Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ2600

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
200803700/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2008, kenmerk PZH-2008-324407, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Voorschoten (hierna: de raad) bij besluit van 30 augustus 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200803700/1/R1.

m uitspraak: 15 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2008, kenmerk PZH-2008-324407, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Voorschoten (hierna: de raad) bij besluit van 30 augustus 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied".

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 mei 2008,[appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2008, en [appellant sub 3] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2008, beroep ingesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellanten sub 1], [appellanten sub 2], de raad en [appellant sub 3] en anderen hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2009, waar [appellanten sub 1], in persoon, [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. L.J. van Pelt, werkzaam bij LTO Noord Advies, [appellant sub 3] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 3], en het college, vertegenwoordigd door E.P. van der Stek-Sietses, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord de raad, vertegenwoordigd door E.A.J. Coenen en mr. J.M. Jezeer, ambtenaren in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het plan betreft een actualisering van het bestemmingsplan voor het buitengebied ten behoeve van de realisering van de zogenoemde Duivenvoordecorridor. Deze betreft het gebied tussen Leidschendam-Voorburg en Voorschoten dat in de Nota Ruimte is aangewezen als rijksbufferzone tussen de stedelijke regio's van Haaglanden en Leiden. De corridor dient tevens als verbinding van nationaal landschap Het Groene Hart met het strandwallenlandschap rond Wassenaar. Het plan is hoofdzakelijk gericht op herstel van het oorspronkelijke landschap en voorziet in de sanering van de thans aanwezige glastuinbouw. Deze sanering wordt primair gefinancierd door een beperkte ontwikkeling van nieuwe woonbebouwing in het plangebied. Voorts voorziet het plan in een beschermingsregeling naar aanleiding van de aanwijzing van het buitengebied als beschermd dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 1]

2.3. [appellanten sub 1] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Uit te werken Buitenplaats II (UB II)" en "Uit te werken Buitenplaats III (UB III)", voor zover het plan daarmee voorziet in de geconcentreerde bouw van appartementencomplexen. Zij achten de toegelaten hoogten van 14 en 14,5 meter voor appartementencomplexen onaanvaardbaar. Voorts keren zij zich tegen de bepaling dat bij de uitwerking kan worden afgeweken van de maximale hoogte dan wel de maximale goot- of boeiboordhoogte van hoofdgebouwen. Verder betogen zij dat ten onrechte in het plan geen minimale afstand tussen gebouwen is bepaald. Het college heeft miskend dat het plan voorziet in woonbebouwing met een stedelijk karakter die afbreuk doet aan het beoogde open landelijke karakter van de Duivenvoordecorridor, aldus [appellanten sub 1].

2.3.1. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad betrokken dat de voorziene woonbebouwing noodzakelijk is voor de financiering van de realisering van de Duivenvoordecorridor, omdat de van rijkswege beschikbaar gestelde financiële middelen daartoe onvoldoende zijn. Hierbij heeft de raad erop gewezen dat de netto bebouwingsoppervlakte evenwel met 85% zal afnemen. Daarnaast heeft de raad van belang geacht dat bij de uitwerkingsregels aansluiting is gezocht bij de typologie en de maatvoering van de historische buitenplaatsen en landgoederen in het plangebied, waarbij de raad heeft gewezen op de planvoorschriften voor het beschermde dorpsgezicht en op de uitwerkingsregels aangaande beeldkwaliteit en groenambities.

2.3.2. Het college heeft aan de goedkeuring van het plan ten grondslag gelegd dat woningbouw slechts beperkt en onder voorwaarden is toegelaten en dat daarbij als uitgangspunt is gehanteerd dat niet meer bouwvolume wordt toegelaten dan nodig is voor een sluitende planexploitatie. De mogelijkheid van uitwerking voor appartementencomplexen leidt volgens het college niet tot aantasting van het landelijke karakter, gelet op de maximale bebouwingsoppervlakten en bouwhoogten.

2.3.3. Het plangebied is gelegen buiten de zogenoemde rode contour om de kern Voorschoten als bedoeld in het streekplan Zuid-Holland West 2003 (hierna: streekplan). In het streekplan was in Structurerend Element 11, een hoofdlijn van het provinciaal ruimtelijk beleid, opgenomen dat het accommoderen van nieuwe stedelijke functies buiten de rode contouren behoudens enkele uitzonderingen niet is toegestaan.

