Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ2643

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
200806415/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Flevoland (hierna: het college) een melding als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer geaccepteerd van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Afvalzorg Deponie B.V. (hierna: vergunninghoudster) voor de productie van boomsubstraat binnen de inrichting aan de Zeeasterweg 40 te Lelystad.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2009/66 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2009/665
M en R 2009, 56K
Milieurecht Totaal 2009/1118

Uitspraak

200806415/1/M1.

Datum uitspraak: 15 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Flevoland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Flevoland (hierna: het college) een melding als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer geaccepteerd van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Afvalzorg Deponie B.V. (hierna: vergunninghoudster) voor de productie van boomsubstraat binnen de inrichting aan de Zeeasterweg 40 te Lelystad.

Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het college het door de [maatschap] hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 23 januari 2008 van een nadere motivering voorzien en dit besluit voor het overige in stand gelaten.

Tegen dit besluit heeft [appellant], die maat is van genoemde maatschap, bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 16 september 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2009, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door C.A.I. Eringfeld en M.J.M. van Schaick, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door ir. A. de Wit, adviseur milieu en ruimtelijke ordening.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

2.2. Bij besluit van 2 april 2002, voor zover hier van belang, is aan vergunninghoudster een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een afvalverwerkingsinrichting.

2.3. [appellant] voert aan dat het college geen objectief onderzoek heeft gedaan naar de te verwachten geur van de productie van boomsubstraat. Volgens [appellant] heeft het college alleen op grond van de waarneming van één van zijn ambtenaren bij een soortgelijke inrichting aangenomen dat de productie van boomsubstraat geen geurhinder veroorzaakt. [appellant] stelt dat hij wel degelijk geurhinder ondervindt.

2.3.1. Het college voert aan dat de te verwachten geur van de productie van boomsubstraat niet alleen is gebaseerd op de waarneming van één van zijn ambtenaren. Het college stelt dat de bevindingen zijn gebaseerd op de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: NeR) en dat één van zijn ambtenaren, ter toetsing van de conclusies die uit de NeR kunnen worden getrokken, een bezoek heeft gebracht aan een inrichting waar al boomsubstraat wordt geproduceerd en dat deze ambtenaar die conclusies onderschrijft. Volgens het college kan uit de NeR de conclusie worden getrokken dat ten gevolge van de productie van boomsubstraat geen geuremissie plaatsvindt.

2.3.2. Uit de melding blijkt dat voor de productie van boomsubstraat gebruik wordt gemaakt van gecertificeerde groencompost, lavastenen en schoon zand.

In de bijzondere regeling G4 van de NeR is aangegeven dat bij de opslag van compost de geur nihil is. Uit het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak volgt dat de geuremissie van gecertificeerde groencompost minder dan 106 ge/m3 bedraagt en dat een dergelijke geuremissie aangemerkt wordt als niet geurrelevant. Voorts volgt uit het deskundigenbericht dat lavastenen en schoon zand geen geur van zichzelf hebben. Gelet op het vorenstaande hoefde het college naar het oordeel van de Afdeling niet meer of ander onderzoek te verrichten naar de geurbelasting vanwege de productie van boomsubstraat. Voorts ziet de Afdeling in het vorenstaande geen aanleiding voor het oordeel dat de gemelde verandering leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken.

Deze beroepsgrond faalt.

2.4. [appellant] betoogt dat het college de gemelde verandering ten onrechte niet aan het Landelijk afvalbeheersplan heeft getoetst. Volgens [appellant] is groencompost een afvalstof. Hij wijst daarbij onder meer op de negatieve waarde die groencompost volgens hem heeft.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat groencompost geen afvalstof is en dat toetsing aan het Landelijk afvalbeheersplan om die reden niet aan de orde is.

2.4.2. In artikel 10.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat ieder bestuursorgaan rekening houdt met het geldende afvalbeheersplan bij het uitoefenen van een bevoegdheid krachtens deze wet, voor zover de bevoegdheid wordt uitgeoefend met betrekking tot afvalstoffen.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder afvalstoffen verstaan: alle stoffen, preparaten of producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage 1 bij richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Groencompost is een beoogd product uit het composteringsproces van groenafval. Uit de melding blijkt bovendien dat de als grondstof te gebruiken groencompost een gecertificeerd product is. Voorts acht de Afdeling het op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk dat er voor de te gebruiken groencompost een afzetmarkt is. De door [appellant] ingediende nadere stukken bieden onvoldoende aanknopingspunten om van het tegendeel uit te gaan. De hiervoor genoemde omstandigheden vormen voldoende aanwijzingen dat degene van wie vergunninghoudster de groencompost betrekt, zich niet daarvan ontdoet en dat de groencompost dan ook geen afvalstof is. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college rekening had dienen te houden met het geldende afvalbeheersplan.

Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Lap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009

288-625.