Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ2656

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
200807929/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 november 2003, kenmerk 4EC5083, heeft het Bureau Rechtsbijstandvoorziening van de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam (hierna: het Bureau Rechtsbijstandvoorziening) de aanvraag om toevoeging van [appellant a] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807929/1/H2.

Datum uitspraak: 15 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 oktober 2008 in zaken nrs. 04/3194, 04/3196 en 04/3197 in het geding tussen:

[appellanten]

en

de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2003, kenmerk 4EC5083, heeft het Bureau Rechtsbijstandvoorziening van de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam (hierna: het Bureau Rechtsbijstandvoorziening) de aanvraag om toevoeging van [appellant a] afgewezen.

Bij besluit van 5 november 2003, kenmerk 4EG9480, heeft het Bureau Rechtsbijstandvoorziening de aanvraag om toevoeging van [appellant b] afgewezen.

Bij onderscheiden besluiten van 21 juni 2004 heeft de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam (hierna: de Raad) de door [appellanten] tegen de besluiten van 3 onderscheidenlijk 5 november 2003 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 oktober 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, de door [appellanten] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 21 juni 2004 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State op 29 oktober 2008 per fax ingekomen, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 26 november 2008.

De Raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2009, waar [appellant a], bijgestaan door mr. J.C.R. de Lyon, is verschenen.

Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling het onderzoek ter zitting geschorst teneinde de Raad de gelegenheid te geven schriftelijk te reageren op hetgeen van de zijde van [appellanten] ter zitting naar voren is gebracht. Bij brief van 26 mei 2009 heeft de Raad een schriftelijke reactie ingediend. Bij brief van 2 juni 2009 hebben [appellanten] hierop een reactie ingediend.

Met toestemming van partijen is ingevolge artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb afgezien van een nadere zitting.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb), zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, wordt rechtsbijstand niet verleend indien het rechtsbelang, waarop het verzoek betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij voortzetting van het beroep of bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de verzochte rechtsbijstand.

2.2. Bij besluiten van 3 en 5 november 2003 heeft het Bureau Rechtsbijstandvoorziening de aanvragen van [appellant a] onderscheidenlijk [appellant b] om toevoeging ter zake van hoger beroep loonvordering/bestuurdersaansprakelijkheid afgewezen omdat de draagkracht de bij wet vastgestelde financiële grenzen overschrijdt.

Bij besluiten van 21 juni 2004 heeft de Raad die besluiten onder wijziging van de grondslag gehandhaafd. De Raad heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat het rechtsbelang, waarop de verzoeken betrekking hebben, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, nu het gaat om de aansprakelijkstelling van [appellanten] in de hoedanigheid van statutair bestuurders van een tweetal inmiddels ontbonden besloten vennootschappen. De aanvragen dienden daarom te worden getoetst aan het bepaalde in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb, aldus de Raad. Nu de bedrijfsactiviteiten feitelijk zijn gestaakt, is volgens de Raad de in die bepaling genoemde uitzonderingssituatie, het zogenoemde voortbestaanscriterium, niet van toepassing.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover thans van belang, heeft de rechtbank de besluiten van 21 juni 2004 vernietigd, omdat [appellanten] door de grondslagwijziging zijn overvallen en die besluiten daarom op onzorgvuldige wijze zijn voorbereid. De rechtbank heeft vervolgens de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand gelaten, omdat de Raad op goede gronden heeft geweigerd toevoegingen aan [appellanten] af te geven.

2.4. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 21 juni 2004 in stand blijven.

[appellanten] betogen allereerst dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat zij als privé personen een rechtstreeks belang hebben bij verlening van een toevoeging, aangezien zij als bestuurders en vereffenaars van de besloten vennootschap Zohar Foods B.V. (hierna: Zohar Foods) onderscheidenlijk de besloten vennootschap Confetti Food B.V. (hierna: Confetti Food) als privé personen aansprakelijk zijn gesteld en zij als privé personen aanvragen om toevoeging hebben ingediend.

