Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ2641

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
200806461/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Helder (hierna: het college), voor zover van belang, het verzoek van [appellant A] om verwijdering van de huwelijksgegevens op de persoonslijst van [appellant B] in de basisadministratie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2009/193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806461/1/H3.

Datum uitspraak: 15 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 11 juli 2008 in zaak nrs. 08/696 en 08/2076 in het geding tussen:

[appellant A]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Helder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Helder (hierna: het college), voor zover van belang, het verzoek van [appellant A] om verwijdering van de huwelijksgegevens op de persoonslijst van [appellant B] in de basisadministratie afgewezen.

Het college heeft ingestemd met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en heeft het tegen voornoemd besluit ingediende bezwaarschrift overeenkomstig artikel 7:1a, vijfde lid, van die wet doorgezonden naar de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank). Bij uitspraak van 11 juli 2008, verzonden op 14 juli 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het tot beroep getransformeerde bezwaar van [appellant A] ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2009, waar [appellant A], bijgestaan door mr. J.C. Sneep, advocaat te Den Helder, is verschenen.

2. Overwegingen

Het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant B]

2.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een op bezwaar of in administratief beroep genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt of administratief beroep te hebben ingesteld tegen het oorspronkelijke besluit. Op grond van artikel 6:24, eerste lid, van de Awb is deze bepaling in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.

2.1.1. In de aangevallen uitspraak is door de voorzieningenrechter beslist op het verzoek van [appellant A] tot het treffen van een voorlopige voorziening en, met toepassing van artikel 8:86 van de Awb, op het tot beroep getransformeerde bezwaar van [appellant A]. Het feit dat de voorzieningenrechter toepassing heeft gegeven aan artikel 8:86 van de Awb sluit uit dat in deze uitspraak tevens werd geoordeeld over een eventueel bezwaar dan wel beroep van [appellant B]. Voorts zijn voor de behandeling van de zaak ter zitting bij de voorzieningenrechter alleen [appellant A] en het college uitgenodigd. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de voorzieningenrechter blijkt dat de gemachtigde, die namens beiden de gronden van het tot beroep getransformeerde bezwaar heeft aangevuld, ter zitting hierop niet is ingegaan en de afwezigheid van [appellant B] niet aan de orde heeft gesteld.

De voorzieningrechter heeft, gelet op het vorenstaande, in de aangevallen uitspraak terecht alleen [appellant A] als verzoeker/eiser in eerste aanleg aangemerkt, zodat het hoger beroep tegen deze uitspraak slechts kan worden ontvangen voor zover dit is ingesteld door [appellant A]. Het hoger beroep voor zover dit is ingesteld door [appellant B] dient op grond van artikel 6:13 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant A]

2.2. Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: Wet GBA) voldoet het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

2.3. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het college terecht heeft geweigerd de huwelijksgegevens op de persoonslijst van [appellant B] in de basisadministratie te verwijderen, aangezien [appellant A] er niet in is geslaagd aan te tonen dat de in 2001 verstrekte gegevens ter zake van een tussen hem en [appellant B] op 17 augustus 1989 in de gemeente [plaats] te Portugal gesloten huwelijk feitelijk onjuist zijn.

2.4. [appellant A] bestrijdt dit oordeel van de voorzieningenrechter. Hij betoogt dat het college gehouden was de huwelijksgegevens op de persoonslijst van [appellant B] in de basisadministratie te verwijderen, aangezien thans niet meer kan worden vastgesteld of er een rechtsgeldig huwelijk tot stand is gekomen tussen hem en [appellant B] en op basis van welke gegevens en documenten dit huwelijk destijds op beide persoonslijsten is geregistreerd. Gelet op het feit dat het college hiertoe niet is overgegaan, en het de gemeente Swalmen, thans Roermond, die na grondig onderzoek heeft besloten de huwelijksgegevens van de persoonslijst van [appellant A] te verwijderen, niet volgt, heeft het college onbehoorlijk gehandeld, aldus [appellant A].

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 juni 2004 in zaak nr. 200305481/1) is het doel van de Wet GBA dat gegevens in de basisadministratie zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Om dat doel te bereiken voorziet de Wet GBA in procedurele bepalingen die zorgvuldig gevolgd moeten worden bij het registreren van gegevens in de basisadministratie. Voor het verwijderen van eenmaal in de basisadministratie opgenomen gegevens zal, gelet op het systeem van de Wet GBA, onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn.

Het is in dit geval aan [appellant A] om aan te tonen dat de op de persoonslijst van [appellant B] in de basisadministratie opgenomen huwelijksgegevens feitelijk onjuist zijn. [appellant A] is daar niet in geslaagd.

Met de voorzieningenrechter wordt overwogen dat de registratie van het huwelijk in de basisadministratie heeft plaatsgevonden op grond van het in Portugal opgemaakte internationaal meertalig uittreksel uit het huwelijksregister van 4 december 2000 dat is voorzien van een apostille. Daarbij werd beschikt over een kopie van de huwelijksakte. Dat thans niet meer zou kunnen worden vastgesteld of dit huwelijk rechtsgeldig is, zoals [appellant A] stelt, kan, wat daar ook van zij, niet leiden tot de conclusie dat de registratie van het tussen [appellant A] en [appellant B] op 17 augustus 1989 in de gemeente [plaats] te Portugal gesloten huwelijk in de basisadministratie niet had mogen plaatsvinden. Met de voorzieningenrechter wordt overwogen dat niet is aangetoond dat aan het uittreksel geen betekenis kan toekomen. Voorts heeft het college door het nemen van een besluit dat niet overeenkomt met het eerder genomen besluit van de gemeente Swalmen, thans Roermond, niet onbehoorlijk gehandeld. Het heeft immers een eigen verantwoordelijkheid om een zorgvuldig besluit te nemen op de aanvraag van [appellant A]. Het college heeft hiertoe eigen onderzoek verricht. Met de voorzieningenrechter wordt geoordeeld dat het college in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat niet onomstotelijk vaststaat dat de geregistreerde huwelijksgegevens op de persoonslijst van [appellant B] feitelijk onjuist zijn, zodat het terecht heeft geweigerd deze gegevens te verwijderen.

2.5. Het hoger beroep, voor zover dit is ingesteld door [appellant A], is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover dit is ingesteld door [appellant B], niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009

350-597.