Met de "Zevende partiële herziening streekplan Zuid-Holland West 2003, Duivenvoordecorridor/Westland c.a.", vastgesteld door provinciale staten van Zuid-Holland op 30 januari 2008 (hierna: streekplanherziening), is Structurerend Element 11 van het streekplan, voor zover hier van belang, als volgt komen te luiden:

Het accommoderen van nieuwe stedelijke functies buiten de rode contouren is behoudens drie algemene en drie specifieke uitzonderingen niet toegestaan. […]

Specifiek:

[…]

2. Het streekplan staat het realiseren van woningbouw in de Duivenvoordecorridor in de gemeenten Leidschendam-Voorburg en Voorschoten niet in de weg, mits is verzekerd:

- dat door middel van deze woningbouw financiële middelen gegenereerd worden die nodig zijn om de thans hier gelegen kassen en bedrijfsgebouwen te verwijderen en die gemoeid zijn met het toevoegen van natuurvriendelijke oeverzones, natte graslanden, bosschages en open water. Dit teneinde de beoogde transformatie van dit gebied tot een hoogwaardig coulisselandschap te realiseren;

- dat de ruimtelijke kwaliteit van dit gebied wordt verbeterd door het vervangen van de in het gebied liggende kassen en bedrijfsgebouwen die thans een oppervlak van in totaal 33 hectare innemen door enerzijds een aantal woongebouwen met een grondoppervlak van maximaal 5 hectare en anderzijds minimaal 28 hectare die benut zullen worden voor het realiseren van bij het bufferzonekarakter van het gebied passend extra groen. Het bij de woongebouwen behorende groen zal hierbij zo gesitueerd en bestemd moeten worden dat ook dit groen een bijdrage zal leveren aan de voor dit deel van de rijksbufferzone Den Haag, Leiden, Zoetermeer nagestreefde ruimtelijke kwaliteit;

- dat de aan de Duivenvoordecorridor toe te voegen natuurvriendelijke oeverzones, natte graslanden, bosschages en water een substantieel aantal hectares zullen omvatten.

2.3.4. De bestemmingen "Uit te werken Buitenplaats II (UB II)" en "Uit te werken Buitenplaats III (UB III)" zijn toegekend aan gronden waaraan in het voorheen geldende bestemmingsplan de bestemming "Bijzondere agrarische doeleinden (ADB)" met een bebouwingsvlak was toegekend, zodat ingevolge de bijbehorende planvoorschriften ter plaatse de vestiging van kwekerijen met de bouw van kassen was toegelaten. Blijkens het deskundigenbericht zijn ter plaatse kassen gebouwd met een oppervlakte van 3,3 hectare onderscheidenlijk 3,1 hectare. Ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b en c, en artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b en c, van de planvoorschriften dient de uitwerking van de bestemmingen "Uit te werken Buitenplaats II (UB II)" en "Uit te werken Buitenplaats III (UB III)" primair te zijn gericht op groenontwikkeling in de vorm van een bos annex natuurgebied met botanische waarden met een oppervlakte van ten minste 1,5 hectare onderscheidenlijk 1 hectare en mogen voorts op deze gronden woningen worden gebouwd met een totaal bebouwd oppervlak van 4000 m². Mitsdien zal het totale bebouwde oppervlak op de gronden met de bestemmingen "Uit te werken Buitenplaats II (UB II)" en "Uit te werken Buitenplaats III (UB III)" na uitwerking van het plan met 93,75% afnemen. Voorts is niet in geschil dat het toegelaten bouwvolume niet meer is dan noodzakelijk voor de financiering van de herinrichting van het gebied. Het bepalen van lagere maximale goot- of boeiboordhoogten en maximale hoogten voor appartementencomplexen zou derhalve betekenen dat een grotere maximale bebouwingsoppervlakte moet worden toegelaten, hetgeen het college en de raad met het oog op de realisering van de Duivenvoordecorridor in redelijkheid niet wenselijk hebben kunnen achten. In het licht van het voorgaande heeft het college in redelijkheid kunnen instemmen met de maximale goot- of boeiboordhoogte van appartementencomplexen van ten hoogste 10,5 meter en de maximale hoogten van 14 en 14,5 meter. Hierbij acht de Afdeling van belang dat is aangesloten bij de maatvoering van de (historische) buitenplaatsen en landgoederen in het plangebied. Het betoog faalt derhalve op dit punt.

