijst 10 is geplaatst, omdat de camping niet voldoet aan de in het bestemmingsplan "Buitengebied" gestelde voorwaarde dat ter plaatse een reëel agrarisch bedrijf wordt geëxploiteerd. De verleende ontheffing is niet verlengd en daarom bestaat volgens de raad geen aanleiding om op het perceel kleinschalig kamperen toe te laten. Het beleid ten aanzien van kleinschalig kamperen is voldoende onderbouwd, aldus de raad.

2.10.3.3. Bij besluit van 4 april 2006 is aan [appellant sub 4A] ontheffing verleend voor het houden van een kampeerterrein ten behoeve van het plaatsen van 5 kampeermiddelen voor de periode van 15 maart tot 1 november gedurende de jaren 2006 en 2007.

Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere ontheffing voor uitbreiding van de minicamping geweigerd. In het besluit is vermeld dat de minicamping niet voldoet aan de voorwaarden voor nieuwvestiging, omdat geen sprake is van een reëel agrarisch bedrijf. Tevens is vermeld dat de minicamping daarom niet als zodanig zal worden bestemd in de derde herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied".

2.10.3.4. Zoals reeds onder 2.4.3. is overwogen, acht de Afdeling het uitgangspunt van de raad waarop voorschriftenlijst 10 is gebaseerd, niet onredelijk. Als uitgangspunt heeft de raad gehanteerd dat bestaande, legale, kleinschalige kampeerterreinen in het plan als zodanig worden bestemd. Hierbij heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de exploitatie van deze kampeerterreinen, gelet op de in het verleden verleende ontheffingen, niet in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1999 kan zijn begonnen. Op basis hiervan heeft de raad voorschriftenlijst 10 opgesteld, waarop alle kampeerterreinen zijn vermeld die met het plan als zodanig worden bestemd.

Vaststaat dat bij besluit van 4 april 2006 aan [appellant sub 4A] ontheffing is verleend voor het houden van een kampeerterrein ten behoeve van het plaatsen van 5 kampeermiddelen voor de periode van 15 maart tot 1 november gedurende de jaren 2006 en 2007. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het kleinschalige kampeerterrein van [appellant sub 4A] binnen het door de raad gehanteerde uitgangspunt past. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom voor het kampeerterrein van [appellant sub 4A] een uitzondering is gemaakt op dit uitgangspunt.

2.10.3.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4A] en De Heksenketel C.V. op dit punt hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering.

Het beroep van [appellanten sub 4] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient op dit punt wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.10.4. [appellant sub 4A] heeft voorts naar voren gebracht dat het dubbele woonhuis ten onrechte niet als twee woningen is bestemd.

2.10.4.1. Over deze woning aan de [locatie 6] overweegt de Afdeling dat de raad erop heeft gewezen dat in het verleden bouwvergunning is verleend voor het vernieuwen en vergroten van één woning. Ook bestaat gelet op de bedrijfsvoering geen noodzaak voor een tweede woning, aldus de raad. Niet in geschil is dat alle verblijfsruimtes in de woning onderling met elkaar zijn verbonden. In paragraaf 5.5 van het omgevingsplan is vermeld dat een tweede bedrijfswoning alleen mogelijk is, wanneer de noodzaak hiervoor vanuit het oogpunt van de bedrijfsvoering en bedrijfsomvang kan worden aangetoond. Volgens het omgevingsplan moet dan ook ondubbelzinnig komen vast te staan dat vestiging in de nabijgelegen woonkern geen optie is. [appellant sub 4A] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een noodzaak voor een tweede bedrijfswoning bestaat. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet behoefde te voorzien in een bestemming voor twee woningen op het perceel.

Het beroep van [appellanten sub 4] is in zoverre ongegrond.

[locatie 7] en [locatie 8]

2.11. [appellant sub 4B] betoogt dat het plan voor de gronden aan de [locatie 7] en [locatie 8] ten onrechte niet voorziet in de aanduiding 'voormalig agrarisch bedrijf (vab)'. Hiertoe voert zij aan dat de op deze percelen aanwezige woningen zijn ontstaan uit de vroegere agrarische bedrijfsvoering.

2.11.1. [appellant sub 4B] heeft zich in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de bedenkingen. In de bedenkingen is op dit punt enkel verwezen naar de inhoud van de zienswijze.

In de overwegingen van het bestreden besluit en het vaststellingsbesluit is ingegaan op deze bedenkingen en zienswijze. [appellant sub 4B] heeft in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerleggingen van de desbetreffende bedenkingen en zienswijze in het bestreden besluit en het vaststellingsbesluit onjuist zouden zijn.

2.11.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4B] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 4] is ook in zoverre ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.12. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding. Ten aanzien van [appellanten sub 4] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] en de commanditaire vennootschap De Heksenketel Veere C.V. gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zeeland van 29 januari 2008, kenmerk 08002787/33/10, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

a. de zinsneden 'uitsluitend niet-alcoholische' en 'daarbij behorende' in artikel 1, lid 53, van de planvoorschriften,

b. voorschriftenlijst 10: kleinschalige kampeerterreinen (Lijst met bestaande ontheffingen kleinschalige kampeerterreinen in de gemeente Veere);

III. onthoudt goedkeuring aan de zinsneden 'uitsluitend niet-alcoholische' en 'daarbij behorende' in artikel 1, lid 53, van de planvoorschriften;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 29 januari 2008 voor zover het betreft het onder III genoemde planonderdeel;

V. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] geheel, en het beroep van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] en de commanditaire vennootschap De Heksenketel Veere C.V. voor het overige, ongegrond;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zeeland aan [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] en de commanditaire vennootschap De Heksenketel Veere C.V. het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. J.G.C. Wiebenga, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Langeveld

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009

317-545.