Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ2640

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
200807408/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 7 november 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) de aan de stichting Stichting Opleidingsfonds Groothandel (hierna: de stichting) verleende subsidies voor de projecten "Opleiding Werkterreinbegeleider" en "Corera Opleiding Leider Werkplekbeveiliging" vastgesteld op nihil. Tevens zijn daarbij de reeds aan de stichting betaalde subsidievoorschotten van € 318.000,00 onderscheidenlijk € 215.250,00 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200807408/1/H2.

Datum uitspraak: 15 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Opleidingsfonds Groothandel, gevestigd te

's-Gravenhage,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 augustus 2008 in zaak nr. 07/4016 in het geding tussen:

de stichting Stichting Opleidingsfonds Groothandel,

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 7 november 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) de aan de stichting Stichting Opleidingsfonds Groothandel (hierna: de stichting) verleende subsidies voor de projecten "Opleiding Werkterreinbegeleider" en "Corera Opleiding Leider Werkplekbeveiliging" vastgesteld op nihil. Tevens zijn daarbij de reeds aan de stichting betaalde subsidievoorschotten van € 318.000,00 onderscheidenlijk € 215.250,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 25 april 2007 heeft de staatssecretaris het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 augustus 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2008, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2009, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. drs. K.D. Meersma, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.E. Gouw, ambtenaar bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) stelt het bestuursorgaan, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, kan de subsidie lager worden vastgesteld indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Ingevolge artikel 4:57, voor zover thans van belang, kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld nog geen vijf jaren zijn verstreken.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de Kaderwet SZW-subsidies (hierna: de Kaderwet) kan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid subsidies verstrekken voor activiteiten welke passen in het werkgelegenheidsbeleid en het arbeidsmarktbeleid.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kunnen, voor zover hier van belang, onverminderd hoofdstuk 3 van de Financiële-verhoudingswet, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van de minister ter zake van de verstrekking van subsidie regels worden gesteld met betrekking tot:

a. de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt en wie daarvoor in aanmerking komt;

b. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;

c. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger.

Krachtens artikel 3, eerste lid, is de Subsidieregeling ESF-3 (hierna: de Subsidieregeling) vastgesteld.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Subsidieregeling komen voor subsidiëring in aanmerking uitsluitend de kosten die door of op verzoek van de begunstigde daadwerkelijk zijn gemaakt, die ten laste van de begunstigde zijn gebleven en die voor de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het project noodzakelijk moeten worden geacht. Hierbij wordt verordening (EG)1685/2000 in acht genomen.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Subsidieregeling dient de begunstigde een inzichtelijke en controleerbare administratie bij te houden of te doen bijhouden met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van het project en de in verband daarmee gedane uitgaven en verworven inkomsten. Deze administratie zal bestaan uit een deelnemersadministratie en een financiële administratie, waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, juist en volledig zijn vastgelegd en zijn te verifiëren met bewijsstukken.

Ingevolge het tweede lid geeft de deelnemersadministratie inzicht in de geplande en gerealiseerde prestaties in termen van deelnemers en uren, dan wel in termen van geleverde producten of diensten.

Ingevolge het derde lid geeft de financiële administratie inzicht in de subsidiabele kosten, de inkomsten en de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan het project worden toegerekend.

2.2. Op 1 december 2003 heeft de stichting subsidie aangevraagd voor de projecten "Opleiding werkterreinbegeleider" en "Corera Opleiding Leider Werkplekbeveiliging". Bij afzonderlijke besluiten van 11 mei 2004 heeft de staatssecretaris voor deze projecten krachtens de Subsidieregeling een subsidie verleend van € 639.000,00 onderscheidenlijk € 717.500,00.

De uitvoerder van deze projecten - Corera B.V. - is op 22 februari 2006 failliet verklaard.

De staatssecretaris heeft de nihilstelling van deze subsidies en de terugvordering van de voorschotten gebaseerd op twee rapporten van feitelijke bevindingen van de Afdeling IC/OA van het Agentschap SWZ van

29 september 2006. Volgens deze rapporten voldoet de projectadministratie niet aan de eisen van de Subsidieregeling en zijn de gedeclareerde kosten niet rechtmatig tot stand gekomen. Gebleken is dat dit het gevolg is van door de uitvoerder gepleegde fraude.

2.3. Niet in geschil is dat de projectadministratie niet voldoet aan de voorschriften in artikel 11 van de Subsidieregeling en dat de gedeclareerde kosten niet rechtmatig tot stand zijn gekomen. De staatssecretaris is derhalve bevoegd de subsidie lager vast te stellen en de betaalde voorschotten terug te vorderen.