2.3.5. Ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder e, en artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders bij de uitwerking van de bestemmingen "Uit te werken Buitenplaats II (UB II)" en "Uit te werken Buitenplaats III (UB III)" afwijken van het bepaalde ten aanzien van de hoogte onderscheidenlijk de goot- of boeiboordhoogte van hoofdgebouwen ten behoeve van de verbetering van de architectonische kwaliteit dan wel de inpassing van bebouwing in het landschap. Bij de uitwerking van het plan mag derhalve onbeperkt worden afgeweken van de bepaalde maximale goot- of boeiboordhoogte van 10,5 meter en de maximale hoogten van 14 en 14,5 meter. Het plan schept in zoverre aldus geen duidelijkheid over de mogelijke maximale hoogten en is in zoverre vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Door de planvoorschriften niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellanten sub 1] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 11, tweede lid, aanhef en onder e, en artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan deze bepalingen.

2.3.6. Op basis van de uitwerkingsregels voor de bestemmingen "Uit te werken Buitenplaats II (UB II)" en "Uit te werken Buitenplaats III (UB III)" is de bouw van meer dan één appartementencomplex per bestemmingsvlak niet uitgesloten. Wat betreft de maximaal toelaatbaar geachte bebouwing zijn in de uitwerkingsregels in het plan uitsluitend randvoorwaarden opgenomen. Gelet op de restrictieve mogelijkheden wat betreft bebouwingsoppervlakte heeft het college, mede vanuit het oogpunt van zuinig ruimtegebruik, in redelijkheid ermee kunnen instemmen dat niet op voorhand in de uitwerkingsregels een minimale afstand tussen gebouwen is voorgeschreven. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, onder II, en artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, onder II, van de planvoorschriften is bepaald dat bij de uitwerking tevens de randvoorwaarden voor stedenbouwkundige kwaliteit in de structuurvisie Duivenvoorde onderscheidenlijk de Nota Beeldkwaliteit Duivenvoorde in acht moeten worden genomen en dat daarin wordt aangesloten bij de typologie en maatvoering van de (historische) buitenplaatsen en landgoederen in het plangebied. In zoverre faalt het betoog.

Het beroep van [appellanten sub 2]

2.4. [appellanten sub 2] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel betreffende het perceel [locatie 1], voor zover daaraan de bestemming "Natuurgebied met bijzondere botanische waarden -N(b)-" met de aanduiding "kwekerij toegestaan" is toegekend, en aan het plandeel betreffende het perceel [locatie 2], voor zover daaraan de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden/open gebied -Al(o)-" is toegekend, voor zover de thans ter plaatse aanwezige kassen daarmee slechts onder het overgangsrecht van het plan zijn toegelaten. Voor zover het behoud van de kassen afhankelijk is gesteld van vrijstelling van het plan als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de planvoorschriften, betogen [appellanten sub 1] dat deze vrijstellingsbevoegdheid niet objectief is begrensd, omdat onduidelijk is wat moet worden verstaan onder bouwwerken die noodzakelijk zijn voor het beheer dan wel het onderhoud van de gronden.

2.4.1. Uit het deskundigenbericht blijkt dat op het perceel [locatie 1] kassen zijn gebouwd met een totale oppervlakte van 5130 m² en dat op het perceel [locatie 2] kassen staan met een totale oppervlakte van ongeveer 3500 m². Ingevolge artikel 26, onder A, eerste lid, en artikel 3, lid A, onder 1, aanhef en onder a, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied en natuurgebieden", waarvan de herziening is goedgekeurd bij besluit van 4 maart 1986, waren de kassen op beide percelen in strijd met dat plan. Gezien de op 8 december 1987 en 27 september 1991 verleende bouwvergunningen voor (gedeeltelijke) vernieuwing van de kassen op beide percelen, en nu niet van het tegendeel is gebleken, gaat de Afdeling ervan uit dat de kassen op basis van artikel 34, eerste lid, onder 1, onder a, van de voorschriften van het vorige plan onder het overgangsrecht van dat plan vielen.

2.4.2. Ingevolge artikel 8, tweede lid, en artikel 5, derde lid, van de planvoorschriften zijn de kassen op beide percelen ook in strijd met het voorliggende plan. Ingevolge artikel 35, eerste en derde lid, van de voorschriften zijn de kassen wederom onder het overgangsrecht gebracht. Anders dan [appellanten sub 1] veronderstellen, kan geen vrijstelling in de zin van artikel 8, derde lid, van de planvoorschriften worden verleend ten behoeve van het behoud van de bestaande kassen op het perceel [locatie 1], nu niet staande kan worden gehouden dat de kassen noodzakelijk zijn voor het beheer dan wel het onderhoud van de gronden, waaraan de bestemming "Natuurgebied met bijzondere botanische waarden -N(b)-" is toegekend, onderscheidenlijk voor het realiseren van deze bestemming. Derhalve ligt uitsluitend de vraag voor of de kassen ten onrechte wederom onder het overgangsrecht zijn gebracht. Dienaangaande is ter zitting gebleken dat tussen het provincie- en gemeentebestuur is overeengekomen dat de in het plan neergelegde groenopgave uiterlijk in 2013 zal zijn gerealiseerd en dat van gemeentewege reeds inspanningen zijn verricht om de gronden van [appellanten sub 1] minnelijk te verwerven. Voorts heeft de raad ter zitting verklaard zo nodig over te zullen gaan tot onteigening van de gronden. Gelet hierop acht de Afdeling voldoende aannemelijk dat de kassen op de percelen van [appellanten sub 1] binnen de planperiode zullen worden verwijderd.

