Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ2603

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
200809228/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) een verzoek van [appellant] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de aan de Paulus Buijsstraat 51 te Den Haag gelegen Eben Haëzerbasisschool (hierna: de basisschool) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Wet milieubeheer 18.14
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/668
M en R 2009, 57K
Gst. 2009, 83
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/990
Milieurecht Totaal 2009/788

Uitspraak

200809228/1/M2.

Datum uitspraak: 15 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) een verzoek van [appellant] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de aan de Paulus Buijsstraat 51 te Den Haag gelegen Eben Haëzerbasisschool (hierna: de basisschool) afgewezen.

Bij besluit van 25 november 2008 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend. Dit stuk is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juni 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J. Bontenbal, advocaat te Voorburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. W.M. Logtenberg, ing. H.C.G.M. Bastiaansen en mr. ing. M.R. Paats, zijn verschenen. Voorts is de basisschool, vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] heeft het college verzocht handhavingsmaatregelen te treffen, omdat hij in de dagperiode geluidhinder ondervindt vanwege stemgeluid afkomstig van het bij de basisschool behorende schoolplein. Hij betoogt dat het college ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om ingevolge artikel 18.14 van de Wet milieubeheer ten aanzien van de basisschool bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen. Volgens hem biedt het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) daarvoor een grondslag. Hij voert hiertoe aan dat de basisschool een ruimte omvat waarin de leerlingen bewegingsactiviteiten uitvoeren, en daarom behoort tot een categorie van inrichtingen aangewezen in categorie 19.1, onder c, van Bijlage I behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Tevens heeft het college onvoldoende onderzoek verricht naar de relevante feiten en omstandigheden, aldus [appellant]. Verder voert hij aan dat het college in het bestreden besluit ten onrechte niet op alle door hem ingediende bezwaren tegen het besluit van 9 juli 2008 is ingegaan.

2.2. Het college stelt zich in het bestreden besluit aan de hand van de door de partijen verstrekte informatie en de resultaten van eigen onderzoek op het standpunt dat de basisschool geen inrichting in de zin van de Wet milieubeheer is, omdat de basisschool geen activiteiten onderneemt die worden genoemd in categorie 19.1, onder c, van Bijlage I behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Hieruit volgt volgens het college dat het Activiteitenbesluit niet van toepassing is. Het college acht zich daarom niet bevoegd handhavend op te treden.

2.3. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Ingevolge het derde lid van dit artikel worden bij algemene maatregel van bestuur categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken. Aan dit artikellid is uitvoering gegeven in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt - voor zover hier van belang - elders in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder inrichting verstaan een inrichting, behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen.

Categorie 19, onderdeel 19.1, onder c, van Bijlage I behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, heeft betrekking op sportscholen, sporthallen en andere inrichtingen, niet zijnde sportterreinen, waar een of meer voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het beoefenen van sport.

2.4. In de nota van toelichting op het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 1993, 50) is vermeld dat de omschrijving in categorie 19.1, onder c, van Bijlage I behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer zich met name richt op inrichtingen waarbinnen sport wordt beoefend. Naast sporthallen en sportscholen kan daarbij onder meer worden gedacht aan bowling- of kegelcentra en squashvoorzieningen, aldus de nota van toelichting.

2.5. Niet in geschil is dat de basisschool voldoet aan de beschrijving van het begrip "inrichting" in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Verder staat vast dat categorie 19.1, onder c, van Bijlage I behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer de enige categorie is waartoe de basisschool zou kunnen behoren. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat de basisschool behoort tot deze categorie, overweegt de Afdeling als volgt.

De ruimte van de basisschool die hier in het geding is, heeft een vloeroppervlakte van circa 80 m2 en een hoogte die varieert tussen de 3 en 8 meter. De desbetreffende ruimte wordt een aantal uur per week onder leiding van de eigen leerkracht gebruikt door kleuters. De kleuters krijgen in deze ruimte bewegingsonderwijs dat met name is gericht op spel en het stimuleren van motorische vaardigheden.

Oudere leerlingen maken geen gebruik van deze ruimte, maar krijgen les van een gecertificeerde gymnastiekleraar buiten de school. De ruimte wordt ook gebruikt als opslagruimte en overblijfruimte. In de ruimte bevinden zich enkele speeltoestellen, zoals twee kleine (kleuter)kasten, een aantal banken, ballen, matten, hoepels en een vast en mobiel klimrek. Was- en douchegelegenheden zijn niet aanwezig.

Onder deze omstandigheden, en mede bezien in het licht van bovengenoemde nota van toelichting, moet worden geconcludeerd dat de betrokken ruimte niet is aan te merken als een sportschool, sporthal of andere inrichting, niet zijnde een sportterrein, waar een of meer voorzieningen en installaties aanwezig zijn voor het beoefenen van sport in de zin van categorie 19.1, onder c, van Bijlage I behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de basisschool niet kan worden aangemerkt als een inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer en dat het niet bevoegd was tot handhavend optreden. Evenmin is naar het oordeel van de Afdeling uit het betoog van [appellant] gebleken dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht.

Nu het college niet bevoegd was tot handhaven en daarom bij het bestreden besluit niet was gehouden in te gaan op de andere bezwaren dan die op de bevoegdheid betrekking hadden, ziet de Afdeling - anders dan [appellant] betoogt - geen grond voor het oordeel dat het college ten onrechte niet op die andere door hem ingediende bezwaren tegen het besluit van 9 juli 2008 is ingegaan.

2.6. Het beroep is ongegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009

373-584.