Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ2584

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
200900462/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoeterwoude (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het laten gebruiken als burgerwoning van de panden aan de [locaties] te Zoeterwoude (hierna: de panden) binnen 4 maanden te staken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2009/194
JOM 2009/684

Uitspraak

200900462/1/H1.

Datum uitspraak: 15 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 december 2008 in zaak nr. 08/274 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoeterwoude.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoeterwoude (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het laten gebruiken als burgerwoning van de panden aan de [locaties] te Zoeterwoude (hierna: de panden) binnen 4 maanden te staken.

Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 december 2008, verzonden op 24 december 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juni 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. W.G.H. Janssen, advocaat te Leiden, en het college, vertegenwoordigd door O. Groeneweg, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] is eigenaar van de panden en verhuurde een deel van beide panden als woonruimte aan derden.

2.2. Ter plaatse van de panden geldt het bestemmingsplan "Westwout (1985)" en de herziening daarop (hierna: het bestemmingsplan). Op de gronden waarop de panden staan rust de bestemming "Bedrijven".

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Bedrijven" bestemd voor bedrijven als genoemd in de categorieën 1 t/m 3 van de van de voorschriften deel uitmakende "Staat van Inrichtingen", met uitzondering van detailhandels- en horecabedrijven.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, mogen op deze gronden uitsluitend worden gebouwd:

a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de (sub)bestemming;

b. een dienstwoning met bijbehorende garage en bergplaats per bedrijf ter plaatse van de gronden zonder subbestemming.

Ingevolge artikel 1, zesde lid, wordt onder het begrip dienstwoning verstaan een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, kennelijk slechts bestemd voor (het gezin van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, is het verboden de onbebouwde gronden en bouwwerken binnen het plangebied te gebruiken of te laten gebruiken op een andere wijze of voor een ander doel dan blijkens die (sub)bestemmingen en voorschriften toelaatbaar is of is aan te merken als een normaal bestanddeel van dat toelaatbare gebruik.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij in strijd met het bestemmingsplan de panden als burgerwoning laat gebruiken. Hij voert aan dat het begrip dienstwoning te beperkt wordt uitgelegd, omdat bewoning van de panden met het oog op inbraakpreventie een nuttig effect heeft voor de bedrijven.

2.3.1. Het betoog faalt. Hoewel bewoning van de panden door particulieren kan bijdragen aan de veiligheid van het bedrijventerrein, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat daarmee niet gegeven is dat de huisvesting van de in de panden wonende personen noodzakelijk is gelet op de bestemming "Bedrijven", zoals bedoeld is in artikel 1, zesde lid, van de planvoorschriften.

2.4. Het college was derhalve bevoegd handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuurorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat, Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het optreden door het college onevenredig is. Hij voert daartoe aan dat het college het gebruik jarenlang heeft toegelaten en wijst in dit verband op de opgelegde onroerende zaakbelasting. Verder voert hij aan dat het college misbruik maakt van zijn bevoegdheid door eerst op te treden na het mislukken van de onderhandelingen over de verkoop van onder meer deze panden en door tevens aan de huurders een last onder dwangsom op te leggen. Voorts heeft het college bij de afwegingen van belangen onvoldoende gewicht toegekend aan het belang dat is gediend bij de veiligheid op het terrein en het belang dat is gediend bij het tegengaan van woningnood in Nederland.

2.5.1. Aan de omstandigheid dat [appellant] de woningen al sinds begin 1990 verhuurde aan al dan niet met het onderliggende bedrijf gerelateerde ondernemers en particulieren heeft hij niet een gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat niet tot handhaving zou worden overgegaan. Het college heeft onbetwist gesteld dat het eerder in 2002 heeft geconstateerd dat de woningen in strijd met het bestemmingsplan door particulieren werden bewoond en dat dit na correspondentie daarover met [appellant] is beëindigd. Aan de aanslagen die in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) zijn opgelegd, kan evenmin een dergelijk vertrouwen worden ontleend, reeds omdat niet is gebleken dat de panden in het kader van de Wet WOZ als woningen voor particulieren zijn aangemerkt.

2.5.2. In de omstandigheid dat in 2002 de onderhandelingen met de gemeente met betrekking tot de percelen waarop de panden staan door [appellant] zijn beëindigd, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college in strijd met artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verbod van détournement de pouvoir heeft gehandeld. Dat zou slechts anders zijn indien de door het college gebezigde motieven om handhavend op te treden niet de werkelijke motieven van het college kunnen zijn geweest. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. Deze omstandigheden hebben zich ruim voor het thans aan de orde zijnde besluit voorgedaan.

Nu zowel het laten gebruiken als het gebruik van de panden voor particuliere bewoning in strijd is met de voorschriften van het bestemmingsplan, was het college bevoegd ook de bewoners van de panden als overtreders aan te schrijven en kan hierin evenmin grond worden gevonden voor het oordeel dat het college in strijd met artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht heeft gehandeld.

2.5.3. Voor het oordeel dat handhavend optreden in het onderhavige geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van handhavend optreden behoort te worden afgezien bestaat onvoldoende grond. Niet is gebleken dat ten behoeve van de veiligheid van het terrein, bestaande uit het voorkomen van inbraak, geen andere middelen kunnen worden ingezet. Voorts kan de gestelde woningnood in Nederland niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.

2.5.4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden bestaan op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien. Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009

270.