2.5. [appellanten sub 2] betogen voorts dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen betreffende de percelen [locatie 1] en [locatie 2], voor zover daaraan de bestemming "Beschermd stads- en dorpsgezicht" is toegekend. Zij stellen dat het plan in zoverre leidt tot een beperking van de gebruiks- en bouwmogelijkheden van hun percelen.

2.5.1. Bij besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 16 november 2007 is het gebied "Landgoederenzone Wassenaar-Voorschoten-Leidschendam-Voorburg" aangewezen als beschermd dorpsgezicht in de zin van artikel 1, onder g, van de Monumentenwet 1988.

Hierbij is bepaald dat het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied en natuurgebieden" van de gemeente Voorschoten, alsmede de eerste herziening daarvan, niet voldoen aan het beschermingsvereiste als bedoeld in artikel 36, eerste en tweede lid van de Monumentenwet 1988. Dit besluit is in rechte onaantastbaar. In artikel 4, tweede lid, van de planvoorschriften zijn aanvullende bepalingen ter bescherming van het beschermd dorpsgezicht opgenomen. Deze bepalingen gelden uitsluitend met betrekking tot de realisering van de krachtens het plan op de gronden gelegde bestemmingen en brengen mitsdien geen beperking met zich voor de bedrijfsactiviteiten van [appellanten sub 1], nu die niet als zodanig zijn bestemd en uitsluitend onder het overgangsrecht zijn toegelaten. Dit betoog faalt derhalve.

2.6. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen betreffende de percelen [locatie 1] en [locatie 2] niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 2] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3] en anderen

2.7. [appellant sub 3] en anderen betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Water (WA)" betreffende de waterloop tussen de hoeve [locatie 3] en de Vliet, voor zover hun woonschepen in deze waterloop daarmee niet als zodanig zijn bestemd. Daartoe voeren zij ten eerste aan dat de woonschepen reeds meer dan 50 jaar ter plaatse aanwezig zijn. Voorts zijn ligplaatsvergunningen verleend en zijn de eigenaren verplicht tot betaling van liggeld en belasting. Verder voeren zij aan dat het beleid in de gemeentelijke "Beleidsnota Woonschepen gemeente Voorschoten" uit 1997 is gericht op handhaving van het aantal woonschepen, waaronder op [locatie 3], en dat daarin is besloten de mogelijkheid voor ligplaatsen op te nemen in het bestemmingsplan.

Voorts betogen [appellant sub 3] en anderen dat het college zich ten onrechte met de raad op het standpunt heeft gesteld dat de woonschepen niet passen bij de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied en dat de woonschepen afbreuk doen aan de openheid van het landschap. Dit standpunt verdraagt zich volgens hen niet met de in het plan voorziene woonbebouwing. Hierbij voeren zij aan dat de woonschepen ook kunnen worden voorzien van een afschermende groenstrook. Dat thans een toegangsweg met verlichting ontbreekt en de woonschepen niet op de riolering zijn aangesloten, is volgens hen niet relevant.

Verder betogen [appellant sub 3] en anderen dat het college ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat de raad een alternatieve locatie voor de woonschepen heeft aangewezen. Zij wijzen erop dat de bedoelde locatie niet is aangewezen. Daarnaast verwachten zij dat alternatieve locaties op bezwaren zullen stuiten. Mitsdien bestaat volgens hen onvoldoende zekerheid dat de woonschepen binnen de planperiode zullen worden verplaatst.

Ten slotte voeren [appellant sub 3] en anderen aan dat de waarde van hun woonschepen aanzienlijk zal verminderen ten gevolge van het plan. Hierbij voeren zij aan dat zij aanzienlijke kosten hebben gemaakt om aan de brandveiligheidsvoorschriften te voldoen.