2.4.1. Voor zover [appellanten] aldus beogen te betogen dat artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb in dit geval niet van toepassing is, faalt dit betoog. De geschillen waarvoor door [appellanten] toevoegingen zijn aangevraagd, hebben betrekking op vorderingen achterstallig loon uit ten behoeve van Zohar Foods en Confetti Food gesloten arbeidsovereenkomsten. Hieruit vloeit voort dat de gevraagde rechtsbijstand nauw samenhangt met de voormalige bedrijfsmatige activiteiten van Zohar Foods en Confetti Food. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de rechtsbelangen van [appellanten] de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreffen. Dat [appellanten] als privé personen zijn aangesproken in verband met door hen voor Zohar Foods en Confetti Food aangegane arbeidsovereenkomsten, kan niet tot een ander oordeel leiden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2000 in zaak nr. 200001183/1 volgt immers dat sprake is van een rechtsbelang dat voortvloeit uit een niet langer uitgeoefend zelfstandig beroep of bedrijf in het geval waarin degene die om een toevoeging heeft verzocht, als privé persoon is aangesproken in verband met door hem voor de voormalige rechtspersoon aangegane overeenkomsten.

2.5. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de uitzondering als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb geen toepassing vindt, omdat zij niet hebben bestreden dat het voortbestaan van hun bedrijven niet afhangt van het resultaat van de verzochte rechtsbijstand. Hiertoe voeren zij aan dat zij in hun aanvullende beroepschriften van 6 januari 2005 de door de Raad aan die bepaling gegeven uitleg hebben bestreden. Voorts voeren zij aan dat Zohar Foods en Confetti Food weliswaar zijn ontbonden, maar niet zijn opgehouden te bestaan en dat indien de loonvorderingen worden toegewezen, de lasten groter zullen zijn dan de baten, zodat het voortbestaan van de bedrijven afhankelijk is van het resultaat van de verzochte rechtsbijstand.

2.5.1. In de aanvullende beroepschriften van 6 januari 2005 betogen [appellanten] uitsluitend dat het te ver voert om het risico van aansprakelijkheid als bestuurders van Zohar Foods en Confetti Food gelijk te stellen aan belangen die voortvloeien uit de uitoefening van een beroep of bedrijf, nu het ondernemersrisico bij deze besloten vennootschappen ligt en niet bij haar bestuurders. Zij betwisten hiermee uitsluitend het standpunt van de Raad dat de geschillen waarvoor toevoegingen zijn aangevraagd, betrekking hebben op de uitoefening van een beroep of bedrijf. Het in hun aanvullende beroepschriften gevoerde betoog kan dan ook niet als een beroep op de uitzondering als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb worden begrepen. Voor het oordeel dat de rechtbank de beroepen van [appellanten] te beperkt heeft opgevat, bestaat geen grond.

[appellanten] hebben zich derhalve eerst in hoger beroep op de hiervoor genoemde uitzondering beroepen. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom [appellanten] deze grond niet reeds voor de rechtbank hadden kunnen aanvoeren en zij dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen hadden behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.6. [appellanten] betogen ten slotte dat de rechtbank hun beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte niet heeft gehonoreerd. De rechtbank heeft volgens hen ten onrechte overwogen dat de meeste gevallen waarop zij zich hebben beroepen, dateren van na de op 1 mei 2004 in werking getreden Wet van 4 december 2003 tot wijziging van de Wrb naar aanleiding van de evaluatie van de Wrb alsmede aanpassing van de Wrb aan de Awb (de zogenoemde veegwet). Zij voeren hiertoe aan dat vóór de inwerkingtreding van de veegwet aan hen in vergelijkbare zaken toevoegingen zijn verleend, onder meer de door de Raad aan [appellant b] verleende toevoeging met nummer 4CT6444. De rechtbank heeft volgens hen dan ook ten onrechte overwogen dat het geval waarin een toevoeging is verleend, berust op een eenmalige fout.

