Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ2594

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
200809099/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Heusden bij besluit van 8 juli 2008 vastgestelde wijzigingsplan "Wijzigingsplan buitengebied Drunen, Duinweg" (hierna: het wijzigingsplan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2009/2659

Uitspraak

200809099/1/R2.

Datum uitspraak: 15 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Drunen, gemeente Heusden,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Heusden bij besluit van 8 juli 2008 vastgestelde wijzigingsplan "Wijzigingsplan buitengebied Drunen, Duinweg" (hierna: het wijzigingsplan).

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2008, beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De vereniging Natuur en Milieuvereniging Heusden (hierna: de vereniging) is met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. De vereniging heeft een reactie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellant]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De aan de vereniging aangeboden stukken zijn niet afgehaald op het kantoor van de TNT Post en geretourneerd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2009, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. ing. J.H.M. van Cuyk, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij het besluit omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient het college te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb rust daarnaast op het college de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het wijzigingsplan strekt tot het toekennen van een agrarisch bouwvlak aan het perceel met kadastraal nummer gemeente Heusden […] aan de Duinweg (hierna: het perceel). Op dit perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden" (A(lk)). Bij het bestreden besluit heeft het college goedkeuring onthouden aan het wijzigingsplan.

2.3. [appellant] heeft naar voren gebracht dat de Afdeling, naar aanleiding van een door een natuurbeschermingsorganisatie aangespannen beroep, in haar uitspraak heeft vastgelegd dat het oprichten van een woning en bedrijfsruimte op het perceel mogelijk is. Voorts voert hij aan dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom een uitzondering op het provinciaal beleid niet mogelijk is. Ten onrechte is naar zijn mening de bedrijfshal in de nabijheid van het perceel betrokken bij de beoordeling van de noodzaak van het bouwvlak; deze bedrijfshal is primair in gebruik als paardenhouderij. Daarnaast is het college voorbij gegaan aan de omstandigheid dat [appellant] gezien zijn woon- en werksituatie genoodzaakt is om dichter bij zijn agrarische gronden te wonen. Tot slot stelt [appellant] dat diverse bouwplannen in de directe omgeving van het wijzigingsplan wel zijn verwezenlijkt.

2.3.1. Het college heeft in aanmerking genomen dat het plangebied in de Agrarische hoofdstructuur landschap (hierna: AHS-landschap) ligt. Het provinciaal beleid staat de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf als waarvan thans sprake is in de AHS-landschap niet toe. De noodzaak om af te wijken van het beleid ontbreekt, nu gebleken is dat [appellant] eigenaar is van twee percelen in de directe nabijheid van het plangebied en op één van deze percelen reeds een bedrijfsgebouw aanwezig is. Bovendien is, aldus het college, een bouwvergunning verleend voor het vergroten van dit bedrijfsgebouw. Voor een afwijking van zijn beleid ziet het college geen rechtvaardiging in de voorkeur die vanuit agrarisch-technisch oogpunt bestaat voor meer samenhang tussen de vestigingslocatie en de beschikbare cultuurgrond.

2.3.2. Ingevolge artikel 41, lid A, onder I, aanhef en sub a, van het bestemmingsplan "Buitengebied", zoals dat luidt na de partiële herziening "1e partiële herziening 1992" en voor zover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd om de bestemming "Agrarisch gebied" te wijzigen ten behoeve van de vestiging van een agrarisch bedrijf, door ter plaatse van de vestiging de aanduiding "Agrarisch bouwvlak" aan te geven op de plankaart. Hierbij moet ingevolge het bepaalde in voornoemd artikellid onder meer in acht worden genomen dat, indien het de vestiging van een agrarisch bedrijf binnen de gebiedsaanduiding A(lk) betreft, ter beoordeling van de toelaatbaarheid van de vestiging een evenredige belangenafweging plaatsvindt, waarbij betrokken worden enerzijds de mate waarin de vestiging ter plaatse noodzakelijk is uit het oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en/of de ontwikkeling van het agrarisch bedrijf en anderzijds de mate waarin de waarden en functies van de betrokken gronden, welke het plan beoogt te beschermen door de vestiging worden geschaad, mede gelet op de aard van de agrarische bedrijfsvoering, de plaatskeuze van vestiging en de omvang en vorm van het agrarisch bouwvlak.