2.7.1. Het college heeft voorop gesteld dat de woonschepen reeds in strijd waren met het voorheen geldende bestemmingsplan. Voorts heeft het ingestemd met het standpunt van de raad dat de woonschepen afbreuk doen aan de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied. Ten slotte heeft het college bij zijn besluit betrokken dat in het rapport "Van glas naar gras" een alternatieve locatie voor de woonschepen is aangewezen en dat de woonschepen binnen de planperiode zullen worden verplaatst.

2.7.2. In het rapport "Van glas naar gras. Omvorming glascomplexen in de Duivenvoordecorridor" van februari 2008, dat onder meer dient als inrichtingsschets van het bestemmingsplan, is opgenomen dat het ter versterking van de openheid en het herstel van de landelijke identiteit wenselijk is de woonschepen vanuit het centrale deel van de Duivenvoordecorridor uit te plaatsen naar een locatie aan de rand van het gebied en deze nieuwe locatie te ontwikkelen tot een hoogwaardig woonmilieu. Een mogelijkheid is om de vaart aan de rand van Starrenburg III, op de overgang naar het landelijk gebied, te ontwikkelen tot een woonmilieu voor "waterwonen". Hier kunnen watervilla's worden ontwikkeld voor "dobberend wonen", aldus de nota.

2.7.3. Niet in geschil is dat de woonschepen van [appellant sub 3] en anderen reeds meer dan 50 jaar in strijd met de planologische regimes aanwezig zijn in de waterloop tussen de hoeve [locatie 3] en de Vliet. Op basis van artikel 34, eerste lid, van de voorschriften van het vorige bestemmingsplan waren de woonschepen echter onder het overgangsrecht toegelaten, nu illegale bouwwerken daarvan niet waren uitgezonderd. Ingevolge artikel 35, eerste en derde lid, van de voorliggende planvoorschriften zijn de woonschepen wederom onder het overgangsrecht gebracht. Gelet hierop lag het op de weg van de raad voldoende aannemelijk te maken dat de bestemming "Water (WA)" voor de waterloop tussen de hoeve [locatie 3] en de Vliet binnen de planperiode zal worden gerealiseerd in die zin dat de ter plaatse aanwezige woonschepen zullen worden verwijderd. De raad noch het college is hierin geslaagd. Dienaangaande is immers gebleken dat in 2007 enkele ligplaatsvergunningen zijn verleend en dat de gronden van de waterloop niet in eigendom van de gemeente zijn. Voorts is in het rapport "Van glas naar gras" slechts vermeld dat uitplaatsing van de woonschepen wenselijk wordt geacht en dat de vaart aan de rand van woningbouwlocatie Starrenburg III daarvoor een mogelijke locatie betreft, daargelaten dat aan dit inrichtingsplan geen juridisch bindende betekenis toekomt. Bovendien heeft de raad ter zitting verklaard dat bezwaren tegen ligplaatsen op deze locatie denkbaar zijn. In het licht van deze omstandigheden heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestemming "Water (WA)" voor de waterloop tussen de hoeve [locatie 3] en de Vliet binnen de planperiode zal worden gerealiseerd, in die zin dat de ter plaatse aanwezige woonschepen zullen worden verwijderd, en dat dit plandeel derhalve niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hierbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat in het gemeentelijke "Plan van aanpak in hoofdlijnen woonschepen Voorschoten" uit 2003 nog is beoogd uitvoering te geven aan de beslissing in de "Beleidsnota Woonschepen gemeente Voorschoten" uit 1997 dat de woonschepen worden opgenomen in de actualisering van de bestemmingsplannen.

2.7.4. Uit het vorenstaande volgt dat het college, door het plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 3] en anderen is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Water (WA)" betreffende de ligplaatsen van de woonschepen in de waterloop tussen de hoeve [locatie 3] en de Vliet. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding aan dit plandeel goedkeuring te onthouden.

Proceskosten

2.8. Wat betreft [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] en anderen is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellanten sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] gedeeltelijk en het beroep van [appellant sub 3] en anderen geheel gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 22 april 2008, kenmerk PZH-2008-324407, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

- artikel 11, tweede lid, aanhef en onder e, en artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften;

- het plandeel met de bestemming "Water (WA)" betreffende de ligplaatsen van de woonschepen in waterloop tussen de hoeve [locatie 3] en de Vliet;

III. onthoudt goedkeuring aan de onder II. genoemde planonderdelen;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 22 april 2008;

V. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] voor het overige en het beroep van [appellanten sub 2] geheel ongegrond;

VI. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor zowel [appellanten sub 1] als voor [appellant sub 3] en anderen vergoedt, met dien verstande dat betaling aan [appellant sub 3] of een van de anderen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen behorend tot deze groep.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van der Heijden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009

516.