Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ2609

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
200807561/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw (hierna: het college) aan Wonen Limburg Vastgoedontwikkeling B.V. (hierna: Wonen Limburg) vrijstelling van het bestemmingsplan "Maasbracht-Brachterbeek" (hierna: het bestemmingsplan) verleend voor het verbouwen en uitbreiden van de zorgappartementen op de percelen Boegstraat 23-25 te Maasbracht (hierna: de percelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807561/1/H1.

Datum uitspraak: 15 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 1 september 2008 in zaak nr. 08/524 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw (hierna: het college) aan Wonen Limburg Vastgoedontwikkeling B.V. (hierna: Wonen Limburg) vrijstelling van het bestemmingsplan "Maasbracht-Brachterbeek" (hierna: het bestemmingsplan) verleend voor het verbouwen en uitbreiden van de zorgappartementen op de percelen Boegstraat 23-25 te Maasbracht (hierna: de percelen).

Bij besluit van 24 augustus 2007 heeft het college aan Wonen Limburg bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van vijfentwintig zorgappartementen op de percelen.

Bij besluit van 12 februari 2008, voor zover thans van belang, heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 september 2008, verzonden op 4 september 2008, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 6 november 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J. in 't Ven, advocaat te Kerkrade, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J.T.H.M. Savelkoul, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan "Maasbracht-Brachterbeek". Om realisering ervan toch mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening het besluit van 12 juni 2007 genomen.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat de ruimtelijke onderbouwing van de verleende vrijstelling aan de daaraan te stellen eisen voldoet, heeft miskend dat daarin ten onrechte als uitgangspunt is genomen dat het bouwplan ten opzichte van de bestaande situatie slechts in uitbreiding met één zorgappartement voorziet, nu het betrekking heeft op de bouw van vijfentwintig nieuwe zorgappartementen.

2.2.1. De aanvraag ziet volgens de verleende bouwvergunning op het verbouwen/uitbreiden van zorgappartementen op de percelen. In paragraaf 1.1 van de "Ruimtelijke Onderbouwing, art. 19 WRO; Stedenbouwkundige invulling locatie Boegstraat e.o. 2e fase te Maasbracht" van 20 december 2006 (hierna: de ruimtelijke onderbouwing) is vermeld dat deze betrekking heeft op het aanpassen van de huidige vierentwintig zit- en slaapkamers met algemene sanitaire voorzieningen naar in totaal vijfentwintig zelfstandige zorgappartementen. Uit de andere paragrafen van de ruimtelijke onderbouwing valt voorts af te leiden dat het bouwplan niet slechts in de toevoeging van één zorgappartement voorziet, maar tevens in het ombouwen van de bestaande zit- en slaapkamers naar zorgappartementen met eigen voorzieningen.

Voor zover [appellant] beoogt te betogen dat de rechtbank zelf ten onrechte het door hem gestelde uitgangspunt heeft gehanteerd, faalt dat betoog ook. Volgens haar omschrijving van het project voorziet het bouwplan tevens in ruimere huisvesting voor de ter plaatse wonende zorgcliënten.

Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte niet wordt ingegaan op de noodzaak van het project en de relatie daarvan met het geldende bestemmingsplan, faalt evenzeer. In de ruimtelijke onderbouwing, met name paragraaf 2.1, wordt uiteengezet dat de bestaande zit- en slaapkamers thans niet aan de in de nota "Bouwmaatstaven voor nieuwbouw en basiskwaliteitseisen voor bestaande bouw" van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor verpleeghuizen, verzorgingshuizen, instellingen voor gehandicapten en instellingen voor geestelijke gezondheidszorg neergelegde nieuwe maatstaven voldoen en dit mede aanleiding vormt voor het project. Verder wordt in paragraaf 2.5 ingegaan op de relatie van het project met het geldende bestemmingsplan.

In de stelling van [appellant] dat het bouwplan wat het aantal zorgcliënten per postcode betreft afwijkt van vorenbedoelde maatstaven en wat het huisvesten van zorgcliënten in kleine groepen betreft van de "Visie en Uitvoeringsprogramma Wonen Welzijn en Zorg gemeente Maasbracht" van 21 december 2004, heeft de rechtbank voorts terecht geen aanleiding gezien om hem te volgen in zijn betoog dat het project tot een onaanvaardbare concentratie van zorgvoorzieningen leidt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het bouwplan, naast de uitbreiding van de bestaande zit- en slaapkamers, voorziet in de toevoeging van één zorgappartement, geen toename plaatsvindt van personeel en Wonen Limburg voornemens is acht zorgcliënten, die in dezelfde straat woonachtig zijn, elders in Maasbracht te huisvesten.

Het betoog faalt.

2.3. Ook het betoog van [appellant] dat de rechtbank hem ten onrechte niet is gevolgd, waar hij heeft aangevoerd dat het college, door aansluiting te zoeken bij de in publicatie 182 van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en Verkeerstechniek neergelegde parkeernorm voor zelfstandige woningen met een beperkte zorgvoorziening in plaats van die voor verpleeg- en verzorgingstehuizen, heeft miskend dat aldus niet wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het bouwplan, faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat ten opzichte van de huidige situatie zeven extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd, hoewel slechts één extra zorgappartement wordt gebouwd, verder geen toename plaatsvindt van zorgcliënten of personeel en door [appellant] niet aannemelijk is gemaakt dat er op dit moment parkeerproblemen zijn.

2.4. [appellant] betoogt ten slotte evenzeer tevergeefs dat de rechtbank, door hem niet te volgen, waar hij heeft aangevoerd dat het college na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen, heeft miskend dat uitbreiding van de zorgvoorzieningen ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Aan haar oordeel heeft de rechtbank terecht ten grondslag gelegd dat zich thans in de directe omgeving van de woning van [appellant] reeds zorgvoorzieningen bevinden en het bouwplan, naast de uitbreiding van de bestaande zit- en slaapkamers, slechts voorziet in de toevoeging van één zorgappartement. Zij heeft verder met juistheid van belang geacht dat wijzigingen in het bouwplan zijn aangebracht om de privacy van de omwonenden te beschermen en dat, voor zover zich al enig verlies aan lichtinval zal voordoen, dit hooguit achter in de tuin van [appellant] zal plaatsvinden en dat onvoldoende geacht voor dat oordeel.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009

457.