2.3.3. Het provinciaal beleid is neergelegd in de op 1 juli 2008 in werking getreden "Interimstructuurvisie Noord-Brabant, Brabant in Ontwikkeling" (hierna: Interimstructuurvisie). Hierin zijn de hoofdlijnen neergelegd van de ruimtelijke ontwikkeling die provinciale staten nastreven voor de periode tot 2020. De Interimstructuurvisie is opgesteld onder de vigeur van de WRO en de hierin opgenomen voorschriften voor de totstandkoming van een streekplan. Met betrekking tot gronden gelegen in de AHS-landschap is in paragraaf 4.7.1 van de Interimstructuurvisie opgenomen dat de aanwezige natuur- en landschapswaarden worden beschermd tegen ruimtelijke ingrepen die thuishoren of thuis kunnen horen in het buitengebied, zoals agrarische functies, de zogenoemde interne bescherming. De uitwerking van het interne beschermingsregime is aan het college overgelaten. De provinciale belangen en doelen zoals verwoord in de Interimstructuurvisie zijn uitgewerkt in de door het college vastgestelde en op 1 juli 2008 in werking getreden Paraplunota ruimtelijke ordening (hierna: Paraplunota), welke nota uitdrukkelijk is bedoeld als beleidsregel in de zin van artikel 4:81, eerste lid, van de Awb. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het vaststellingsbesluit van de Paraplunota is de Interimstructuurvisie het kaderstellend uitgangspunt voor de inhoud van de beleidsregel. Op grond van het bepaalde in het derde lid van dit artikel is het college bevoegd om met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid, van de uitwerking van het provinciaal beleid af te wijken. Het interne beschermingsregime is in de Paraplunota onder meer uitgewerkt met de bepaling dat, behoudens een tweetal zich hier niet voordoende uitzonderingen, nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf in de AHS-landschap niet is toegestaan.

2.3.4. Met betrekking tot het beroep van [appellant] op de totstandkoming van het bestemmingsplan "Buitengebied" overweegt de Afdeling dat dat bestemmingsplan niet voorziet in woon- en bedrijfsbebouwing bij recht, maar wel in een wijzigingsbevoegdheid met betrekking tot die bebouwing. Het bestaan van de door het college goedgekeurde en door de Afdeling in stand gelaten wijzigingsbevoegdheid neemt niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd. Dit spreekt in dit geval te meer nu gebruik is gemaakt van een algemene wijzigingsbevoegdheid en een aanzienlijke periode is verstreken tussen het moment van goedkeuring van het bestemmingsplan en het moment van de vaststelling van het wijzigingsplan.

2.3.5. De Afdeling oordeelt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het provinciaal beleid aan het opnemen van een bouwblok voor de nieuwvestiging van het agrarisch bedrijf van [appellant] op de gronden gelegen in de AHS-landschap in de weg staat. Wel heeft het college gezien het bepaalde in artikel 2, derde lid, van het vaststellingsbesluit van de Paraplunota de bevoegdheid om in voorkomende gevallen van het beleid af te wijken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college in het bestreden besluit de redenen die ten grondslag liggen aan zijn besluit voldoende inzichtelijk gemaakt. Gebleken is dat [appellant] eigenaar is van twee percelen in de nabijheid van het plangebied en dat bouwvergunning is verleend voor het vergroten van de bedrijfsloods die aanwezig is op één van deze percelen. Dat het college bij de beoordeling van de mogelijkheid tot het afwijken van het provinciaal beleid in overweging heeft genomen dat [appellant] de bedrijfsloods ter beschikking heeft om aan zijn behoefte aan meer opslagruimte te voldoen acht de Afdeling niet onredelijk, aangezien de aanwezigheid van alternatieve opslagruimte afbreuk doet aan de noodzaak om een nieuw bedrijfsgebouw op te richten. De keuze van [appellant] om deze bedrijfsloods niet in te zetten ten dienste van zijn bedrijf doet hier niet aan af. Gelet hierop, alsmede in aanmerking genomen dat ook anderszins niet aannemelijk is geworden dat voor [appellant] geen aanvaardbaar woon- en werksituatie tot stand kan worden gebracht, acht de Afdeling het standpunt van het college dat de noodzaak voor het afwijken van het provinciaal beleid ontbreekt niet onredelijk. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college in redelijkheid zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het met de beleidsregel te dienen doel om de AHS-landschap te beschermen, dan aan de belangen van [appellant].

2.3.6. Voor zover [appellant] nog een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel moet de Afdeling hieraan voorbij gaan nu hij dit beroep niet nader heeft onderbouwd, en niet kan worden nagegaan of sprake is van met dit geval op één lijn te stellen situaties.

2.3.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.3.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Matulewicz

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009

45-618.