Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ2631

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
200808012/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 oktober 2007 (hierna: de machtiging) heeft de voorzitter van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid (hierna: de voorzitter) drie bij naam genoemde medewerkers van dat stadsdeel gemachtigd om, zo nodig tegen de wil van de gebruikers, binnen te treden in de woningen [locatie a en b].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200808012/1/H3.

Datum uitspraak: 15 juli 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2008 in zaak nr. 08/894 in het geding tussen:

[appellant]

en

de voorzitter van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2007 (hierna: de machtiging) heeft de voorzitter van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid (hierna: de voorzitter) drie bij naam genoemde medewerkers van dat stadsdeel gemachtigd om, zo nodig tegen de wil van de gebruikers, binnen te treden in de woningen [locatie a en b].

Bij besluit van 22 januari 2008 heeft de voorzitter het door [belanghebbende] en [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 17 september 2008, verzonden op 23 september 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2008, hoger beroep ingesteld.

De voorzitter heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. M.H.J. van Riessen, advocaat te Amsterdam, en de voorzitter, vertegenwoordigd door mr. G. van der Kuil, werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door zijn beroep tegen het besluit van 22 januari 2008 niet-ontvankelijk te verklaren, heeft miskend dat hij belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit.

2.1.1. Het betoog slaagt. Bij het besluit van 22 januari 2008 heeft de voorzitter het door [appellant] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen belang zou hebben bij een oordeel omtrent de rechtmatigheid van de machtiging. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, heeft [appellant] belang bij een rechterlijk oordeel over dat besluit op bezwaar. Indien de voorzitter het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, zal hij daarop alsnog een inhoudelijk besluit moeten nemen. De rechtbank heeft het bij haar ingestelde beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant] tegen het besluit van 22 januari 2008 ingestelde beroep beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden.

2.3. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden is voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner een schriftelijke machtiging vereist, tenzij en voor zover bij wet aan rechters, rechterlijke colleges, leden van het openbaar ministerie, burgemeesters, gerechtsdeurwaarders en belastingdeurwaarders de bevoegdheid is toegekend tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. De machtiging wordt zo mogelijk getoond.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, blijft de machtiging ten hoogste van kracht tot en met de derde dag na die waarop zij is gegeven. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing.

2.4. Niet in geschil is dat geen gebruik is gemaakt van de door de machtiging geschapen mogelijkheid om binnen te treden in de woningen [locatie a en b].

2.5. [appellant] betoogt dat de voorzitter zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij geen belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de machtiging. Hij voert aan dat het feit dat niet is overgegaan tot binnentreden onverlet laat dat de machtiging op rechtsgevolg was gericht. Dat de machtiging tijdens de behandeling van zijn bezwaar was verlopen, is volgens [appellant] niet van belang, aangezien een machtiging om binnen te treden een wettelijk beperkte geldigheidsduur heeft, die ten tijde van de behandeling van een daartegen aangewend rechtsmiddel doorgaans zal zijn verlopen. Daarnaast stelt hij als gevolg van de machtiging schade te hebben geleden doordat hij in zijn gevoel van veiligheid van zijn woning is aangetast door de plotselinge komst van acht ambtenaren, die op grond van de machtiging in zijn woning wilden binnentreden. [appellant] voert voorts aan dat de machtiging zonder aankondiging is afgegeven, zodat hij geen gelegenheid heeft gehad tot het geven van een zienswijze op het voornemen tot afgifte daarvan. Hij wil voorkomen dat in de toekomst binnentredingen in zijn woning zullen plaatsvinden.

2.5.1. Een bestuursorgaan is slechts gehouden tot een inhoudelijke beoordeling van een tegen een besluit gemaakt bezwaar indien de bezwaarmaker daarbij een actueel en reëel belang heeft. In dit geval is van de machtiging geen gebruik gemaakt en heeft geen binnentreding plaatsgevonden. Aangezien de machtiging is verlopen, staat bovendien vast dat dit ook niet meer kan gebeuren. Derhalve heeft [appellant] in beginsel geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar.

Dat hij zich, als gesteld, in ernstige mate bedreigd heeft gevoeld door de gang van zaken na de afgifte van de machtiging, is geen reden om aan te nemen dat hij niettemin belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar. Het is niet tot op zekere hoogte aannemelijk geworden dat hij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast, als bedoeld in artikel 106 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, en uit dien hoofde in aanmerking zou kunnen komen voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] de bezoekende ambtenaren ertoe heeft kunnen bewegen om niet binnen te treden in zijn woning.

Dat [appellant] toekomstige binnentredingen in zijn woning wil voorkomen, is evenmin reden om een belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar aan te nemen. Mocht [appellant] in de toekomst met een zonder zijn toestemming verrichte binnentreding in zijn woning worden geconfronteerd, dan kan hij rechtsmiddelen aanwenden tegen de daaraan ten grondslag gelegde machtiging. Die zal dan moeten worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van dat geval.

Gezien het voorgaande, heeft de voorzitter zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] geen belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de machtiging. Het betoog faalt.

2.6. Dat [appellant] niet de gelegenheid heeft gekregen om vooraf een zienswijze te geven op het voornemen een machtiging af te geven, is, wat daar verder van zij, een argument dat de rechtmatigheid van de machtiging betreft, aan de beoordeling waarvan de voorzitter terecht niet is toegekomen.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.9. Redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellant] wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2008 in zaak nr. 08/894;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009.

176-582.