2.4. De stichting betoogt, dat de staatssecretaris had moeten afzien van de vaststelling van de subsidie op nihil aangezien de stichting geen verwijt kan worden gemaakt van de geconstateerde fraude. De rechtbank heeft dat volgens haar miskend.

2.4.1. Ingevolge artikel 11 van de Subsidieregeling is aan de subsidieverlening de verplichting verbonden dat de projectadministratie dient te voldoen aan de daarin opgenomen normen. De stichting heeft zich bij haar aanvraag om subsidie verantwoordelijk en aansprakelijk verklaard voor de naleving van de voorwaarden die in de regelgeving zijn vastgelegd en de nakoming van de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen. Voorts heeft zij zich daarbij verantwoordelijk verklaard voor de uitvoering van de subsidieregeling door de projectuitvoerders en heeft zij verklaard dat zij er van op de hoogte is dat onjuiste handelingen van uitvoerders en onderaannemers aan haar worden toegerekend.

Gegeven de door de stichting afgegeven verklaringen komt, voor de toepassing van de hier relevante regelgeving, de onjuiste projectadministratie dan ook voor haar rekening en risico en is niet van betekenis wie daadwerkelijk de onjuiste projectadministratie heeft gemaakt. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het handelen van de projectuitvoerder aan de stichting kan worden toegerekend. De door de stichting aangevoerde omstandigheid, dat de projectuitvoerder fraude heeft gepleegd die aanvankelijk door de betrokken partijen en accountants niet is opgemerkt, kan gelet op het voorgaande niet tot een ander oordeel leiden.

Anders dan de stichting meent, kan niet worden staande gehouden dat de rechtbank heeft miskend dat onder deze omstandigheden het gebruik van de bevoegdheid om de subsidie op nihil vast te stellen onredelijk is. De rechtbank heeft in dat verband terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2006 (zaak nr. 200502975/1). In die uitspraak is overwogen dat het niet zo kan zijn dat de subsidieontvanger met het inschakelen van derden, die het project in wezen uitvoeren, kan bewerkstelligen dat aan de verplichtingen neergelegd in de Regeling, de toelichting daarop en in de Handleiding, kan worden ontkomen. Het in die uitspraak door de Afdeling overwogene is in de onderhavige zaak evenzeer van toepassing. Dat het feitencomplex in die zaak niet identiek is aan deze, zoals de stichting betoogt, staat niet in de weg aan de relevantie van die uitspraak voor deze zaak.

Het betoog slaagt niet.

2.5. Het betoog van de stichting, dat zij slechts als doorgeefluik van subsidie fungeert en aan haar uitbetaalde voorschotten niet mag vasthouden, leidt evenmin tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris in redelijkheid de subsidie op nihil heeft kunnen vaststellen. Deze omstandigheid komt gelet op hetgeen onder 2.4.1. is overwogen voor haar rekening en risico. Dit geldt eveneens voor het betoog van de stichting dat het faillissement van de uitvoerder en diens fraude op haar wordt afgewenteld.

2.6. Evenzeer faalt het betoog van de stichting dat de rechtbank, door te overwegen dat het niet afdekken van de financiële risico's voor rekening en risico van de stichting komt, heeft miskend dat een juridische voorziening voor verhaal niet altijd mogelijk is. De stichting heeft in haar aanvraag om subsidie verklaard dat zij zelf de juridische voorzieningen zal treffen om zo nodig bij de projectuitvoerders verhaal te kunnen halen. De wijze waarop de stichting hieraan invulling geeft en de in dit kader door haar in de praktijk ervaren beperkingen, kunnen er niet toe leiden dat de verantwoordelijkheid van de stichting in deze verschuift naar de staatssecretaris.

2.7. Met betrekking tot het betoog van de stichting dat de rechtbank ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat de staatssecretaris in de door haar aangevoerde omstandigheden geen grond behoefde te zien de terugvordering van de uitbetaalde voorschotten achterwege te laten, overweegt de Afdeling dat de omstandigheden die, zoals hiervoor is overwogen, niet in de weg stonden aan het op nihil vaststellen van de aan de stichting verleende subsidie evenmin tot het achterwege laten van terugvordering behoefden te leiden. Diezelfde omstandigheden hebben, mede geplaatst tegen de achtergrond van het hier toepasselijke normatieve kader, waartoe ook behoort de uitdrukkelijke aanvaarding door de stichting van verantwoordelijkheid voor onjuiste handelingen van uitvoerders en onderaannemers, evenzeer tot gevolg dat het beroep van de stichting op het evenredigheidsbeginsel niet kan slagen. Datzelfde geldt voor het betoog van de stichting dat zij geen enkel voordeel van de onderhavige subsidieverlening zou hebben genoten.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. R.R. Winter en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009

47-609.