2.6.1. Ter zitting van de Afdeling is van de zijde van [appellanten] naar voren gebracht dat vóór de inwerkingtreding van de Veegwet, naast de aan [appellant b] verleende toevoeging met nummer 4CT6444, door de Raad tevens toevoegingen zijn verleend aan [appellant a]. Deze toevoegingen zijn ter zitting overgelegd. Het betreft een op 7 februari 2000 aangevraagde en op 16 juni 2000 afgegeven toevoeging met nummer 4CT6445 en een op 5 augustus 2002 aangevraagde en op 19 november 2002 afgegeven toevoeging met nummer 4DU6824. Alle toevoegingen zijn afgegeven voor een procedure omtrent loonvordering en bestuurdersaansprakelijkheid.

Bij brief van 26 mei 2009 heeft de Raad bevestigd dat de door [appellanten] overgelegde toevoegingen door hem zijn verstrekt en vóór de inwerkingtreding van de Veegwet waren aangevraagd. Voorts stelt de Raad in die brief dat vóór de inwerkingtreding van de Veegwet in bijzondere situaties werd afgeweken van het bepaalde in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb, in die zin dat in een geschil dat betrekking had op de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf bij wijze van uitzondering toch een toevoeging werd afgegeven. Voor de beoordeling of zich een dergelijke bijzondere situatie voordeed, achtte de Raad een aantal criteria van belang, te weten de hoogte van de vordering in relatie tot het inkomen, de vraag of rechtzoekende eiser of verweerder is, de vraag of verplichte procesbijstand benodigd is en het inkomen. Anders dan de in geding zijnde toevoegingsaanvragen ging het volgens de Raad bij de hiervoor genoemde toevoegingen om een dergelijke bijzondere situatie.

Bij brief van 2 juni 2009 hebben [appellanten] in reactie op de brief van de Raad van 26 mei 2009 gesteld dat de in geding zijnde toevoegingsaanvragen evenzeer aan de in die brief genoemde criteria voldoen en betrekking hebben op de voortzetting van hetzelfde geschil waarvoor de toevoegingen met nummers 4CT6444 en 4CT6445 zijn afgegeven.

Uit het voorgaande volgt dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de door de Raad verleende toevoegingen waarop [appellanten] in het kader van hun beroep op het gelijkheidsbeginsel hebben gewezen, dateren van vóór de inwerkingtreding van de Veegwet. Met het in de brief van 26 mei 2009 gestelde heeft de Raad onvoldoende gemotiveerd dat de in geding zijnde toevoegingsaanvragen niet vergelijkbaar zijn met de door [appellanten] genoemde gevallen. De door de Raad kennelijk gehanteerde criteria bij de beoordeling of in een geschil dat betrekking heeft op de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf bij wijze van uitzondering een toevoeging kan worden verleend, zijn in die brief slechts in algemene bewoordingen gesteld. Voorts heeft de Raad niet gemotiveerd waarom de in geding zijnde toevoegingsaanvragen geen bijzondere situatie betreffen. De rechtbank is derhalve ten onrechte tot het oordeel gekomen dat geen geslaagd beroep kan worden gedaan op schending van het gelijkheidsbeginsel. De motivering voor een dergelijk oordeel schiet tekort. Het betoog slaagt.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover aangevallen. De Raad dient nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in 2.6.1 is overwogen.

2.8. De Raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 oktober 2008 in zaken nrs. 04/3194, 04/3196 en 04/3197, voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten van de vernietigde besluiten van 21 juni 2004 waarbij de besluiten van 3 november 2003, kenmerk 4EC5083, en 5 november 2003, kenmerk 4EG9480, waren gehandhaafd;

III. bepaalt dat de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam nieuwe besluiten op bezwaar neemt;

IV. veroordeelt de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam tot vergoeding van bij [appelanten] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 666,99 (zegge: zeshonderdzesenzestig euro en negenennegentig eurocent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. gelast dat de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Kessels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009

505.